HJ Schoo

H.J. Schoo

Alles over het leven en werk van H.J. Schoo en de H.J. Schoo-lezing.

VorigeTerug naar dossierVolgende

Nieuws

Algemeen

Het koele oog van H.J. Schoo

door Administrator 14 sep 2007

Hieronder het hoofdstuk over oud-hoofdredacteur van Elsevier H.J. Schoo uit het boek Meer dan een weekblad (Bert Bakker/Prometheus, 2005) dat Elsevier-redacteur Gerry van der List schreef over de geschiedenis van Elsevier.

Hendrik Jan Schoo is een bijzondere man. Hij past op het eerste gezicht nauwelijks bij Elsevier. Een fervente wandelaar die geen auto rijdt, een sober levende vegetariër, een idealist die zichzelf een freischwebende sociaal democraat noemt, een onwaarschijnlijk erudiete homo universalis. Alle redacteuren raken algauw onder de indruk van de nieuwe hoofdredacteur. Hij lijkt alles te weten, heeft over zowat elk onderwerp prikkelende ideeën, komt bijna altijd met nuttige lectuursuggesties.

Maar anders dan Spoor wil de intellectueel Schoo geen blad voor intellectuelen maken. In de beleidsnotitie die hij begin 1991 schrijft, verwijst hij hoffelijk naar de intenties van de hervormingsgezinde heer van NRC Handelsblad. Schoo gelooft in het belang van continuïteit en meent dat je je niet openlijk moet afzetten tegen voorgangers. Maar juist deze overtuiging maakt hem kritisch jegens de forse vernieuwingen die halverwege de jaren tachtig werden doorgevoerd.

Het is in zijn ogen zowel onmogelijk als onwenselijk wat Spoor en Van der Zee probeerden: radicaal breken met het verleden en een geheel ander blad maken. Elsevier is nu eenmaal verbonden met een bepaalde lezersgroep, zeg maar grofweg: de middenklasse, en dient deze te bedienen wil het commercieel succesvol blijven.

En dat commerciële succes is belangrijk voor Schoo, die veel waarde hecht aan de tucht van de markt. Als je winst maakt en groeit, betekent dit dat lezers tevreden zijn en je dus goede prestaties levert. En zo combineert Schoo grote intellectuele capaciteiten met een passie voor het maken van winstgevende bladen, een combinatie die tamelijk zeldzaam is. Zijn vakmanschap gaat gepaard met perfectionisme. De control freak bemoeit zich overal mee, alles moet kloppen. Zijn arendsogen registreren elk foutje. Als een letter een millimeter te veel naar links staat, ziet hij dat onmiddellijk.

Als gesproken wordt over de John Hopkins in plaats van de Johns Hopkins Universiteit, valt hem dat meteen op en beent hij naar de eindredactie om ze daar de les te lezen. Als de art director bezig is met de opmaak, staat Schoo rustig urenlang over de schouders van de arme man mee te loeren om vast te stellen of het wel de goede kant op gaat. Bij de afdeling vormgeving hebben ze een flesje Glassex klaarstaan om na afloop van dergelijke beproevingen de hoofdredactionele vingerafdrukken van het beeldscherm van de computer te verwijderen.

Het is allemaal niet voor niets. Schoo komt, ziet en overwint. Uiteindelijk. Makkelijk gaat het echter zeker niet. Anarchie heeft voor een organisatie grote nadelen, maar de medewerkers genieten vaak wel van een grote vrijheid. Een vrijheid die ze niet zomaar bij een nieuwe sterke man willen inleveren.

Meten is weten
Schoo verwerft zijn gezag vooral door lange gesprekken te voeren, waarin hij zijn kennis van zaken en verbale capaciteiten etaleert en zijn visie uitdraagt. Hij is gewend met freelancers te werken en merkt dat vaste redacteuren minder gezeglijk zijn. Soms schrikt hij van de arbeidsmoraal. Zo praat hij met de chef economie Bob Bosschert, een laconieke figuur die zichzelf pleegt te omschrijven als `de man bij het raam'.

Tegenover de hoofdredacteur probeert hij zich niet beter voor te doen dan hij is. Op diens vraag wat hij zoal de hele dag uitvoert, antwoordt hij: `Ik zit bij het raam.' Dat is in de ogen van Schoo niet voldoende voor een maandelijks salaris en Bosschert verdwijnt van het toneel. Om tot betere arbeidsprestaties te prikkelen voert de hoofdredacteur medio jaren negentig een productienorm in: redacteuren moeten elk jaar driehonderd kolommen voor hun rekening nemen. Er is enig redactioneel gemor over deze maatregel die voorbijgaat aan verschil in kwaliteit van de gevulde kolommen. Maar Schoo houdt van kwantificering. Meten is weten, is zijn motto.

Met zijn adjuncten is Schoo weinig gelukkig. Met behulp van de directie weet hij zich van Van den Bossche te ontdoen, maar met Peter Brusse blijft hij opgescheept zitten. Het botert allerminst tussen beide heren. Brusse staat bekend als de beminnelijke gentleman die zo mooi over Winston Churchill, koningin Elizabeth en andere Britse fenomenen kan vertellen en schrijven. Maar de Elsevier redacteuren zijn niet erg over hem te spreken. Zij ergeren zich aan zijn gedraai en vinden hem een intrigant.

Schoo laat duidelijk merken dat hij het allesbehalve een ramp zou vinden als de adjunct eens naar een andere werkkring zou uitkijken, maar Brusse houdt vol. Ook al voelt hij zich vaak geschoffeerd en vernederd en krijgt hij geregeld de wind van voren wanneer een reportage niet aan de verwachtingen van zijn kwelgeest voldoet. Een oplossing wordt bedacht om de conflicten te beperken: Brusse wordt senior editor in plaats van adjunct hoofdredacteur en legt zich vooral toe op het schrijven van de wekelijkse rubriek 'Hoek van Holland', twee pagina's met impressies uit alle delen van Nederland. Dit zal hij doen totdat hij in 1997 vervroegd uittreedt.

 Spoor had het liefst de hele redactie van Elsevier willen ontslaan om vervolgens allemaal medewerkers van NRC Handelsblad aan te trekken. Schoo denkt anders. Hij hecht aan continuïteit en ziet in dat een redactie niet louter uit prima donna's kan bestaan. Een voetbalelftal met alleen maar sterren wordt zelden kampioen. Hij handelt ook diplomatieker dan Sytze van der Zee. Aan redacteuren in wie hij weinig fiducie heeft, vertelt hij dat ze misschien iets anders zouden kunnen gaan doen. Ger Mok bijvoorbeeld stapt op. De veteraan is steeds geïsoleerder komen te staan en toont weinig arbeidsvreugde meer.

Hij beleeft meer plezier aan zijn column in het NIW en aan zijn gouverneurschap van de Rotary. Als Rik Kuethe in een van zijn artikelen de zinsnede in 'de door Israël geadministreerde gebieden' verandert in `de door Israel bezette gebieden' en daarbij de steun krijgt van de hoofdredactie, is Mok zo boos dat hij maandenlang thuis blijft. In 1995 stopt hij ermee. Hij krijgt drie jaar vol salaris mee en gaat daarna de VUT in.

 Tegen Nic van Rossum kijkt Schoo met gemengde gevoelens aan. Heel enthousiast is hij aanvankelijk niet over de commentator. Wanneer de hoofdredacteur voor de radio laat doorschemeren dat het hier gaat om een deel van de inboedel dat hij wel zou kunnen missen, laat Van Rossum zijn advocaat direct een brief schrijven. De raadsman kan verwijzen naar een ijzersterk contract waarin zelfs afspraken zijn gemaakt over de vermelding in het colofon.

 Maar geleidelijk groeit de wederzijdse waardering. Van Rossum onderscheidt zich als een goede onderzoeksjournalist die de lezers veel cijfers en feiten verschaft. Hierdoor wil hij zich naar eigen zeggen onderscheiden van `het semi literaire gebabbel dat louter entertainment is'. De autodidact, die niet naar het gymnasium kon omdat zijn ouders de trein van zijn geboorteplaats Bodegraven naar Leiden niet konden betalen, is in staat moeilijke dingen helder uit te leggen en beschikt over een grote vasthoudendheid. Tussen 1993 en 2001, het jaar van zijn pensioen, schrijft hij bijvoorbeeld 23 columns over de Betuwelijn.

'Betuwepijn' luidt de kop boven zijn allereerste aanval op het speeltje van diverse ministers van Verkeer en Waterstaat. Andere columns hebben pakkende koppen als `Boorbedrog' en `Kalkar de Tweede' en `Stop die trein!' Van Rossum klaagt over rammelende rapporten van pseudo wetenschappers, leugens van politici en de lobby van de Nederlandse Spoorwegen, de Rotterdamse haven, bouwbedrijven en Nederland Distributieland. Hij heeft snel door dat de spoorlijn voor goederenvervoer die Rotterdam met Duitsland moet verbinden, nooit rendabel zal worden en voorspelt al in 1995 een parlementaire enquête.

 Schoo, een man van de feiten, waardeert deze bijdragen, maar niet de toon van Van Rossum, die nogal eens op de man, en nog vaker op de vrouw speelt. Ruud Lubbers is bij hem `een roomse gluiperd' en Hans van Mierlo `een afgebrande, rancuneuze, ouwe zak, die niet tegen zijn verlies kan'. Vrouwelijke bewindslieden kunnen bij Van Rossum haast helemaal geen goed doen.

De hoofdredacteur probeert de commentator ertoe te bewegen zijn aanvallen een minder persoonlijk karakter te geven. Tevens verbiedt hij hem nog langer de columns te schrijven die TROS coryfee Wim Bosboom voor de televisie uitspreekt. Pierre Huyskens neemt de rol van tekstschrijver over. Althans pro forma. Want in werkelijkheid blijft Van Rossum stiekem de gepeperde meningen van Bosboom formuleren en laat hij het honorarium overmaken op de rekening van zijn vrouw.

Vernieuwing
Schoo trekt de teugels aan. Het invoeren van de 300 kolomsnorm en het eisen van transparantie bij nevenactiviteiten ten einde het schnabbelen tegen te gaan zijn voor hem middelen om de anarchie te bestrijden. Hij zorgt er ook voor dat het productieproces planmatiger en efficiënter verloopt. Lang was het de gewoonte dat redacteuren op maandag en dinsdag, vlak voordat het blad naar de drukker moest, hun artikelen inleverden. Maar onder het nieuwe bewind wordt de levering van kopij over de hele week gespreid. Chef van de eindredactie Jaap Froentjes ontwerpt ingenieuze schema's met een overzicht van de gewenste inleverdata. In een `modellenboek' komt voor elke rubriek precies de vereiste vorm en lengte te staan. De redactie zucht onder het regime. Maar het werkt wel.

Het beeldbeleid onder Schoo is helder, zakelijk. Allesbehalve arty. De vormgeving moet vooral functioneel zijn, niet mooi om de mooiigheid. Van tevoren wordt het blad helemaal uitgeschetst. Voorop staat het belang van informatie. Elke centimeter wordt benut. Witte plekken, die in de tijd van Spoor als rustpunten dienst deden, zijn er haast niet meer.

Er staan relatief veel portretten in het blad, de zogenaamde headshots. De stijl van de portretten is haast neutraal. Nauwkeurig, realistisch, afstandelijk en doorgaans zonder storende omgeving of achtergrond.

Een van de inhoudelijke vernieuwingen die Schoo doorvoert, is de oprichting van een reportageredactie. Deze moet nadenken over de mogelijkheden om de, als te star ervaren, coververhalen te verlevendigen. Het doel is dat die reportages niet één lang verhaal worden dat de lezer van begin tot eind moet doorworstelen, maar uiteenvalt in delen die apart gelezen kunnen worden. Binnen één thema zijn er diverse invalshoeken waarlangs gezapt kan worden. De lezer kan de informatie in brokken tot zich nemen en hoeft zich niet schuldig te voelen als hij niet alles leest.

Drijvende kracht achter de reportageredactie is Arthur van Leeuwen, een voormalige docent van de Utrechtse School voor de Journalistiek die onder Van den Bossche is begonnen op de eindredactie. Voorbeeld van een door hem begeleide reportage nieuwe stijl is het omslagartikel `Geen klasse, geen succes', over de restauratie van het sociaal onderscheid. Goede opleiding en ambitie zijn niet meer genoeg voor een voorspoedige loopbaan, zo is de stelling van het betoog. Nu de strijd om de maatschappelijke posities is verhard, moet de sollicitant over iets extra's beschikken. De winnaars krijgen het van huis uit mee: zelfbeheersing, smaak, stijl en presentatie.

Organisatorisch is de reportageredactie geen groot succes. Ze heeft geen vaste pagina's tot haar beschikking en moet zich steeds een positie veroveren. Omdat het groepje alleen maar omslagverhalen produceert, kijken collega's er met scheve ogen naar. Maar inhoudelijk is zijn invloed tamelijk groot omdat het nadenkt over de vorm waarin informatie kan worden gepresenteerd. Van Leeuwen ontwikkelt, in samenspraak met Schoo, genres die kenmerkend zullen worden voor Elsevier. Zoals the news you can use, handige en nuttige informatie voor de consument. En de `popsoc', de populaire sociologie. Van Leeuwen zelf bijvoorbeeld schrijft over de `Hollandse leugen van de klassenmaatschappij'. In het land van de gelijkheid blijken nog volop rangen en standen te bestaan. Zo komt in de steden een onderklasse op en woedt in de middenklasse een stille strijd om de beste plaatsen.

Hugo Camps maakt ook deel uit van het reportageteam, maar komt in die hoedanigheid niet tot grootse prestaties. Schoo heeft de indruk dat de Vlaamse redacteur, die in Antwerpen blijft wonen en zo nu en dan in zijn lease auto naar Amsterdam tuft, minder goed uit de verf komt dan de bedoeling is. Camps krijgt daarom een vaste klus toebedeeld: elke week mag hij drie pagina's in de binnenlandrubriek vullen met een interview. Dit vraaggesprek zal een karakteristiek element worden van Elsevier.

Over de gewenste aanpak lopen de meningen aanvankelijk wel uiteen. De hoofdredacteur ziet graag diepgravende gesprekken met intellectuelen die iets te melden hebben, de interviewer zelf heeft een zwak voor wat hij `mensen van lichte zeden' noemt en ontmoet minstens zo graag een wielrenner of een soapsterretje als een hoogleraar wijsbegeerte. Hij streeft in ieder geval naar een prettig gesprek dat een rustpunt vormt tussen de actualiteiten. Het harde interview werkt meestal contraproductief, zo zal hij uitleggen in de inleiding tot de bundel interviews In de ogen: `Samen een muziekje worden, daar gaat het om.'

De toon van de interviews verschilt sterk van de columns die Camps van de hoofdredactie aan NRC Handelsblad mag leveren. Daar schrijft hij naar eigen zeggen om te doden. In zijn interviews probeert hij een dienaar van het woord te zijn en de geïnterviewde te helpen met het formuleren van zijn gedachten. Daardoor kan het gebeuren dat een voetballer die de televisiekijkers kennen als een onnozele hakkelaar, in Elsevier ineens de ene na de andere barokke volzin produceert.

Ook de observaties van Camps getuigen van een liefde voor fraaie formuleringen. Over Ronald Koeman bijvoorbeeld schrijft hij: 'Met de glimlach van een hoofse jongeling zit hij daar. Seigneurachtig. En toch; een voetbalkoning zonder maskers, het voetvolk zeer nabij, de appelwangen geurend van alledaagsheid.' En over een andere topvoetballer, Jan Wouters: 'De gave van gebed, droom en Sehnsucht is als een gesloten tulp op de bodem van de ziel blijven liggen. Zoals hij daar nu zit en kijkt, in een welhaast gebakken roerloosheid, is geen twijfel mogelijk: fladderen is voor vleermuizen, niet voor de mens.' In zijn gesprekken toont Camps een grote belangstelling voor het menselijke tekort, hij is vooral geïnteresseerd in de 'hinkende mens'. Op de redactie luidt zijn bijnaam `chef verdriet'.

Meer typerend voor het Elsevier van Schoo dan beeldend opgeschreven interviews met hinkende mensen is de servicegerichte informatie. Het blad wil de lezer helpen keuzen te maken. Daarom geeft het bijvoorbeeld Lagendijk Onderzoek de opdracht een ranglijst samen te stellen van de beste ziekenhuizen, op basis van uitspraken van medici, de enige betrokkenen die een kwaliteitsoordeel kunnen geven. Vergelijkende informatie, zo is de achterliggende gedachte, maakt ziekenhuizen meer verantwoordelijk en patiënten minder onwetend. Er zijn meer van dit soort grootse producties waarvoor veel pagina's worden uitgetrokken: de beste gemeenten, de beste studierichtingen, de beste banen. De onderzoeken komen elk jaar terug. Je moet je successen herhalen, meent Schoo.

Helden en schurken
In de visie van Schoo is het `maken van nieuws', zoals een journalistieke liefhebberij heet, niet zo heel belangrijk voor Elsevier. Uiteraard moeten de actualiteiten goed gevolgd worden, het blad dient de polsslag van de week te voelen. Maar het jagen achter nieuwtjes en primeurs is toch vooral het terrein van radio en televisie geworden. Elsevier moet zich volgens Schoo eveneens onderscheiden van de dagbladen die een gigantische en vaak chaotische informatiestroom over de lezer uitstorten. Het gaat erom uit de nieuwskluwen de van belang zijnde onderwerpen te kiezen, deze uit te diepen, in perspectief te plaatsen en in een overzichtelijk geheel te plaatsen.

Een van de onderwerpen waarmee Elsevier zich in de loop van de jaren negentig sterk zal profileren, is de immigratie. Schoo windt zich op over de toelating in Nederland van grote aantallen mensen wie slechts een gesubsidieerd bestaan in de marge van de samenleving wacht. Hij keert zich tegen de verzorgingskaste die een ieder die een verband legt tussen immigratie en moeizame integratie, voor racist uitmaakt. Linkse regenten hebben in zijn ogen het rijk alleen. Zij denken het monopolie op fatsoen te hebben, voelen zich scherprechter van goed en fout. En ze zijn vergeten dat links vroeger een restrictieve bevolkingspolitiek voorstond. Elsevier besteedt veel aandacht aan de mensen en organisaties die ideologisch of financieel belang bij de immigratie hebben. Veelal zijn dat progressieve groeperingen en kerkelijke instanties die de multiculturele samenleving bejubelen, en allerlei zaakwaarnemers, zoals advocaten van de asielzoekers en de immigratiedienst.
Van Hans Janmaat, die als leider van de Centrum Democraten stelling neemt tegen de massale immigratie en beweert dat Nederland vol is voordat Schoo dat aandurft, moet Elsevier overigens weinig hebben. Al in de jaren tachtig heeft Alice Oppenheim een interview met hem, waarin ze omstandig uitlegt dat Janmaat te luidruchtig en te weinig subtiel is om een echt gevaarlijke politicus te zijn. Hij balanceert volgens haar op de rand van het menselijke fatsoen.

Schoo vindt wel dat je Janmaat als een normale politicus moet benaderen, mede omdat je zijn kiezers serieus moet nemen: doorsnee landgenoten. Deze staan ook centraal in De Nederlanders, een jubileumuitgave van Elsevier met feiten, cijfers en honderd portretten van fotograaf Paul Huf. En in 1998 zal het blad een omslagverhaal wijden aan de `gewone' Nederlander. Dit menstype is de enige minderheid zonder eigen zendtijd op televisie, zo wordt opgemerkt. De nieuwe linksige middenklasse die in Nederland de baas is, weigert naar hem te luisteren en er bestaan geen echte volkspartijen meer die het opnemen voor zijn belangen.

Als Jan Hoedeman en Arendo Joustra in januari 1994 een interview hebben met Janmaat, pakken ze hem echter wel tamelijk hard aan met opmerkingen als: `Suggereren is uw specialiteit. Nooit recht door zee.' Ze laten de tekst van het vraaggesprek niet voor publicatie lezen, waardoor een relletje ontstaat. Janmaat ontkent bepaalde uitlatingen. Zoals zijn omstreden uitspraak dat Ernst Hirsch Ballin dient af te treden als minister van Justitie. De vader van de CDA'er komt namelijk uit Duitsland en de Centrum Democraten vinden dat buitenlanders pas overheidsfuncties mogen vervullen als ze drie generaties in Nederland wonen. Elsevier probeert de twijfels weg te nemen door de `Janmaat tapes' te publiceren. De transcriptie van het interview zoals dat is opgenomen op band, laat zien dat Janmaat inderdaad politiek heel incorrecte opinies heeft verkondigd, maar daarbij wel een handje is geholpen door het interviewende duo.

Terwijl Elsevier Janmaat als een schurk afschildert, lijkt het Frits Bolkestein als een held te zien. Het blad geeft de leider van de VVD veel aandacht en ruimte en constateert tevreden dat hij heikele thema's, zoals de problemen van de multi etnische samenleving, aan de orde stelt. Ook al wordt wel eens geconstateerd dat de spraakmakende politicus in woord en geschrift in Den Haag heerst, maar op beslissende momenten in het debat niet doorbijt in de Tweede Kamer.

De kabinetten, met of zonder VVD, volgt Elsevier kritisch. Voor de coalitie van CDA en PvdA, die van 1989 tot 1994 het land probeert te regeren, kan het weinig waardering opbrengen. De ploeg van Lubbers en Kok is een `slakkenkabinet' dat passieloos achter de feiten aanhobbelt en zich laat leiden door de achterban. De kiezers moeten volgens Elsevier begrijpelijkerwijs niets hebben van een regering die in vierenhalf jaar tijd geen greep krijgt op de problemen en een lege erfenis achterlaat. De enige passie van het kabinet is overleven.
Om te laten zien hoe het wel moet, presenteert Elsevier in maart 1993 een eigen verkiezingsprogramma met als kop `Nieuwe welvaart door een sterke overheid'. De tijd is rijp voor een aanvallend beleid en een nieuw elan, zegt het omslagartikel. Het bevat tal van voorstellen op allerlei terreinen, zoals invoering van een individueel basisinkomen, opheffing van de marine, lucht  en landmacht ten behoeve van een gespecialiseerde krijgsmacht, afschaffing van de aftrekbaarheid van de hypotheekrente en de introductie van een gekozen minister president. Het is natuurlijk altijd eenvoudig om met een helder programma te komen als je geen democratische organisatie bent. Bij het kritiseren van de fiscale aftrekbaarheid van de hypotheekrente, dat een stokpaardje zal worden van het blad, kan het een stuk makkelijker de wensen van huizenbezitters negeren dan een politieke partij.

Minder dan bij andere bladen maakt het verdwijnen van het CDA uit de regering bij Elsevier enthousiasme los. Het tijdschrift wijst vooral op de problemen die de paarse kabinetten niet of niet genoeg aanpakken. Zoals de grote inactiviteit van de Nederlandse bevolking, waarvan bijna twee miljoen mensen werkloos thuis zitten. Veel te actief daarentegen is in de ogen van Elsevier koningin Beatrix. Opmerkelijk kritisch wordt geschreven over de vorstin als bemoeial die steeds meer ruimte opeist om politieke invloed uit te oefenen. Politici bieden te weinig weerwerk aan dit `Beatrixisme'. In het bijzonder redacteur Remco Meijer, die een boek schrijft over de monarchie onder Beatrix, krijgt alle gelegenheid om de woorden en daden van het koningshuis te belichten. Elsevier richt zich vooral op de staatsrechtelijke aspecten, wat niet wegneemt dat de lezer ook wordt verteld welke films prinses Máxima bij de videotheek huurt.

Grote continuïteit toont Elsevier in het op de korrel nemen van de ontwikkelingssamenwerking. Het nut van de hulp is volgens het blad nog steeds niet aangetoond. Sterker nog: de bijstand werkt vaak dodelijk. Zonder steun van het rijke Westen en zonder protectionistische praktijken zouden arme landen eerder vooruitgang kunnen boeken.

Nieuw daarentegen is de kritiek op de verrijking van de top van het Nederlandse bedrijfsleven. Vanuit de Angelsaksische bedrijfscultuur is het verlangen naar optieregelingen overgewaaid die de sleutel vormen tot persoonlijke rijkdommen. Elsevier, en met name economieredacteur Hans Crooijmans, hekelt in felle bewoordingen de graaicultuur bij grote ondernemingen. Het eigen bedrijf wordt daarbij niet gespaard, tot ergernis van leden van de Raad van Bestuur die het niet prettig vinden om als zakkenvullers te kijk te worden gezet. Maar het blad blijft de kritiek herhalen indachtig de filosofie van de hoofdredactie dat je een waardevolle boodschap niet vaak genoeg kunt verkondigen: frappez toujours.

Gedoogzone
Voor Schoo zijn binnenland en economie verreweg de belangrijkste rubrieken. Elsevier onderscheidt zich nog wel van andere opiniebladen door relatief veel aandacht voor het buitenland, maar de tijd van de grote reportage is voorbij. Een tijdschrift kan nu eenmaal moeilijk concurreren met televisiezenders die hele teams van verslaggevers en cameramensen naar rampgebieden zenden om nieuws te vergaren.

Voor Schoo is het vooral een kwestie van het duiden en analyseren van dit nieuws. Werk dat achter het bureau kan worden gedaan. Toch zal Elsevier wel bijvoorbeeld de oorlog in het uiteenvallende Joegoslavië ter plekke proberen te coveren. Buitenlandredacteur Caroline de Gruyter mag voor haar verhalen vanaf deze locatie in 1992 zelfs het Gouden Pennetje in ontvangst nemen, een beloning voor journalistiek talent.

In het conflict in het voormalige Joegoslavië toont Elsevier zich overigens minder anti Servisch dan andere media. Bij een aanval op Servische doelen wordt bijvoorbeeld een keer over de `heilige oorlog van links' gesproken. Helemaal afwijkend is het blad in de berichtgeving over Jörg Haider. De leider van de rechts nationalistische FPÖ geldt voor de meeste Nederlandse journalisten als een reïncarnatie van Adolf Hitler, maar Elsevier ziet in zijn beweging vooral een frisse wind die de macht van de conservatieve gevestigde orde in Oostenrijk kan breken.

Voor verslagen uit verre oorden weigert Schoo een hoop geld uit te trekken. Waar hij wel veel waarde aan hecht, is een uitgebreide verslaggeving over de ontwikkelingen in de Europese Unie. Deze past bij zijn visie op de zogeheten verplaatsing van de politiek. Steeds meer macht lekt weg vanuit Den Haag. Naar rechters bijvoorbeeld, en naar zelfstandige bestuursorganen. Maar zeker ook naar Brussel. Daar worden steeds meer beslissingen genomen die de Nederlander direct raken.

Arendo Joustra mag daarom naar Brussel verhuizen. Als correspondent zal hij in kaart brengen hoe de Europese organen werken en hoe Nederland zijn belangen probeert te verdedigen. Het is ook duidelijk een proefperiode voor de redacteur van wie Schoo hoge verwachtingen heeft.

Cultuur scoort laag bij Schoo, althans in zijn hoedanigheid als hoofdredacteur van Elsevier. Dit onderwerp is, in het jargon van de bladenmaker, geen USP, geen unique selling point. `Laat het schrijven over filmsterretjes maar over aan Rinus Ferdinandusse,' zegt Schoo minachtend, verwijzend naar de gewoonte van de hoofdredacteur van Vrij Nederland om boeken over de held(inn)en van het witte doek over te schrijven.

Als hij in 1999 afscheid neemt, zal Tonny van Winssen, die jarenlang literaire recensies schrijft, in de krant die de redactie de vertrekkende hoofdredacteur aanbiedt, wijzen op de deerniswekkende positie van de cultuurredacteur: `De kunstpagina's hebben bij Elsevier vaak de allure van een gedoogzone: eigenlijk zijn deze onderwerpen onze aandacht niet waard, maar ja, er schijnt toch belangstelling voor te bestaan.'

Jan Paul Bresser, de plooibare chef cultuur, is er niet het type naar om verzet aan te tekenen, maar de honkvaste kunstliefhebber Wim Zaal laat zijn ongenoegen wel merken. Op alles wordt beknibbeld, merkt hij. Er is geen ruimte en geld meer om aan onderwerpen als ballet en opera aandacht te besteden. Als hij in de stad Harry Mulisch tegen het lijf loopt en een kopje koffie drinkt, mag hij dat niet meer declareren. En het jaarlijkse bezoek aan de Frankfurter Buchmesse wordt door de hoofdredacteur als een overbodige luxe beschouwd. Zaal voelt zich steeds meer opgesloten op de redactie en grijpt dankbaar de mogelijkheid aan om vervroegd met pensioen te gaan. Na 36 jaar stapt hij op.

Schoo is ook verantwoordelijk voor de beëindiging van de relatie van Elsevier met W.F. Hermans. Hermans schrijft veel voor het blad, ook al slaat hij wel eens een voorstel af. Zo wil hij geen stuk over literaire polemieken schrijven: 'Het is te veel gevraagd als men van een acrobaat verlangt ook nog de geschiedenis van het circus te boek te stellen.'

Met steun van Wim Zaal weet hij het tot een honorarium van 800 gulden per getikt velletje te brengen, zeker het hoogste wat bij Elsevier betaald wordt. Toch klaagt Hermans dat hij als een orgeldraaier met zijn pet moet rondgaan om in leven te blijven. Na het mislukken van een poging tot verhoging van zijn honorarium neemt hij zijn toevlucht tot een list door na een regel of drie telkens een nieuwe alinea te beginnen, wat algauw zo'n honderd gulden op een kantje scheelt.

Schoo ziet het met grote ergernis aan. Hij vindt de schrijver onbetamelijk duur en onberekenbaar. Bestelde stukken komen niet, onbestelde stukken komen wel, in willekeurige lengtes. Van Zaal, die ook wel inziet dat de kwaliteit van de bijdragen in de loop der jaren sterk is achteruitgegaan, krijgt Hermans uiteindelijk te horen dat zijn medewerking niet langer op prijs wordt gesteld. De laatste tekst die hij naar Elsevier stuurt, is een boze brief aan Schoo, die het verwijt krijgt niet zelf het beulswerk te hebben willen verrichten.

Strategische heroriëntatie
Terwijl Schoo orde op zaken stelt, is het bedrijf met een flinke koerswijziging bezig. Bij de `strategische heroriëntatie' van het concern past de verkoop in 1995 van de dochter Dagbladunie aan uitgeversconcern PCM voor 865 miljoen gulden. Elsevier, dat in 1993 is gefuseerd met het Engelse Reed, wil zich concentreren op de activiteiten waarbij de kansen voor een groei van de winst per aandeel het grootst zijn en kiest voor de sector waarin het uitblinkt, het uitgeven van wetenschappelijke, professionele en zakelijke tijdschriften, de exploitatie van databanken en het organiseren van exposities en evenementen.

Bonaventura sluit zich bij die heroriëntatie aan. De dochteronderneming verkoopt zijn publieksbladen Oor, Man, Autovisie, Elegance, Residence en Hitkrant aan uitgever De Telegraaf en richt zich op zakelijke, met name financiële, bladen, zoals FEM, Beleggers Belangen en Money. In 1997 gaat Bonaventura samen met een andere dochteronderneming van Elsevier, Misset. Het bedrijf uit Doetinchem is sinds jaar en dag actief in de zakelijke informatie en geeft vakbladen uit als Misset Horeca, De Boerderij, het Agrarisch Dagblad en Distrofood. De combinatie van beide bedrijven gaat Elsevier Bedrijfsinformatie heten.

Over de positie van het weekblad Elsevier wordt nog flink gediscussieerd. Eigenlijk past het niet bij de nieuwe formule. Sommige leden van de Raad van Bestuur zouden het wel willen verkopen, bijvoorbeeld aan De Telegraaf, die belangstelling toont. Maar bestuurslid Paul Vlek maakt aannemelijk dat Elsevier niet zozeer een publiekstijdschrift is als wel een special interest blad dat goed past bij de gerichtheid van het bedrijf op de professionele en zakelijke markt. Hij wint de strijd. In het Algemeen Dagblad geeft hij toe dat het behoud van het blad niet louter op zakelijke inzichten is gebaseerd.

'We hebben de lijn bij Elsevier getrokken, de emotie heeft het daar gewonnen. Ach, grenzen creëer je ook om ze te overwinnen.' Derk Haank, die de directeur wordt van Elsevier Bedrijfsinformatie, verzekert vlak voor de samensmelting van Misset en Bonaventura in een interview met De Gelderlander nog eens dat de uitgeverij Elsevier zal blijven uitgeven. `Het is een historisch goed dat wij koesteren en het blad houdt een zeer prominent merk in de lucht.'

Dit in de lucht houden van een A merk gebeurt vanaf 1996 op een andere plek. Als het contract met Centerpoint in de Bijlmer afloopt, laat Elsevier een groot kantorengebouw bij het Amsterdamse station Sloterdijk bouwen. Maar als het nieuwe gebouw, dat de vorm heeft van een boek, met winst kan worden overgedaan, gebeurt dit. Bonaventura verhuist nu naar een sober, somber, Oostblok achtig gebouw aan de Van de Sande Bakhuyzenstraat. De locatie, midden in de migrantenwijk Slotervaart/Overtoomse Veld, draagt er in ieder geval toe bij dat de redacteuren de integratieproblemen van allochtonen van nabij kunnen volgen.

Organisch intellect
De zuinigheid van Schoo neemt extreme vormen aan. Met zijn eigen geld is hij royaal, maar hij let buitengewoon goed op de penningen van zijn blad. Als hij de indruk heeft dat er één cent te veel is besteed, gaat het declaratieformulier terug naar de redacteur. Wanneer Bert Bommels op reportage in Suriname zijn ernstig zieke moeder zo nu en dan belt, krijgt hij de telefoonkosten aanvankelijk niet vergoed van de hoofdredacteur, die zulke gesprekken als privé besognes beschouwt. En de gehele redactie is verbijsterd als bij een kerstborrel in een vrij armzalig oord om een uur of halfnegen wordt meegedeeld dat de consumpties vanaf dit tijdstip voor eigen rekening zijn omdat het budget op is.

Een andere klacht is dat Schoo te veel stuurt, te veel opdringt. Hij is ervan overtuigd dat je een visie moet hebben om een verschijnsel goed te kunnen belichten. Redacteuren zijn vaak enthousiast over zijn ideeën. Hij zet ze aan het denken, dwingt ze anders tegen zaken aan te kijken. Maar een enkeling heeft het gevoel dat Schoo het verhaal eigenlijk al in zijn hoofd heeft en het alleen nog maar door een copywriter hoeft te worden neergepend.

Als een verslaggever met andere observaties en constateringen van een reportage terugkeert dan Schoo achter zijn bureau had bedacht, leidt dit nogal eens tot fricties. Berucht op de redactie wordt de term `kantelen'. Als de hoofdredacteur opmerkt dat een artikel enigszins `gekanteld' zou moeten worden, betekent dit meestal dat het geheel in overeenstemming met zijn wensen herschreven moet worden. Zo moet een omslagverhaal over de `jongensmannen' -  mannen van middelbare leeftijd die zich onvolwassen gedragen, verantwoordelijkheden ontlopen en geen gezag uitoefenen -  dermate vaak en grondig worden aangepast dat ze zich op de redactie afvragen waarom de hoofdredacteur het zelf niet schrijft.

De onvrede zal het helderst worden geformuleerd door Annegreet van Bergen. Zij is als coördinator op de economieredactie aanvankelijk een vertrouweling en bondgenoot van Schoo. Zij ziet met waardering hoe de teugels strakker worden aangetrokken. Maar het wordt haar allemaal te veel. Van Bergen raakt overspannen en vertelt later in haar boek De lessen van burn out hoe de arbeidsomstandigheden daartoe hebben bijgedragen. De werkdruk op de redactie wordt volgens haar sluipenderwijs opgevoerd, onder andere door het schrappen van een aantal vrije dagen, en het lijkt de norm dag en nacht te werken. Van Bergen heeft het gevoel in een omgeving te verkeren waar werk niet als broodwinning, maar als levensvervulling wordt beschouwd. In de loop van De lessen van burn out verandert Schoo van een inspirerende wonderdoener in een haast onmenselijke slavendrijver, die zowat het onmogelijke vergt van zijn medewerkers.

De collega's van Van Bergen krijgen geen burn out. Haar psychische en lichamelijke problemen zullen dan ook ongetwijfeld met haar eigen instelling, capaciteiten en eigenaardigheden te maken hebben. Maar haar klachten komen de meeste redacteuren niet geheel onzinnig voor. De hoofdredacteur is inderdaad een veeleisende workaholic.

Hij zit 's avonds tot laat op de redactie en vindt het maar onhandig dat redacteuren rond etenstijd liever naar huis gaan om daar voor de kinderen te zorgen in plaats van met hem van gedachten te wisselen over vorm en inhoud van het nieuwe nummer. Veel redacteuren zijn ook, een beetje of vrij erg, bang voor hem.

Schoo omschrijft zichzelf als 'een moeilijke mijnheer met een soms heftig gemoed'. Hij kan ontzettend boos worden, wel eens over de kleinste zaken. Redacteuren zien de driftbuien al aankomen als ze de nek van de hoofdredacteur rood zien worden. Bij die signalen van naderend onweer is de verleiding groot hard weg te lopen om een schuilplaats te zoeken.

Ondanks zulke bezwaren beseft iedereen dat Schoo in een paar jaar tijd bijzonder veel heeft bereikt en een aan verval onderhevig blad als het ware opnieuw heeft uitgevonden. In het redactieplan van 1997 mag hij dan ook met een zekere tevredenheid terugkijken op de geleverde prestaties. De redactie is lean en mean geworden, constateert de hoofdredacteur.

De productiviteit is gestegen, de redactie  en productiekosten zijn gedaald en het aantal redactionele pagina's is gedaald van 80 naar 73. Ondanks problemen op de advertentiemarkt stegen de opbrengsten door prijsverhogingen, een toenemende losse verkoop en een groeiend abonneebestand.

Elsevier, zegt Schoo, kenmerkt zich door feitelijkheid en nuchterheid. Het is een rationeel, koel medium, geen warme puppy of een zeer intieme, gezellige huisvriend. De reclameleus luidt niet voor niets sinds 1993: `Het koele oog van Elsevier'. Kenmerkend is verder dat het blad overzicht biedt en informatie selecteert en samenvat: `This is the week that was.' Lang uitgesponnen, `verhalend' proza is goeddeels verdwenen.

In plaats van wekelijks om en nabij de twintig artikelen plus een enkele rubriek - de ingrediënten van Elsevier begin jaren negentig -  is een naar lengte en genre meer geschakeerde inhoud gekomen. Als regel bevat een nummer meer dan honderd verschillende items (analyses, commentaren, kaders, korte en lange samengestelde artikelen). De verhouding tussen tekst en beeld is verschoven ten gunste van het beeld. Dit komt ook door de infographics, de staatjes en tekeningen die informatie op een beeldende manier moeten overbrengen. Elsevier is meer een `zapblad' geworden, waarin je kunt bladeren en hier en daar een stukje kunt lezen.

Deze verandering past volgens het redactieplan goed bij de behoeften van de moderne lezers. Zij hopen op een efficiënte manier op de hoogte te worden gehouden van de belangrijkste ontwikkelingen in de wereld. Zij willen dus geen leeslast, maar bondige informatie. Dit geldt in het bijzonder voor de lezers van Elsevier, die doorgaans heel druk zijn in de marktsector. Het is onze taak, zegt Schoo, `voor deze ruggengraat van Nederland _ het brede maatschappelijke midden, hoogopgeleid, economisch vitaal, welstandig, urbaan, pragmatisch _ het organisch intellect te zijn'. Niet de passies en voorkeuren van individuele journalisten zijn bepalend voor de inhoudelijke keuzen, doch de zaken en kwesties die de lezers bezighouden.

De laatste jaren, vervolgt Schoo, hebben in het teken gestaan van krimp en versobering. Een hoognodige krimp en versobering. Maar voor de komende jaren kan wel gedacht worden aan uitbreiding om te profiteren van de malaise van kranten en de andere opiniebladen. `Groot zijn is onze opdracht, groei een teken van aanhoudende vitaliteit.' Zelf zal Schoo niet zo heel veel meer bijdragen aan de gewenste groei. In oktober 1997 wordt hij geveld door een hartaanval die hem een halfjaar tot inactiviteit veroordeelt. Daarna is hij nauwelijks meer de bezielende en inventieve aanvoerder die hij geweest is.

Overbodig
Tijdens de afwezigheid van de zieke Schoo neemt vooral Joustra diens taken over. Na een geslaagde periode als correspondent in Brussel mag hij zich vanaf 1 januari 1996 adjunct hoofdredacteur noemen. Samen met Paul de Hen, een van FEM afkomstige econoom die een doctorstitel combineert met een grote belezenheid. Joustra bereidt onder meer de komst van twee pagina's commentaar voor in het blad voor. Het idee is overgenomen van The Economist, net zoals de necrologie aan het eind van het blad. In vier opiniërende stukken van afwisselende lengte kunnen de belangrijkste redacteuren hun visie op de wereld kwijt. Schoo is blij met dit podium waarop hij zich na zijn terugkeer kan uitleven. Tijdens de vergaderingen op maandagochtend, waar de mogelijke onderwerpen worden besproken, houdt hij uitvoerige betogen.

Joustra leidt de vergaderingen om te voorkomen dat de hoofdredacteur aan het woord komt en het vervolgens niet meer afstaat. Het liefst neemt H.J. Schoo (hij gebruikt als schrijver nooit zijn voornaam) vanzelfsprekend het hoofdcommentaar voor zijn rekening. Net als Van Rossum komt hij graag op een kwestie terug. Na de start van de rubriek in mei 1998 schrijft hij in anderhalf jaar vijftien keer over het asielbeleid en zeventien keer over Kosovo.

Schoo kan zich op maandag en dinsdag redelijk ongestoord met peinzen, praten, lezen en schrijven bezighouden, omdat Joustra het echte werk doet: zorgen dat er op tijd een goed blad verschijnt. De adjunct hoofdredacteur heeft bewezen dat hij, met steun van De Hen, de zaakjes uitstekend weet te runnen. Dit is een geruststellende gedachte voor Schoo, maar het geeft hem tegelijkertijd een gevoel van overbodigheid. Hij heeft de indruk dat hij een karwei heeft geklaard, dat hij de zaak op de rails heeft gezet en alle vertrouwen kan hebben in de conducteur die de trein nu bestuurt.

Als dank voor bewezen diensten wordt Joustra benoemd tot plaatsvervangend hoofdredacteur. Hij hoeft zich niet meer bezig te houden met het leiden van de binnenlandredactie, maar krijgt een eigen kamer en alle vrijheid om zich voor te bereiden op het hoogste ambt dat hem uiteindelijk door de directie is toebedacht. Intussen wordt van buitenaf aan hem getrokken. Zijn vriend Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, wil hem graag als adjunct. Joustra voert gesprekken en denkt na.

Hij vertelt over zijn mogelijke transfer aan Schoo, die geen enkele moeite doet om zijn adjunct te behouden. Het lijkt hem juist wel goed dat Joustra zijn heil zoekt bij de krant waar hij zijn loopbaan is begonnen. Enigszins tot verbazing en teleurstelling van de betrokkene uiteraard, voor wie het prettiger was geweest als zijn baas van ellende in tranen was uitgebarsten bij het vooruitzicht zijn steun en toeverlaat te verliezen.

Toch besluit Joustra te blijven. Het hoofdredacteurschap bij Elsevier lijkt hem aantrekkelijker dan het adjunct hoofdredacteurschap van een krant. Schoo denkt er anders over. Als Broertjes hem na het afhaken van Joustra benadert, hapt hij snel toe. In het najaar van 1999 wordt bekend dat de hoofdredacteur van Elsevier per 1 januari 2000 adjunct wordt bij de Volkskrant. Een curieuze overstap, die iedereen verrast.
Na de aankondiging van zijn vertrek laat Schoo zich niet zoveel meer zien op de redactie.

Hij lijkt het wel te geloven en geniet van wat hij een `minisabbatsperiode' noemt. Hij krijgt nog een feestelijk diner van de redactie aangeboden, een bewijs dat het zowaar mogelijk is dat een hoofdredacteur van Elsevier en zijn redacteuren op een redelijk harmonieuze wijze uit elkaar gaan. En later, op 13 december 1999 om precies te zijn, houdt Schoo in de bedrijfskantine van het Elsevier gebouw aan de Van de Sande Bakhuyzenstraat een afscheidsrede. Hij toont zich hierin tevreden over de oplagestijging en het herstel van de advertentiebezetting in een gestaag krimpende markt.

Hij verbaast de aanwezigen, onder wie de directie, wel door op te merken dat zijn hartkwaal wellicht eerder met privé stress dan met werkstress te maken had: `De Sturm und Drang, toegegeven, op belachelijk late leeftijd, van een heuse affaire.' Een opmerkelijk openhartige verwijzing van de getrouwde hoofdredacteur naar de amoureuze betrekkingen die hij heeft gehad met een redactrice buitenland.

Na zijn dank uitgesproken te hebben voor de genoeglijke samenwerking met veel mensen in het bedrijf, voelt Schoo ook nog de behoefte uiting te geven aan `het schuldige besef dat al deze genoegens lang niet altijd wederzijds zijn geweest. Vaak was ik onhebbelijk veeleisend, met regelmaat ronduit onuitstaanbaar. Voor mijn veeleisendheid wil ik me niet verontschuldigen _ wie iets wil, moet nu eenmaal weerstanden overwinnen. Wel voor mijn onuitstaanbaarheid, mijn periodieke opvliegendheid. Allen die ik daarbij gebutst, soms echt bezeerd heb, bied ik - nogmaals - mijn excuses aan. Aanvaard ze al of niet, haal in elk geval nu opgelucht adem.'

Bestel het boek Meer dan een weekblad bij Elsevier. Nu voor € 8,95. Naar de bestelpagina

zie ook

0 reacties