Ronald Plasterk krijgt het ook niet voor elkaar: Nederland als kenniseconomie op de kaart zetten
Willen onze kinderen en kleinkinderen een fatsoenlijke toekomst hebben in Nederland, dan is het hoogst noodzakelijk dat we stevig investeren in wetenschappelijk onderzoek. De enige manier waarop dit land zich staande kan houden in de internationale concurrentie is om een kenniseconomie te worden. Kennis van vandaag is de welvaart van morgen.
We zitten knel. Enerzijds zijn er landen als China en India, waar de lonen lager zijn, de mensen harder werken en de kinderen beter hun best doen op school. Dan zijn er de landen uit het voormalige Oost-Europa die zich de benen uit het lijf rennen om ons in te halen. Tenslotte zijn er de Verenigde Staten die er beter dan Europa in slagen om nieuwe kennis en kunde om te zetten in bedrijfjes.Wat doet Nederland?
Weinig daden
Nada. Niente. Noppes. Al twintig jaar wordt dit probleem in allerlei media gesignaleerd maar er gebeurt niets. Veel grote woorden maar weinig daden.
Afgelopen zaterdag wees Robbert Dijkgraaf daar op in NRC Handelsblad. Dijkgraaf is een gerenommeerd natuurkundige en president van de KNAW. De cijfers die hij noemt, leunend op een rapport van de KIA, Kennisinvesteringsagenda, zijn verbijsterend.
Als enige Europees land heeft Nederland de afgelopen tien jaar geen enkele groei gehad in R&D, onderzoek en ontwikkeling. Vergelijkbare landen presteren onvergelijkbaar veel beter. Finland heeft per capita drie keer zoveel wetenschappers als Nederland, Zweden heeft zes maal zoveel gepromoveerden.
We staan stijf onderaan. En dat komt niet alleen door het bedrijfsleven maar ook door de overheid zelf. Waar de overheid volgens het door premier Jan Peter Balkenende (CDA) ondertekende Lissabon-akkoord eigenlijk één procent van het BNP aan onderzoek en ontwikkeling zou moeten uitgeven, is Nederland gedaald van 0,73 naar 0,67 procent.
Plasterk
Maar het probleem gaat verder terug. In feite kalft de positie van Nederland in de internationale kennisstatistieken al een jaar of dertig af. Begin jaren tachtig schreef ik met mijn collega Peter van Dijk een serie van twintig artikelen in NRC Handelsblad (later omgewerkt tot een niet meer verkrijgbaar boekje: De Hollandse Ziekte) waarin we al op dit probleem wezen.
Anno 2009 is er niets veranderd, het is alleen maar slechter geworden. Dit geeft aan dat achtereenvolgende kabinetten er een zooitje van hebben gemaakt. Toch verdient één minister het om te worden uitgelicht.
Ronald Plasterk (PvdA). De eerste Nederlandse wetenschapper die minister voor de wetenschap werd. Een gerenommeerde onderzoeker die samen met tientallen collega’s van naam vlak voor aantreden van dit kabinet een advertentie ondertekende waarin hij stelde dat er één miljard extra naar de wetenschap moest gaan.
Een innemende en intelligente man, die alom geliefd is. En die er net als al zijn voorgangers niets van bakt.