door
Robbert de Witt
5 mrt 2008
Het dubbelzinnige Nederlandse drugsbeleid is veel te laagdrempelig voor gebruikers en telers. Hoogste tijd om het halfslachtige gedogen van ‘softdrugs’ te staken
Gerlof Leistra
Ruim dertig jaar na de invoering van dit beleid is Nederland verworden tot coffeeshop van Europa, zijn er vooral onder jongeren duizenden cannabisverslaafden, lijkt het platteland één grote wietplantage en exporteert ons land al bijna net zoveel wiet als sla en komkommers.
De georganiseerde misdaad vaart er wel bij, zo schrijft Elsevier deze week in ‘De verloren oorlog tegen de wietteelt’.
Spagaat
Cannabis is verboden, en toch is het bezit van maximaal dertig gram geen misdrijf, maar een overtreding. Ook wietteelt is verboden, maar wie minder dan vijf planten kweekt, wordt niet vervolgd. Voor de buitenwereld is die bestuurlijke spagaat niet uit te leggen: het mag niet en toch weer een beetje wel.
Morgen praat de Tweede Kamer over het drugsbeleid. Aan de vooravond van het debat pleiten drugsexperts van onder meer het Trimbos-instituut voor een grondige evaluatie van het gedoogbeleid.
Dat is vreemd genoeg nooit goed gedaan. Alle partijen zijn het er over eens dat er iets moet gebeuren, maar het is zeer de vraag of ze het ooit eens worden.
Schade
Eigenlijk zijn er maar twee mogelijkheden: legaliseren of verbieden. De eerste optie is alleen al onmogelijk vanwege internationale drugsverdragen.
Een verbod is logischer. Om tal van redenen: de evidente schade voor de volksgezondheid, de overlast van drugstoeristen en de buitensporige kosten voor politie en Justitie. Verder speelt de drugshandel de georganiseerde misdaad in de kaart.
Sluiting van alle coffeeshops en growshops - samen meer dan duizend! - is de enige juiste remedie. Nu is de drempel voor gebruikers en telers veel te laag.