door
Robin van der Kloor
3 mei 2010
Het oranje van Rabo kleurt al veertien jaar het peloton
Rabobank is momenteel een van de oudste sponsors in de wielrennerij. Al veertien jaar rijden de renners rond in het oranje. En dat terwijl bijna iedere sponsor door het slechte imago (doping!) van de sport, het al snel voor gezien houdt.
Zo'n beetje alleen in België en Italië, de wielergekke naties, durven bedrijven het aan voor langere tijd hun naam aan de nog altijd zwaar gedopeerde sport te koppelen.
Dieptepunt
In 1996 verscheen Rabobank op het toneel en toonde zich de redder van de Nederlandse wielersport. Met opleidingsploegen en een fors budget kreeg het wielrennen in ons land weer wat niveau. Dat was hard nodig, want in het beruchte epo-tijdperk begin jaren negentig bakten we er niets van.
Michael Boogerd is het beste voorbeeld van het succes van dit Rabobank Wielerplan. In 1995 dacht hij nog aan stoppen. Ik kwam hem nog eens tegen tijdens een trainingstochtje door de Haagse duinen, enkele dagen voordat hij vertrok naar het voor Nederland dramatisch verlopen WK voor profs in Colombia.
Hij reed me tegemoet op een troosteloze, regenachtige herfstdag in zijn Novell-shirtje. Lekke band achter. Rammelende fiets. Gezicht op onweer. Ik was vijftien jaar en wilde ook een goede wielrenner worden. Ik raakte in de war van zijn gelaatsuitdrukking. Moet hij die zo weinig motivatie uitstraalt volgende week schitteren op het WK? Later vertelde hij in zijn biografie dat hij in die dagen dacht aan stoppen met wielrennen.
Grote koers
Een jaar later won hij, koersend voor de nieuwe Raboploeg van Jan Raas, een etappe in de Tour de France en in 1997 het Nederlands kampioenschap. Meer renners kwamen bovendrijven. Leon van Bon brak door en ook Maarten den Bakker bleek een niet te onderschatten renner in de Waalse klassiekers. Er was echter een grote maar: niemand bleek in staat een echt grote koers te winnen, al liet Erik Dekker af en toe wel schitterende dingen zien.
De ontwikkeling van Rabo stagneerde en het was dit jaar niet anders. De ploeg begon te teren op talenten die (nog) niet wonnen en op buitenlandse renners als de intussen verguisde Deen Michael Rasmussen, goudhaantje Oscar Freire en de wispelturige Rus Denis Mentsjov. Boogerd bleek een heel goede renner, maar niet meer dan dat. Toch kregen die jongens een miljoenensalaris.
Geen Contadors
Die situatie bestaat nu al een paar jaar. De talenten blijven talenten en worden uiteindelijk geen wereldtopper. Tot nu toe hebben de opleidingsploegen, waar Frans Maassen en Nico Verhoeven de leiding hadden, nog nooit een echte grote kampioen opgeleverd. Wel heel veel goede renners (Thomas Dekker, Stef Clement, Martijn Maaskant, Sebastiaan Langeveld), maar geen Valverdes, geen Cunego’s, geen Armstrongs en geen Contadors.
En daar kan een sponsor nooit tevreden mee zijn, vooral niet omdat de Raboploeg een van de grootste budgetten (jaarlijks zo'n 13 miljoen euro) van het peloton heeft.
Stoppen
Het is natuurlijk afwachten wat betreft de huidige lichting met Lars Boom en Robert Gesink. Beiden zijn zeer talentvol en hebben het misschien in zich om een grote klassieker of een grote ronde als de Tour of de Ronde van Spanje te winnen. De vraag is echter of Rabobank moet blijven hopen en wachten op het grote succes. Dat is al veertien seizoenen niet gelukt: het wordt tijd voor verandering.
Rabobank zou er verstandig aan doen om te stoppen met sponsoring, zodat een ander bedrijf de fakkel kan overnemen. De bankiers kunnen hun geld beter aan andere zaken uitgeven. Niet alleen om bovengenoemde stagnatie, maar ook vanwege een zeer groot Zwaard van Damocles dat boven de ploeg hangt: de Weense dopingzaak. Daarover komende woensdag meer.