door
Administrator
5 okt 2007
Nog even en de prijsstijgingen van woningen nemen alarmerende vormen aan. Hoogste tijd voor een plan van aanpak van het Rijk en de gemeenten.
Jorien Apperloo
Afgelopen kwartaal stegen woningen verder in prijs. Ten opzichte van het tweede kwartaal werden ze gemiddeld 1,1 procent meer waard, berekende de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM).
De gemiddelde woning ging voor 248.000 euro van de hand; dat is 3,9 procent meer dan in 2006. Goed nieuws voor huizenbezitters, zou je zeggen.
Maar de prijsstijging heeft een donkere kant: in combinatie met de stijgende hypotheekrente en de stagnerende loonontwikkeling worden woningen steeds moeilijker betaalbaar. Dat is alarmerend, want als woningen zich de markt uit prijzen, kunnen de prijzen gaan dalen.
Vooral in de Randstad zijn de prijzen torenhoog en kunnen steeds minder mensen zich een koopwoning veroorloven.
In Amsterdam bijvoorbeeld bezit 7 procent van de gezinnen met een modaal inkomen een eengezinswoning, berekende de NVM. In Eindhoven is dat 43 procent.
De grote steden, het al een eeuwigheid door socialisten bestuurde Amsterdam voorop, lieten vooral sociale woningbouw verrijzen. Met als gevolg dat het aanbod van andere woningen te klein is, de prijzen stijgen en gezinnen de grote steden uittrekken.
De forse prijsstijgingen van de afgelopen jaren worden vooral veroorzaakt door het structurele woningtekort. Er wordt veel minder gebouwd dat de door het kabinet gewenste 100.000 woningen per jaar.
Oplopende bouwkosten maken het voor ontwikkelaars minder interessant om te investeren. Dit jaar stokt de productie op circa 75.000 woningen, berekende de Nederlandse Vereniging van Ontwikkelaars en Bouwondernemers (NVB).
In 2009 blijft de teller zelfs staan op 65.000. Haast nog kwalijker is dat het aanbod van nieuwbouwwoningen slecht aansluit op de vraag. Appartementen genoeg, zeker in de steden, maar de meeste huizenkopers willen een eengezinswoning met tuin. En die worden amper aangeboden.
Appartementen leveren gemeenten en ontwikkelaars nu eenmaal meer op. De verschillende partijen die bij de woningbouw zijn betrokken – het Rijk, de gemeenten, projectontwikkelaars en aannemers -, geven een brevet van onvermogen af.
Niet alleen wordt er te weinig gebouwd, er wordt ook verkeerd gebouwd. Het Rijk en de gemeenten, die verreweg de meeste invloed hebben op wat er wordt gebouwd, moeten zich dat het meest aantrekken.
Opeenvolgende ministers van Volkshuisvesting krijgen het al decennia niet voor elkaar om voldoende geschikte woningen te bouwen. Dat is onbegrijpelijk. En triest.