door
Michiel Dijkstra
7 sep 2012
Angela Merkel lijkt minder strikt tegen monetaire verruiming
Gek eigenlijk: de Europese Centrale Bank (ECB) zet onder leiding van Mario Draghi de geldkraan voor Spanje en Italië open, en heel Europa lijkt er achter te staan
Dat geldt niet alleen voor de naar hulp snakkende zuiderlingen, maar ook voor de Duitse bondskanselier Angela Merkel – vorig jaar nog verklaard tegenstander van grootscheeps ECB-ingrijpen – en president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank. Knot verklaarde in juli tegenover Elsevier nog dat de ECB wat hem betreft geen staatsobligaties van noodlijdende landen meer koopt.
Wat het plan in de ogen van de Europese leiders en centrale bankpresidenten aantrekkelijk maakt, is dat de ECB alleen staatsobligaties koopt van landen die hulp vragen bij het Europees Noodfonds (EFSF) of het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM).
Terechte vrees
Zo kunnen ze dwang op het land blijven uitoefenen om te blijven hervormen, is de redenering. Alleen Bundesbank-president Jens Weidmann blijft zich tegen het plan verzetten. Hij vreest dat het bij Spanje en Italië de druk om te hervormen wegneemt.
Weidmanns vrees is terecht. Spanje en Italië gaan niet onmiddellijk bij het Europees Noodfonds om hulp vragen. Dat doen ze pas als het water ze aan de lippen staat. Ze hebben immers van de ECB de belofte dat de ECB dan tientallen, zo niet honderden miljarden euro's bijdrukt om hun staatsobligaties te kopen en hen zo overeind houdt.
Inflatie
Ze kunnen het vanaf nu dus lekker rustig aan doen met hervormen. Als beleggers opnieuw het vertrouwen verliezen – en dat is gezien de fragiele staat van de economieën in die landen een reëel scenario – betaalt de ECB de rekening wel.
Slecht voor Nederland en Duitsland: al dat geld drukken resulteert voor hen in hogere inflatie.