Hoog tijd dat het verbod op godslastering wordt geschrapt
Het initiatief om het verbod op smalende godslastering uit het wetboek te schrappen verdient alle steun. Verontwaardiging bij gelovigen vormt geen reden om de vrijheid van meningsuiting te beperken
Hoewel Nederland een scheiding van kerk en staat kent, worden gelovigen nog steeds voorgetrokken. Ook in de wet. Zo kan ‘smalende godslastering’ nog altijd worden bestraft met gevangenisstraf of een geldboete.
D66, VVD en SP hebben het initiatief genomen dit artikel (147) uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen. Terecht. Waarom zouden gelovigen van de overheid extra bescherming krijgen? Wat doet God eigenlijk in de wet?
Negatief signaal
De Raad van State ziet ook geen grote juridische obstakels om het verbod te schrappen. Maar in een advies dat vorige week werd gepubliceerd over het initiatiefwetsvoorstel van D66, VVD en SP, werpt het belangrijkste adviesorgaan van de regering wel allerlei politieke bezwaren op.
Afschaffing van het verbod op godslastering zou een ‘negatief signaal’ betekenen voor religieuze minderheden. Verder roept deze maatregel ‘discussie en emoties’ op. De ‘daaruit mogelijk voortvloeiende spanningen’, zegt de Raad, zouden ‘een voldoende dringende maatschappelijke behoefte kunnen vormen om van afschaffing af te zien’.
Fatsoen
Het komt erop neer dat de Raad in eventuele reacties van boze gelovigen een mogelijke reden ziet om de vrijheid van meningsuiting niet uit te breiden. Met deze angstige redenering wordt uiteraard ook een negatief signaal uitgezonden. En wel naar burgers die de ratio hoger achten dan emoties en vinden dat intolerantie niet bij wet dient te worden beloond.
Het verdwijnen van artikel 147 uit het wetboek zou vanzelfsprekend geen morele vrijbrief betekenen om God te beledigen. Het is een blijk van fatsoen om rekening te houden met de gevoelens van gelovigen. Maar de rechter heeft hier geen enkele rol.