De aanname dat de omroepen nog een maatschappelijke zuil vertegenwoordigen, is nooit serieus op de proef gesteld
Dat de Wereldomroep hard wordt aangepakt met de bezuinigingen is terecht, maar het heeft ook wat oneerlijks. Die andere publieke omroepen zijn net zo'n relict
Het is al ruim zestig jaar een historisch feit dat Nederland geen wereldrijk meer is, ook al heet het Koninkrijk der Nederlanden.
Sinds de onafhankelijkheid van de kolonie Nederlands-Indië in 1949 is Nederland, op wat tropische snippers na, weer wat het in den beginne was: een ‘gezellige moerasdelta’, om met wijlen Gerard Reve te spreken.
Het heeft dus nog best lang - bijna een mensenleven - geduurd voor de stekker uit de Wereldomroep ging, het publieke medium dat dateert van 1947, toen dat Nederlandse wereldrijk allang imaginair was. De Wereldomroep had niet eens moeten worden opgericht.
Foute regimes
Het is dus te billijken dat het kabinet-Rutte de Wereldomroep relatief zwaar treft bij de bezuinigingen op de publieke omroep.
Er blijft weinig meer van over dan een afdeling van Buitenlandse Zaken die een soort Postbus 51-spotjes tegen foute regimes gaat maken.
Maar iets oneerlijks heeft het ook. Die andere publieke omroepen zijn net zo’n relict van een vervlogen tijdperk.
Achterban
De aanname dat die omroepen, net als in hun begintijd, nog een maatschappelijke zuil vertegenwoordigen, is in elk geval nooit serieus op de proef gesteld.
Hun zogeheten achterban - de ‘leden’ - wordt op de been gehouden met cadeautjes en belachelijk lage lidmaatschapsgelden: nog geen zes euro per jaar.
Grote test
Het kabinet wil dat dit jaren vijftig tarief naar 15 euro per jaar gaat. Nog steeds weinig - 50 euro zou een reëler bedrag zijn, berekent weekblad Elsevier deze week - maar het is een begin.
De grote test van de publieke omroepen kan beginnen. Is hun zogenaamde representativiteit echt of - net als wereldrijk Nederland - nostalgische fictie?