door
Administrator
30 jan 2006
Gerrit Komrij treedt voor de zesde keer op bij Poetry International; gesprek over poëzie, toneel en de Dichter des Vaderlands
Door Thomas van den Bergh
Verschenen in Elsevier op 18 juni 2005
Het is 35 jaar geleden dat Gerrit Komrij (1944) als relatieve nieuwkomer het podium betrad van de allereerste aflevering van dichtersfestival Poetry International. Dit jaar doet de gerenommeerde en gevreesde dichter, criticus, bloemlezer voor de zesde keer mee.
Poetry lijkt twee eigenschappen te combineren die strijdig zijn met poëzie: voordracht en vertalingen. Om met het eerste te beginnen: kan een gedicht optimaal tot zijn recht komen als het wordt voorgedragen?
'Vroeger gebeurde de poëzievoordracht nog in een heel deftige sfeer. De dichter sprak ingehouden, mompelend. Het publiek probeerde daar zo eerbiedig en ernstig mogelijk bij te kijken. Het was de sfeer van declamatie. Poetry heeft een formule ontwikkeld die zorgde voor wat meer spanning op zo’n avond, zonder afbreuk te doen aan de poëzie zelf. Bijvoorbeeld door een vertaling te projecteren achter de spreker. Waar je voorheen rustig vijftien, twintig minuten naar een volkomen onbegrijpelijke Koreaan of Chinees zat te luisteren, krijg je tegenwoordig met behulp van die projecties een soort interactie tussen de gesproken en geschreven taal.’
Blijf je zitten met het probleem van de vertaalbaarheid van poëzie.
'Dat is inderdaad moeilijk. In vertaling blijft er doorgaans weinig over van een gedicht. Ofwel is de vertaler trouw gebleven aan het origineel maar komt er geen poëzie uit, ofwel maakt hij een nieuw gedicht dat weinig overeenkomst vertoont met het brongedicht. Ik geef de voorkeur aan het laatste. Overigens is de lol van Poetry niet in de eerste plaats al die dichters te zien performen. Je hoopt dat er iets boven de taal uitstijgt.’
Vindt u het contact met andere dichters waardevol voor uw eigen schrijverschap?
'Helemaal niet. Ik ben er niet dol op contact te onderhouden met andere dichters. Ik vind het zelfs onnatuurlijk. Je hoort als dichter te denken dat je geheel alleen op de wereld bent. Maar goed, door omstandigheden gedwongen bevind ik mij heel af en toe toch in gezelschap van andere schrijvers en dan probeer je er natuurlijk toch iets van te maken.’
De met champagne overgoten Poetry-nazit in het Hilton Hotel is legendarisch.
'Ja, daar probeer ik me toch verre van te houden. Er zitten heus draaglijke types onder, hoor, maar de meeste dichters zijn natuurlijk enorme etters en ijdeltuiten. Wat dat betreft zijn het net gewone mensen.’
Het thema van dit jaar is 'Poëzie en toneel’. U hebt zelf veel toneel vertaald en ook wel toneel geschreven. Toch zien wij u weinig in de schouwburg. Bent u een toneelliefhebber?
'Het zal nooit boteren tussen het Nederlandse toneel en de literatuur. Dat ligt voor een belangrijk deel aan het gebrek aan belangstelling bij de regie. In Nederland wordt voornamelijk regisseurstoneel gemaakt. Die jongens zijn doodsbenauwd samen te moeten werken met een literair auteur. Terwijl, ik vind: er moet een osmose zijn tussen schrijver en regisseur. Een wederzijdse bevruchting, om zo te zeggen. Nee, ik heb geen enkel goed gevoel over het Nederlandse toneelbestel. Ook als ik niet zo ver weg zou wonen, zou u mij nooit in de schouwburg tegenkomen.’
Vorig jaar bent u vrij abrupt opgehouden als Dichter des Vaderlands. U had er schoon genoeg van. Hebt u de organisatie nog tips gegeven hoe zij het ambt van Dichter des Vaderlands aantrekkelijker kunnen maken?
'Dat had ik graag gedaan als iemand mij ernaar had gevraagd. Toen ik vertrok had ik verwacht dat er eindelijk een serieus debat zou komen over de vraag wat dit instituut kan betekenen. Maar ik heb het nergens gezien.’
Wat kán dit instituut volgens u betekenen?
'Ik kijk met enige jaloezie naar de stadsdichters in België. Die spelen een geloofwaardiger rol dan in Nederland het geval is. Kijk, die functie is natuurlijk gewoon een toneelstukje. Het publiek moet daarin geloven, pas dan werkt het. Maar in Nederland word je geacht het vooral cabaretesk aan te pakken, met veel zelfrelativering, anders zegt men al gauw: wat een uitslover.’
Hoe doet uw opvolger, Driek van Wissen, het tot op heden?
'Ach, die man blijft wel doordichten. Als Dichter des Vaderlands in Nederland moet je oogkleppen op hebben en eelt op je ziel. Je moet met veel poeha overal overheen walsen. Ik ben een veel te gevoelig kasplantje voor dat ambt.’
Wat denkt u van de discussie die door Joost Zwagerman is aangezwengeld, die zei dat een light-verse-poëet geen Dichter des Vaderlands kan zijn?
'Dat zou ik niet willen zeggen. Ik heb zelf altijd veel light verse in mijn bloemlezing opgenomen. Ik beschouw light verse als een aangenaam randverschijnsel in de poëzie. Light verse vormt een tegenwicht tegen de zwaarte van de poëzie. Maar die zware poëzie moet wel de basis vormen. Overigens moeten de light-verse-jongens niet zo zuur doen. Zoals die Ivo de Wijs tekeerging tegen Zwagerman… zo verongelijkt. Het lijkt me dat light-verse-dichters zichzelf bij uitstek moeten kunnen relativeren.'