Nieuws

Algemeen

Persgeschiedenis: Reactionaire kwajongen, prachtige, wijze nar

door Administrator 31 jan 2005

OVER ELSEVIER

Persgeschiedenis: Reactionaire kwajongen, prachtige, wijze nar

Journalistieke legende Henk Lunshof

door Gerry van der List

Honderd jaar geleden werd H.A. Lunshof geboren. Als hoofdredacteur van het mede door hem opgerichte Elseviers Weekblad maakte de grillige Drentenaar naam en met zijn smeuïge tirades trok hij veel aandacht. Links haatte en verachtte hem, zijn omgeving keek verbaasd toe. Zoon Kees: ‘Hij was in alles extreem.’

Boebie Brugsma was erg overtuigd van zijn kunnen. De journalist liet zich er bijvoorbeeld graag op voorstaan dat hij tal van vreemde talen beheerste. Toen hij begin jaren zestig in dienst wilde treden bij Elseviers Weekblad (zoals dit weekblad vroeger heette), meldde hij tijdens zijn sollicitatiegesprek dan ook trots dat hij vloeiend Frans, Duits en Engels sprak. De hoofdredacteur van het tijdschrift hoorde dit rustig aan, doopte zijn sigaar, een heipaal van een havanna, in een bodempje cognac en gaf met Drentse tongval het advies: ‘Dan moet u ober-kelner word’n.’

Dit was een van de bijzonder geestige opmerkingen waarin Henk Lunshof uitblonk. De honderd jaar geleden in Assen geboren zoon van een huisschilder was een man van aanzien, een hoofdredacteur die graag de baas speelde en een hang naar grandeur en luxe demonstreerde. Maar hij bleef ook altijd een kwajongen. Lunshof hield ervan mensen te ontregelen, paniek te zaaien. Toen hij eens een vervelende persconferentie bijwoonde, liet hij de spreker een briefje bezorgen met de mededeling ‘Mijnheer, uw gulp staat open’, zodat de spreker snel een einde aan zijn betoog maakte. Zijn sarcasme boezemde angst in. Ooit kwam een sollicitant bij een confrontatie met hem nauwelijks uit zijn woorden en mompelde ter verklaring van zijn onbeholpen gedrag: ‘Er doen nogal wat sterke verhalen over u de ronde.’ Waarop Lunshof grijnzend antwoordde: ‘En ze zijn allemaal waar!’

Ondanks zijn grappen en grollen waren er in links Nederland weinig mensen zo gehaat als Hendrik Arie Lunshof. De conservatieve, om niet te zeggen: reactionaire, journalist nam zijn progressieve landgenoten dan ook voortdurend onder vuur. De beschietingen vonden vooral plaats vanuit de Spuistraat in Amsterdam, de plek waar lang het tijdschrift was gevestigd dat Lunshof in 1945 mede oprichtte: Elseviers Weekblad.

Een grootsche onderneming
Volgens zijn eigen herinnering loopt Henk Lunshof al ‘in de smartelijke zomer van 1940’ rond met de gedachte aan een nieuw weekblad, ‘gansch anders dan de tot dusver bestaande’. Hij werkt dan bij De Telegraaf, de Amsterdamse krant waarvan hij in 1933 verslaggever is geworden. Zijn grote belezenheid en kennis van de geschiedenis, die hij graag in uitvoerige betogen etaleert, hadden hem wellicht geschikt gemaakt voor een wetenschappelijke loopbaan, maar verder dan een MO-akte komt hij niet. Lunshof voelt zich ook meer thuis in de journalistiek, waar je ferme opvattingen kunt verkondigen zonder er een hoop voetnoten bij te hoeven leveren.

In Teddy Klautz vindt Lunshof een geestverwant. De directeur van de vooraanstaande, maar financieel allesbehalve florerende, uitgeverij Elsevier voelt wel iets voor het idee om na de oorlog een nieuw weekblad te lanceren. Anders dan de Haagsche Post mag het geen politiek kleurloos orgaan en gezapig blad worden. Het moet, ook al is dat volgens Lunshof in Nederland een hachelijke zaak, een uitgesproken mening durven te bezitten en de dingen bij hun naam durven noemen. Het is, beseft Lunshof, ‘een grootsche onderneming, die aan Klautz werd voorgesteld, en nog wel in het bitterst van de tijden’. De uitgever ziet een hoop obstakels, maar het plan appelleert tegelijkertijd aan zijn ondernemingszin en zijn wens het ongelijk aan te tonen van alle sceptici die geen enkele fiducie hebben in de oprichting van een nieuw weekblad.

Tijdens de oorlog steekt het ambitieuze duo veel tijd en energie in het vinden van redacteuren en geldschieters. De omstandigheden werken niet mee. Klautz ziet zich gedwongen onder te duiken en Lunshof raakt zijn baan kwijt. Als De Telegraaf onder druk van de Duitsers een zeer anti-semitisch artikel afdrukt, neemt hij in mei 1942 ontslag bij de krant. Drie dagen later treedt hij officieel in dienst als directeur van Elsevier. In zijn vrije tijd werkt hij aan een kloeke historische studie over Engeland, een drie delen omvattend boekwerk dat na de oorlog zal verschijnen.

De bevrijding betekent niet dat alle obstakels voor het nieuwe weekblad plotsklaps verdwijnen. Het krijgt vooralsnog geen toestemming te verschijnen, met het maandenlang van overheidswege herhaalde argument dat de papierrantsoenering dat niet toelaat. In de ogen van een boze Lunshof maakt een politieke elite zich op om een staatssocialistisch systeem te vestigen en om, ‘gesteund door kwasie illegaliteit, voormalige collaborateurs, om van de onderwereld nog te zwijgen, Nederland met een roode waas te overdekken’. Dit is, zoals wel vaker bij de spreker, enigszins ongenuanceerd geformuleerd, maar feit is dat de meeste politici, wellicht mede onder invloed van de lobby van vroegere ondergrondse bladen, niet staan te trappelen om een nieuwkomer op de bladenmarkt toe te laten. Lunshof vraagt audiëntie aan bij premier Schermerhorn om zijn beklag te doen over alle tegenwerking. Hoewel hij de PvdA-politicus tot zijn verbazing met ‘Willem’ mag aanspreken, krijgt hij weinig steun. ‘Het kan me niets schelen of kranten in de oorlog goed of niet geweest zijn,’ zegt de minister-president, ‘het gaat er maar om, wat zij nu zijn, of zij mij willen steunen.’

Toch slaagt Klautz er door behendig manoeuvreren in om een toestemming voor verschijning te krijgen, zodat op 27 oktober 1945 het eerste nummer van Elseviers Weekblad aan het Nederlandse volk kan worden gepresenteerd. Het blad slaat meteen enorm aan, wat mede komt door het voorname gezelschap journalisten, schrijvers en tekenaars die de oprichters bij elkaar hebben gekregen. Zij worden wel het gouden knapenkoor genoemd. Als dirigent probeert Henk Lunshof op te treden.

Shakespeare-nar
Ook Michel van der Plas heeft het voorrecht om tot het knapenkoor toe te treden. De jonge katholieke dichter, die tijdens zijn studie op Nijenrode bijdragen heeft geleverd aan het in zijn optiek koninklijk ogende periodiek, stuit op de grillen van de flamboyante Lunshof, die de medewerker herhaaldelijk op staande voet ontslaat. De schrik is vanzelf groot bij Van der Plas, maar de hoofdredacteur is zo’n voorval doorgaans al na een paar uur vergeten.

Lunshof, zo zal Van der Plas zich herinneren, is iemand die graag autoritair optreedt. Hij meent het recht daartoe te ontlenen aan zijn functie, die hij hoog en invloedrijk acht. Maar tegelijkertijd toont de grote roerganger soms heel kinderlijke trekken. Hij is, merkt Van der Plas, bijvoorbeeld gek op practical jokes. Zo merkt de hoofdredacteur dat de door hem geminachte directeur Piet van Eck, die later wegens fraude de laan uit gestuurd zal worden, wel erg veel snoepreisjes naar België maakt. Als hij Van Eck weer eens ziet wegrijden, belt hij de grenspost van Wuustwezel om de douane te waarschuwen dat in de donkergrijze Hotchkiss die over anderhalf uur zal trachten de grens te overschrijden, tal van kostbare diamanten verborgen zitten. De marechaussee neemt de waarschuwing hoogst serieus en dwingt de chauffeur van de auto te stoppen. Vervolgens worden de banden van de auto van Van Eck gehaald en tot kleine reepjes gesneden in een – vanzelf vergeefse – speurtocht naar edelgesteente.

Als hij zelf op stap gaat, verblijft Lunshof altijd in de duurste hotels. Bij zijn aankomst verblijdt hij de portier al direct met een enorme fooi. De liefhebber van champagne en kaviaar eist wel een perfecte dienstverlening. Wanneer hij in het Amstelhotel tot zijn afgrijzen constateert dat op de spijskaart de door hem zo geliefde kievietseieren ontbreken, snelt hij naar de telefoon. Even later komt een jonge bediende van Hotel De l’Europe de hal binnen, met de naam van zijn hotel duidelijk leesbaar op zijn petje, een zilveren dienblad voor zich uit dragend en uitroepend: ‘Kievietseieren voor mijnheer Lunshof!’

Als hoofdredacteur houdt Lunshof vooral de grote lijnen in de gaten. Voor zoiets onbenulligs als het personeelsbeleid toont hij geen enkele belangstelling. Zo ongeveer eenmaal per maand, zo wil het verhaal, gebiedt de hoofdredacteur zijn secretaresse de op zijn bureau opgestapelde post uit het raam te gooien. Zijn medewerkers bekijken de baas met een mengeling van ontzag en verwondering. Redacteur Piet Bakker, die beroemd wordt als schrijver van Ciske de Rat, stelt vast dat hij Lunshof nooit heeft zien schrijven. ‘Kán hij eigenlijk wel schrijven? Alles dicteert hij. Reportages, artikelen, boekbesprekingen, geschiedenisboeken, belastingformulieren. Een rechtbankverslag van vijf kolom uit zijn hoofd. De begrafenis van koningin Emma. “Droef zoefde de tram door de bocht.” … De verloving van prinses Juliana. “Blij tjenkte de tram door de bocht.”’ Bakker meent dat de periode van vóór de Reformatie Lunshof het meest ligt. ‘Had hij toen geleefd, hij zou een wijsgerig prelaat met een exquise wijnkelder en veel ander werelds vertier zijn geworden. Het jaar 1789 is voor Lunshof zo’n beetje het einde der beschaving. Een prachtige Shakespeare-nar is hij, met alle wijsheid en alle fantasie.’

Maar het zou onjuist zijn Lunshof louter als een clown te beschouwen. Hij is zeker een provocateur en een grapjas. Maar hij is tegelijkertijd een uitstekende journalist die weet wat de kracht van Elseviers Weekblad kan en moet zijn. Hij gelooft in de ‘voor elk wat wils’-formule. Hij meent dat het blad van alles moet bieden, van politiek en economie tot cultuur en sport, van zwaarwichtige essays tot verstrooiende rubrieken. En hij beseft dat het blad zich kan onderscheiden door een duidelijk standpunt te verkondigen en de lezer zekerheden te bieden in onzekere tijden. Zelf grossiert Lunshof in krachtige meningen. Zo verkondigt hij vaak raillerend de, niet echt uitvoerig onderbouwde, opvatting dat alle ellende in Nederland is begonnen met de invoering van de Leerplichtwet. Ook weet hij zeker dat de welvaart van Nederland in grote mate afhangt van de rijkdommen van de koloniën. ‘Als we Indië kwijtraken,’ pleegt hij te zeggen, ‘zal er gras groeien tussen de kleine steentjes op de Dam.’ Deze eindeloos geventileerde opinie bezorgt hem grote problemen.

Lastdier
Voor Lunshof is Elseviers Weekblad een soort kindje dat onder zijn leiding als kool groeit. Maar hij kan slechts korte tijd van het vaderschap genieten. Klautz bewondert de brille van zijn vriend, maar krijgt steeds meer twijfels over diens onverzoenlijke opstelling inzake Indië. De directeur van Elsevier weet ook dat de financiële administratie zich vaak een ongeluk schrikt als ze de declaraties van de hoofdredacteur onder ogen krijgt. Hoog tijd dus voor een goed gesprek tussen directie en hoofdredactie, een gesprek dat in 1947 leidt tot het afscheid van de hoofdredacteur.

Na zijn vertrek is Lunshof betrokken bij de oprichting van een krant die snel ter ziele gaat en leidt hij het dagblad De Nederlander, dat nauw gelieerd is aan de Christelijk-Historische Unie (CHU). Financiële problemen en – opnieuw – meningsverschillen over de Indonesische kwestie zorgen al gauw voor een hoop narigheid. In 1949 gaat ook deze krant ten onder, waarna Lunshof opnieuw bij De Telegraaf belandt. Hij houdt het daar niet lang uit. Zijn hart ligt toch bij Elseviers Weekblad, dat hij in 1953 weer gaat versterken. Het is de bedoeling dat hij vooral de Europese politiek volgt. Hij vestigt zich in de Overijsselse gemeente Diepenveen, waar hij een huis koopt omdat hij de naam van de makelaar zo mooi vindt.
 
Maar in 1960 krijgt hij toch weer de leiding in de schoot geworpen. Als hoofdredacteur Wouter de Keizer vanwege belastingschulden de wijk neemt naar Londen, mag hij opnieuw de lakens uitdelen. Het wordt geen succes. Hij maakt met iedereen ruzie en zijn fascinatie voor buitenlandse politiek leidt tot een onevenwichtige inhoud van het blad. Tot ontzetting van de directie komt hij openlijk in conflict met prins Bernhard. Lunshof is ook erg argwanend geworden. Hij denkt voortdurend dat er aan zijn stoelpoten wordt gezaagd en durft daarom nooit op vakantie te gaan. De hoofdredacteur, zegt hij, is ‘een soort tusschen figuur, een zeer geplaagd lastdier, een bumper zowel als een motor’. Alcohol kikkert hem wel op, maar bevordert niet echt de kwaliteit van zijn functioneren. Als de directie hem voorzichtig vraagt iets minder te drinken, luidt het botte antwoord dat daarover niets in de tien geboden staat. Uiteindelijk weet hij toch nog jarenlang het hoofd boven water te houden. Totdat in 1965 de redactie in de bibliotheek van het Elsevier-gebouw wordt bijeengeroepen om uit de mond van de directeur te vernemen dat de hoofdredacteur terugtreedt. De uitgever heeft geen vertrouwen meer in Lunshof. Wel zal hij nog, onder meer als correspondent in Parijs, tot 1974 voor het blad artikelen blijven schrijven waarin hij onomwonden zijn visie op de toestand in de wereld geeft.
 
Een goede journalist moet af en toe voor de rechtbank verschijnen, zo heet het. Het overkomt Lunshof in elk geval enkele malen. Bijvoorbeeld als hij in januari 1947 persgeschiedenis schrijft door verslag uit te brengen van de – zeer geheime – notulen van de onderhandelingen tussen Nederland en de Republik Indonesia die hij een nacht heeft kunnen inzien. Omdat hij zijn bron weigert te onthullen, veroordeelt de rechter de journalist tot 10 gulden boete, subsidiair tien dagen gevangenisstraf.

Een boete krijgt hij ook als hij in een aantal zeer polemische publicaties tekeergaat tegen de mensen die er na de oorlog, in het kader van de perszuivering, in slagen De Telegraaf een verschijningsverbod op te leggen. Zijn felle toon, uitgesproken opvattingen en innige verbondenheid met het behoudende volksdeel maken hem een mikpunt voor progressieven die hem een halve of hele fascist vinden. ‘Portret van een zak’ staat er boven een artikel over hem in het studentenblad Propia Cures, en het literaire tijdschrift Ratio heeft het over ‘Lunshof de rat’. De betrokkene trekt zich er weinig van aan. Hij houdt wel van lekker jennen en roept liever ergernis dan onverschilligheid op. In Elseviers Weekblad blijft hij inhakken op de ‘eeuwig manifesterende manifestanten, handtekeningenverzamelaars, spandoekdragers en brandpuntzeurders’ die geen idee hebben hoe de wereld werkelijk in elkaar zit en zich in hun naïviteit laten misbruiken door Moskou.

In de jaren zeventig wordt Lunshof steeds meer een roepende in de woestijn. Vanuit zijn huis in Frankrijk spreekt hij nog weleens zijn banvloek uit over ‘de van staatswege bevorderde homoseksualiteit’ of over abortus, maar bijna niemand luistert meer. Hij heeft ook steeds minder plezier in het leven, gruwt van de moderne tijd, voelt zich onbegrepen. Wanneer zijn vrouw overlijdt, hoeft het voor hem allemaal niet meer. Kort na het heengaan van zijn spreekwoordelijke steun en toeverlaat overlijdt Hendrik Arie Lunshof op 17 december 1978. Hij is heengegaan zoals hij heeft gewild, schrijft Elseviers Magazine in een necrologie, ‘plotseling en in stilte, zonder officiële begrafenis en zonder ruchtbaarheid’.

Daarna volgt de vergetelheid snel. Bij de naam Lunshof denkt tegenwoordig iedereen aan zijn zoon Kees, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf. Zijn boeken, of ze nu gaan over Michiel de Ruyter, de heilige pastoor van Ars of ridder van Rappard, worden niet meer gelezen, ook al omdat Lunshof, die elk woord dicteerde, een smeuïger spreker dan auteur was. Maar de mensen die hem hebben meegemaakt, zullen zich hem altijd herinneren en anekdotes blijven vertellen. Henk Lunshof was, in de woorden van zijn vroegere collega mr. G.B.J. Hiltermann, nu eenmaal ‘een opvallende verschijning in de journalistiek, met een machtige maar romantisch aangezette pen, mengeling van profeet en komediant, begaafd maar met een neiging tot onverantwoordelijkheid’.


Kader bij artikel:

‘MIJN VADER KON EEN ONMOGELIJKE MAN ZIJN’

Kees Lunshof, adjunct-hoofdredacteur en politiek commentator van De Telegraaf: ‘Mijn vader adviseerde mij vooral niet de journalistiek in te gaan, maar voor de ambtenarij te kiezen. Dat was toen hij op latere leeftijd zijn buik vol had van alle ruzies en al het gedoe. Maar toen ik bij De Telegraaf ging werken, vond hij dat toch wel leuk. Hij was natuurlijk ook een echte journalist.

‘Hij was zeker een leuke en boeiende vader. Ook omdat hij een beetje gek was. Het was iemand die met zijn kleren aan in bad ging zitten. Het was niet iemand die met zijn kinderen naar het voetbal ging, nee. Hij kwam, vermoed ik, ook expres laat thuis zodat hij niet met mijn broer, mijn zus en mij hoefde te eten. Zijn onvoorstelbare grilligheid vormde wel een probleem. Hij kon echt een onmogelijke man zijn. Het ene moment wilde hij per se de baas spelen, het volgende moment gedroeg hij zich als een klein kind.

‘Mijn vader werd inderdaad heel hard aangevallen. Bijvoorbeeld in Zo is het toevallig ook nog eens een keer begin jaren zestig. Dat noemen ze nu een baanbrekend televisieprogramma, maar het was vooral baanbrekend in het schofferen van mensen en het verspreiden van laster. Het deed mijn vader overigens betrekkelijk weinig. Hij kon wel incasseren. Echt last had hij van de fysieke bedreigingen. Ook omdat dat zijn gezin trof.

‘Hij had in 1960 niet opnieuw hoofdredacteur moeten worden. Dat werd een mislukking. Hij kon niet zo goed organiseren, was wantrouwig, dronk ook te veel. Wel bleef hij een neus houden voor talent. Hij stuurde Harry Mulisch bijvoorbeeld naar Israël om het Eichmann-proces te verslaan. Na zijn afscheid van Elsevier was hij nogal verbitterd. Hij vond dat hij was afgedankt en met een mager pensioentje werd afgescheept. De linkse tijdgeest stond hem ook tegen. Hij is toen nog katholiek geworden. Volgens mij met de gedachte: je weet maar nooit.

‘Ik ben zelf heel anders. Mijn vader was een missionaris met een boodschap, ik beschrijf meer. Ik ben gelukkig ook een stuk gematigder. Als mijn vader iets in zijn hoofd had, gingen alle remmen los. Hij was in alles extreem.’

zie ook

Eén reactie

  • Ik heb een paar jar geleden een boek van
    H.A.LUNSHOF gevonden met de text
    IK HEB EEN DOCHTER uit 1941
    er staan ook woorden in oud nederlands .
    het is een harde kaft en in zeer goede staat,
    heeft u meer informatie hierover,
    en wat zou zo'n boek opbrengen ??

    met vriendelijke groet
    duscha coenders