door
Administrator
15 mrt 2007
Bekentenissen van Khalid Sheikh Mohammed (dader aanslagen 11 september) onderstrepen het belang van bijzondere rechtsgang
Rik Kuethe
Meer gruweldaden kunnen er moeilijk aan één kerfstok kleven.
In het detentiekamp Guantánamo op Cuba heeft de Pakistaan Khalid Sheikh Mohammed bekend het meesterbrein te zijn geweest achter de aanslagen van 11 september 2001 in Amerika.
Alsof dat nog niet genoeg was, was hij ook betrokken bij de onthoofding van Daniel Pearl, journalist van de Wall Street Journal, en organiseerde hij in 2002 de dodendans in die twee nachtclubs op Bali.
Op de macabere verlanglijst van Khalid Sheikh Mohammed stonden verder nog de vernietiging van de Big Ben en het Panamakanaal, alsmede het ombrengen van de Democratische (oud-)presidenten Jimmy Carter en Bill Clinton.
Dat die laatste twee politici ook doelwit van Al-Qa'ida waren, logenstraft trouwens de vaak gehoorde bewering dat president George W.Bush door de bevrijding van Irak zichzelf de terreur op de hals heeft gehaald.
Moreel dwangbevel
In een interview met het weekblad Elsevier dat volgende week verschijnt, zegt John Bellinger, de hoogste juridisch adviseur van minister Condoleezza Rice, dat de Europeanen met hun morele dwangbevel om Guantánamo onmiddellijk te sluiten, wel een bijzonder ‘cheap shot’ afvuren.
Goedkoop, inderdaad. Al was het maar omdat, zoals een recent rapport van het Britse Lagerhuis (pdf) opmerkt, de Verenigde Staten tot nu toe de last van het vasthouden van extreem gevaarlijke terroristen vrijwel alleen moeten dragen.
In het nieuwe juridische mijnenveld, waar Washington zich de laatste jaren op de tast een weg moest zoeken, behoort de massamoordenaar Khalid Sheikh Mohammed tot een kleine groep vijandige combattanten die binnenkort voor een militair tribunaal wordt gebracht.
Beroep op de federale rechter is mogelijk. Keurig geregeld.
Anders dan met de Abu Ghraib-gevangenis in Bagdad destijds, is er met de praktijk van Guantánamo niet veel mis.