door
Administrator
17 jan 2006
CDA-voorstel om aanzetten tot haat harder aan te pakken, biedt ongewenste mogelijkheid om ongewenste opvattingen te verbieden
Gerry van der List
Ruim één jaar geleden pleitte CDA-minister van Justitie Piet Hein Donner voor een aanscherping van het strafwetsartikel tegen ‘smalende godslasteringen’. De reacties waren niet zo positief. De poging van de CDA’er om de privileges van gelovigen verder te versterken, leidde zelfs tot het tegenvoorstel om de anachronistische bepaling helemaal te schrappen uit het Wetboek van Strafrecht.
Hopelijk heeft een ander CDA-voorstel om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen, eenzelfde averechts effect. Het, gisteren in een christen-democratische notitie gelanceerde, idee om ‘haatzaaiers’ harder aan te pakken, deugt namelijk niet.
Het ‘aanzetten tot haat’ is een te vaag, juridisch onhanteerbaar begrip dat de ongewenste mogelijkheid biedt ongewenste opvattingen te verbieden.
Wanneer zaait iemand haat? Premier Jan Peter Balkenende kritiseerde afgelopen weekeinde Rotterdamse politici omdat zij wezen op problematische kanten van de islam. Maakten zij zich schuldig aan het aanzetten tot haat? Had Theo van Gogh, die moslims met ‘geitenneukers’ placht aan te duiden, de cel in gemoeten? En hoe zit het met de Koran? Moet dit onverdraagzame boek, dat joden bijvoorbeeld met apen en zwijnen vergelijkt, soms verboden worden?
De bekende advocaten Gerard Spong en Oscar Hammerstein hebben ooit geprobeerd om politici en journalisten die Pim Fortuyn zouden hebben ‘gedemoniseerd’, voor de rechter te slepen. Het Openbaar Ministerie zag zich gelukkig niet geroepen om zich te bemoeien met de harde taal van de tegenstanders van Fortuyn, zelf een groot liefhebber van forse uitlatingen.
Wie oproept tot geweld, moet vervolgd worden. Wie anderen slechts verbaal kwetst, niet.