door
Syp Wynia
1 jul 2008
Dat justitie niet overgaat tot vervolging Geert Wilders wegens discriminatie is heel begrijpelijk. Maar zo'n principiële zaak vraagt om een rechterlijke uitspraak
Gerlof Leistra
Het lag voor de hand dat de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om Geert Wilders niet te vervolgen wegens discriminatie of haatzaaien, stuit op onbegrip bij de klagers.
Weliswaar vindt het OM een aantal uitlatingen van Wilders in kranten en in zijn film Fitna beledigend voor moslims, maar die uitlatingen zijn gedaan ‘binnen de context van het maatschappelijk debat’, en daarom niet strafbaar.
Complex
De afweging tussen de vrijheid van meningsuiting en de eventuele strafbaarheid van discriminerende uitlatingen is complex. De uitvoerig gemotiveerde beslissing van het OM is mede gebaseerd op een advies van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie, onderdeel van het Amsterdamse parket.
Omdat het een politiek gevoelig onderwerp betreft, is de beslissing gemeld aan het College van procureurs-generaal – de top van het OM – en ‘kenbaar gemaakt’ aan de minister van Justitie. Die laatste kan het OM een aanwijzing geven om te vervolgen, maar heeft van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Het besluit is verder niet alleen getoetst aan nationale regelgeving, maar ook aan jurisprudentie van het Europese Hof en er is advies ingewonnen van wetenschappers.
Kritiek
Hoe zorgvuldig het OM ook heeft gehandeld en hoe begrijpelijk de beslissing om niet te vervolgen ook is, zo’n principiële zaak kan beter worden voorgelegd aan de rechter. Als die even goed gemotiveerd tot dezelfde conclusie komt als het OM, is het voor iedereen duidelijk waar de grenzen van het maatschappelijk debat liggen.
Een rechterlijke uitspraak heeft nu eenmaal meer gezag dan een beslissing van het OM.
Een aantal klagers gaat bezwaar aantekenen bij het Gerechtshof. Dat betekent dat rechters zich, zij het pas in tweede instantie, over de eventuele strafbaarheid van Wilders moeten uitlaten. Dat is een goede zaak.