Minister Edith Schippers (VVD, Volksgezondheid) op een bijeenkomst over orgaandonatie
De handel in lichaamsdelen ligt gevoelig. Maar waarom zou de vrije markt hier slecht werken?
Met wat volwassenen met wederzijdse instemming besluiten te doen, moet de overheid zich zo min mogelijk bemoeien. Burgers zouden in een vrij land bovendien het recht moeten hebben om met hun lijf te doen wat hun goeddunkt.
Deze logica van het idee van individuele zelfbeschikking is nog niet doorgedrongen tot het medische domein. Zo verbiedt de wetgever de verkoop van delen van het eigen lichaam.
Twijfels
Over de zin van dit verbod groeien de twijfels. Voornamelijk vanwege de principiële vraag: waarom mag een burger niet zelf bepalen of hij iets van zichzelf verkoopt?
Dit is geen academische kwestie. De vraag naar organen is aanzienlijk groter dan het aanbod. Een Nederlandse nierpatiënt moet ruim vierenhalf jaar wachten totdat hij een nier van een overledene kan krijgen.
Onderzoekers van het Rathenau Instituut concluderen in de interessante studie 'Nier te koop – Baarmoeder te huur' dat commercie rond het lichaam niet per se verwerpelijk is. Een verfrissend geluid in een vaak al te moralistisch debat.
Altruïsme
Aan de handel in organen zitten haken en ogen, dat is waar. Zo zou het creëren van de mogelijkheid om een nier te kopen in de Nederlandse verzorgingsstaatscultuur al snel kunnen leiden tot het eisen van een vergoeding door de verzekering voor de aanschaf.
Toch is het goed om serieus te kijken naar de voordelen van marktwerking. Het donatiebeleid is nu een sociaal-democratisch project met een bedisselende overheid die een beroep doet op het altruïsme van de burger. Maar als burgers er (financieel) belang bij hebben organen te doneren, zal het aanbod vanzelf toenemen. Tot grote vreugde van al die patiënten die een orgaan nodig hebben.
Naastenliefde is mooi, maar het op basis van wederzijdse belangen drijven van handel is bijna altijd een betere motor achter maatschappelijke vooruitgang.