Simon Rozendaal rijdt elektrisch
Misschien dat het over twintig jaar volslagen normaal is - al denk ik niet dat de elektrische auto de auto van de toekomst wordt - maar het is nu iets opmerkelijks.
Ik merk het aan hoe er wordt gekeken wanneer ik vrijwel stil door de straten rijd. Vooral nieuwe Nederlanders kijken buitengewoon geïnteresseerd naar mijn Opel Ampera als ik zachtjes langs zoef. Dat komt waarschijnlijk omdat auto’s in de allochtone jeugdcultuur van bizar belang zijn.
Elke kans om de auto op te laden, benut ik. Onlangs lunchte ik met iemand die ook een Ampera heeft en die vertoonde precies hetzelfde gedrag. Het is bijna een sport om zo veel mogelijk op stroom te rijden, al is het maar vanwege de verbaasde blikken en omdat je bij een stoplicht sneller kunt optrekken dan wie ook.
Beetje bang
Met andere woorden, het vermoeden dat sommige reageerders op deze blogs uitspraken - dat mensen deze lease-auto alleen nemen omdat ze dan een paar honderd euro per maand bovenop hun salaris krijgen, maar verder gewoon op benzine rijden - klopt waarschijnlijk niet.
Aanvankelijk was ik een beetje bang voor het laden. Ik weet hoe ik benzine en diesel moet tanken, maar ik had geen idee hoe dat met stroom ging. En iets dat je nog niet kent, vind je al gauw een beetje eng.
Welnu, het is simpel.
Als ik mijn auto parkeer, moet ik op een knopje drukken om het klepje voor het stopcontact te ontgrendelen. In het linkerportier zitten twee knopjes: één voor het benzineklepje aan de rechterkant van de auto (een beetje verborgen, ook om te stimuleren zo veel mogelijk elektrisch te rijden), en één voor het stroomklepje aan de linkerkant.
Opgewonden types
Achterin de auto liggen twee snoeren: één voor 230 volt en één voor gewone stroom. Daarnaast heb ik ook nog eens een stuk of zes verschillende stekkers, voor het geval ik in andere landen stroom ga tanken.
Hoe werkt het?
Ik pak het snoer voor krachtstroom uit de achterklep. De ene kant van dat snoer is een soort pistool. Dat steek ik in het stopcontact van de auto. Daarna moet het andere uiteinde van het snoer (dat minder puntjes heeft dan de stekker die ik in de auto stop) in het oplaadpunt van de garage.
Ik had kunnen kiezen voor een oplaadpunt bij mij in de straat, maar heb dat niet gedaan. Niet vanwege de kosten (een oplaadpunt op straat moet vandaal- en weerbestendig zijn en kost dus 12.000 euro), want dat had de gemeente Rotterdam wel willen betalen. Maar ik vertrouw het niet, een auto midden in de stad waar een snoer uitsteekt. Het systeem is beveiligd en je kunt de stekkers er dus niet uittrekken, maar ik vrees dat de opgewonden types die ik ’s nachts weleens op straat hoor schreeuwen tot vreemde manoeuvres in staat zijn.
Wanneer ik de auto heb verbonden met een oplaadpunt meldt het dashboard hoe lang het duurt voor de batterijen zijn geladen: als ik de batterijen leeg heb gereden is dat tussen de 4 en 4,5 uur.
Marktpositie
Dat opladen kost ongeveer 3 euro, zo heb ik begrepen van de technische dienst van Elsevier, die het oplaadpunt in de garage heeft geïnstalleerd.
Dat is niet slecht natuurlijk, hoewel het vooralsnog onduidelijk is of dat ook de prijs is die zal moeten worden betaald mocht de elektrische auto ooit een serieuze marktpositie krijgen. Dat gaat volgens mij niet gebeuren om redenen waar ik later nog wel eens op in zal gaan.
Hoe dan ook, voorlopig is elektrisch rijden goedkoop. Ik rij voor 3 euro stroom - afhankelijk van mijn rijgedrag, ook daarover later meer - tussen de 45 en de 60 kilometer, terwijl ik voor 3 euro benzine maar zo’n 20 kilometer kan rijden.
Los van andere overwegingen (luchtvervuiling, klimaat, subsidies), in het dagelijks gebruik is een elektrische auto bepaald niet onaantrekkelijk.