door
Robbert de Witt
14 mrt 2008
Gezamenlijke actie om de val van de dollar tegen te gaan is bij voorbaat kansloos. Geen probleem: niets doen is beter dan ingrijpen om de dollarkoers te steunen
Remko Nods
‘De dollar is onze munt, en jullie probleem.’ Dat is al sinds begin jaren zeventig het motto van de Amerikaanse monetaire autoriteiten. Een zwakke dollar heeft hen nooit veel zorgen gebaard – nu ook niet.
President Ben Bernanke van de Amerikaanse centrale bank, de Fed, heeft genoeg andere zorgen: het overeind houden van het Amerikaanse bankwezen tijdens de ernstigste kredietcrisis sinds de jaren dertig van de vorige eeuw.
Onder druk
De Amerikaanse opstelling maakt een gecoördineerde actie van de centrale banken om de dollarkoers te steunen bij voorbaat kansloos. De Europese Centrale Bank (ECB) staat onder druk om te interveniëren, omdat de zwakke dollar exporterende bedrijven in de eurozone flink pijn begint te doen. Hun producten worden te duur voor de Amerikanen.
Maar zonder hulp maakt de ECB weinig kans om de val van de sleutelvaluta te stuiten. De Japanse centrale bank heeft geen sterk motief om in te grijpen. Die heeft al 1.000 miljard dollar op de plank liggen. Nog meer dollars bijkopen, heeft weinig zin.
Overconsumptie
Ingrijpen is niet alleen weinig kansrijk zonder coördinatie, maar ook niet nodig. Dankzij de lage dollar verbetert de betalingsbalanspositie van de Verenigde Staten automatisch doordat de import (lees: de Amerikaanse overconsumptie) wordt afgeremd en de Amerikaanse export wordt gestimuleerd, omdat Amerikaanse producten buiten het eigen land goedkoper worden en daardoor beter kunnen concurreren.
Deze impuls voor de exportsector vermindert de kans op een diepe recessie in de Verenigde Staten. Bovendien zijn Amerikaanse ondernemingen nu spotgoedkoop geworden. Dat lokt vroeg of laat buitenlandse koopjesjagers, die met overnames een bodem gaan leggen onder de dollarkoers.