Vreemde valuta: euro en dollar
Sinds de invoering van de euro hebben Nederlanders niet zo vaak meer met geld wisselen en wisselkoersen te maken. De kredietcrisis heeft daar niets aan veranderd. Een euro is een euro, van Finland tot Spanje.
Zo is het niet voor Bitten, Zwitsers, Denen of de bewoners van de meeste landen van Midden-Europa die de euro (nog) niet als munt hebben. Het Britse pond, jarenlang zo duur dat voor euro-bezitters Londen de duurste stad van Europa was, verloor ten opzichte van de euro al sinds 2007 aan waarde.
Het Britse financiële bedrijf, het belangrijkste in Europa en misschien wel ter wereld, stelsel werd eerder en heftiger door de in de Verenigde Staten begonnen kredietcrisis geraakt dan dat in de rest van Europa.
Vertrouwen
Midden vorig jaar knapte er ook iets in het vertrouwen van de financiële wereld in de nationale munten van een aantal landen in Midden- en Oost-Europa: hun wisselkoersen duikelden omlaag.
Alleen de vier landen (Estland, Letland, Litouwen en Bulgarije) die hun munt al helemaal of bijna vast aan de euro hebben gekoppeld bleven voor een wisselkoersval gespaard. Ondanks dat Letland in ernstige financiële problemen raakte door de kredietcrisis.
EU-steun
Op 20 februari kreeg Letland 7,5 miljard euro steun, waaronder 3,1 miljard van de Europese Unie die beschikt over een speciale steunfaciliteit voor niet-eurolanden die in financiële moeilijkheden raken. Euro-landen worden geacht zichzelf te redden.
Eerder, op 4 november, kreeg Hongarije uit dezelfde faciliteit 6,5 miljard EU-geld als onderdeel van een steunpakket van 20 miljard.
ECB-steun
Hongarije en Polen hebben bovendien sinds het late najaar van 2008 speciale kredietlijnen, zogenoemde repurchase agreements bij de Europese Centrale Bank, waardoor ze zonodig tijdelijk over miljarden euro's (Hongarije 5 miljard, Polen 10) kunnen beschikken ten behoeve van hun nationale bankwezen.
Toch is de Poolse zloty in een jaar tijd al met 32 procent in koers gedaald ten opzichte van de euro, en de Hongaarse forint met bijna 18 procent.
Maar Polen, Hongarije, Tsjechië en Roemenië kozen, net als de Britse regering, welbewust voor een regime van op- en neergaande wisselkoersen. Net zoals dat bestaat tussen de euro en de Amerikaanse dollar of de Japanse yen en de meeste andere vreemde valuta. Vlottende wisselkoersen zijn al jaren de regel in de wereld.
Gouden standaard
Dat is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw ontstond de zogenoemde gouden standaard , waarbij werd geprobeerd om de waarde van een munt verbonden te houden met een flinke voorraad goud in de kluizen van de centrale bank. Ook als er veel bankpapier in omloop was gebracht. De onderlinge wisselkoersen hingen in dit stelsel af van het afgesproken goudgehalte van de munt.
In 1875 ging ook Nederland over op de gouden standaard en stelde een Nederlandse gulden op ongeveer 0,6 gram goud. Handelsoverschotten en tekorten moesten in principe in goud worden afgerekend. Als de Britten in een jaar voor een groter bedrag spullen aan Nederland leverden dan omgekeerd, ging er goud van Amsterdam naar Londen.
Goudstroom
Een toestroom van goud maakte het mogelijk dat er meer bankpapier in omloop kwam, wat tot inflatie leidde en de prijzen zou opdrijven, ook de exportprijzen, tot een niveau waarop de toestroom van goud door het handelsoverschot zou stokken omdat de export duurder was geworden. En omgekeerd bij een uitstroom van goud.
In de praktijk werkte het natuurlijk niet zo simpel, bijvoorbeeld omdat er behalve handel ook buitenlandse investeringen zijn die vreemde valuta in een land brengen. Maar het voordeel van vaste wisselkoersen voor handel en investeerders was onmiskenbaar. Iedereen wist waar hij aan toe was.
In 1936 ging de gouden standaard definitief onder na de wereldwijde economische crisis die in 1929 begon.
Bretton Woods
De gouden standaard is na de Tweede Wereldoorlog nog een kwart eeuw herleefd in het zogenoemde Bretton Woods stelsel met de Amerikaanse dollar als basis. Die munt behield namelijk haar vaste goudwaarde tot 1971.
Andere munten, ook de Nederlandse gulden, waren aan de dollar gekoppeld. Dat leverde een systeem van vaste wisselkoersen op, dat op den duur net als de gouden standaard onhoudbaar bleek. Verschillen in inflatie en in economisch beleid tussen landen ondermijnden het systeem; uiteindelijk konden zelfs de Amerikanen hun vaste goudprijs niet volhouden.
De voordelen van vaste wisselkoersen voor handel en investeerders bleven desondanks groot, want de risico’s van schommelende wisselkoersen kunnen aanzienlijk zijn. Vandaar de invoering van de euro.
Koopkracht
Intussen hebben economen zich al lang afgevraagd waardoor wisselkoersen eigenlijk worden bepaald.
Er zijn verschillende theorieën voor ontwikkeld. De bekendste is wellicht de koopkrachtpariteitsbenadering, die zegt dat wisselkoersen tenderen naar het gelijkmaken van de koopkracht van valuta.
Veel hard bewijs dat het zo werkt is er overigens niet.
Zeker op korte termijn blijken onzekerheid, echte en vermeende risico’s en de geldstromen die beleggers zelf op gang brengen, een aanzienlijke rol te spelen. Zulke angsten spelen nu de Midden-Europese regeringen en de Britten parten.
Positief effect
Een dalende valutakoers hoeft overigens niet altijd ongunstig te zijn. Hij maakt, net als in de tijd van de gouden standaard, het leven in het land dat erdoor getroffen wordt duurder omdat importproducten duurder worden. Maar dat kan de vraag naar binnenlands product stimuleren. Bovendien wordt de eigen export van het devaluerende land ook goedkoper.
De Britten, de Amerikanen en al die Midden- en Oost-Europese landen die met dalende koersen te maken hebben, hebben ook handelstekorten. In beginsel worden die door dalende valutakoersen kleiner.
Schulden
In een aantal landen is overigens het bijkomende probleem dat regeringen, bedrijven en consumenten enorme schulden in vreemde valuta zijn aangegaan.
Het betalen van rente en aflossing op zulke schulden is inmiddels enorm veel kostbaarder geworden. De Amerikanen, die alleen geld lenen in dollars, en de Britten, hebben van dit negatieve effect geen last.