Rosenthal wilde vroeger sportjournalist worden
Journalistiek is in feite een minderwaardig vak. Het is vooral parasiteren op anderen. Je hebt mensen die iets bijzonders presteren en je hebt mensen die daar over berichten.
Het laatste verdient vanzelfsprekend minder waardering, maar is over het geheel genomen wel aangenamer. Op een perstribune zitten om een sportwedstrijd te bekijken bijvoorbeeld is plezieriger dan je uit de naad trainen.
Juichen
Zelf ben ik pas vrij kort in het bezit van een sportperskaart. Het was eerst even wennen. Toen ik het begeerde pasje ontving, reisde ik meteen af naar het stadion van de Rotterdamse voetbalvereniging waar ik al zo’n veertig jaar trouw kom, om daar gratis en voor niks tussen de journalisten plaats te nemen.
Toen de thuisclub scoorde, veerde ik juichend op, wat tot gefronste wenkbrauwen bij mijn nieuwe collega’s leidde. Voetbaljournalisten worden namelijk geacht om na een doelpunt rustig te blijven zitten en met een neutraal gezicht de doelpuntenmaker in hun opschrijfboekje te noteren of, tegenwoordig vooral, op hun laptop in te voeren.
Comfortabel
Voetbaljournalisten zijn vaak ook een beetje blasé. Het zijn meestal mannen van middelbare leeftijd die al zo vaak Ajax-Feyenoord hebben gezien dat ze er zich niet eens meer op verheugen.
Maar een sportperskaart is echt iets heel moois, zo blijkt ook weer in Londen. Journalisten worden hier met alle egards behandeld. Al op het vliegveld word je apart onthaald door een vriendelijke mevrouw, die je een kaart omhangt waarmee je zomaar alle stadions binnen kunt lopen.
Drijfnat
Tevens ontvang je een pasje waarmee je onbeperkt van het openbaar vervoer gebruik kunt maken. Maar in de overvolle metro plaatsnemen hoeft helemaal niet. Voor journalisten rijden langs speciale ‘olympic lanes’ bussen die ze comfortabel naar elke sportlocatie brengen waar ze maar willen zijn.
Verder – het kan echt niet op – krijg je in een stadion bijna altijd een plek met het beste zicht. Als je dreigt weg te regenen, zoals bij het beachvolleybal zondag, ga je gewoon naar een overdekt sportevenement, de andere bezoekers drijfnat en depressief achterlatend. Die hebben een fors bedrag betaald voor hun plaats en vinden het zonde om dat letterlijk weggespoeld te zien, dus zij blijven maar tegen wil en dank zitten.
Verbeten
Uri Rosenthal wil in interviews in een populistische bui nog weleens vertellen dat hij vroeger sportjournalist wilde worden. Dan kon hij namelijk gratis naar wedstrijden toe.
Vermoedelijk heeft hij de verkeerde beroepskeuze gemaakt. Nu moet hij als, weinig glansrijke, minister van Buitenlandse Zaken in een, weinig glansrijk, demissionair kabinet met een verbeten trek om de mond steeds het Syrische regime voor de laatste maal waarschuwen, terwijl hij in Londen verslag had kunnen uitbrengen van een bij voorbaat historisch sprintduel tussen Usain Bolt en Yohan Blake.
Arme man.