door
Administrator
26 jun 2007
Het Nederlandse onderwijs verliest de wedloop met andere rijke landen. Dat komt door het vermaledijde gelijkheidsdenken dat toptalent belet uit te blinken.
Arthur van Leeuwen
Zo staat het er niet, maar het Centraal Planbureau (CPB) bracht gisteren een duidelijke boodschap: als het hoger onderwijs geen ruimte schept voor toptalent, dan wordt Nederland een tweederangs natie.
Want een ‘hoogproductieve’ economie houdt zich alleen staande met ambitieuze types die zelf iets kunnen bedenken en ontwerpen – met innovatie op eigen kracht.
De zwakste leerlingen doen het beter, hoger opgeleiden slechter dan in vergelijkbare landen. De beste 1 procent van de Nederlandse leerlingen en studenten eindigt internationaal op een magere dertiende plaats.
Onder meer Zuid-Korea, Japan, Australië en in Europa Zwitserland en Finland scoren veel beter. Internationale vergelijkingen van onderwijsresultaten zijn verre van robuust, maar het CPB zette alle relevante cijfers (pdf) op een rij.
Na de middelbare school leren studenten te weinig bij. Een des te groter probleem daar het aandeel hoger opgeleiden in de beroepsbevolking te laag is. Niet zozeer omdat te weinig leerlingen naar hogeschool of universiteit gaan, ze haken gewoon te snel af.
Een onverantwoorde verkwisting. Het onderwijs was en is te eenzijdig gericht op het optrekken van de zwakkere, stelt het CPB. Die les is allang bekend in politiek Den Haag, en het is nog maar vijf jaar geleden dat VVD-minister Loek Hermans werd weggehoond om zijn plannen voor ‘topopleidingen’.
Pas sinds kort wagen de universiteiten zich aan masteropleidingen voor de beste studenten. Onder die minieme top is het vooralsnog één grijze brij – daar moet nog stevig in geroerd.
Een mooie opdracht voor minister Ronald Plasterk van Onderwijs en Wetenschappen. En van de PvdA, de partij van de gelijkheid.