door
Administrator
14 sep 2007
Hieronder volgt een interview met Hendrik Jan Schoo (verschenen op 8 januari 2000 in Elsevier) door Hugo Camps.
Zijn intimi vreesden een vlaag van zinsverbijstering. Na bijna negen jaar stapt Hendrik Jan Schoo van Elsevier over naar de Volkskrant. Een waagstuk. In zijn commentaren kreeg de conservatieve stroming een stem. ‘Hoe is het mogelijk dat honderdduizenden elkaar dezelfde geloofjes naprevelen
Door Hugo Camps
Vragen verbreken de boeien waaraan een mens gekluisterd zit. Niet alle boeien zijn gewillig. Bij de vraag of hij nou een beschavingsoptimist is, blijven de ketens rammelen.
Onnozelheid
‘Tja, eh, ik ben het wel, maar je wanhoopt dikwijls. Ik ben een beetje als Vargas Llosa die ooit vanuit een geweldig optimisme presidentskandidaat in Peru is geweest. In het besef dat er een recept voor welvaart is. Een vrije maar goed geordende markt onder de tucht van de overheid, een verlichte democratie met grote vrijheid voor debat en wetenschap, het kan bestaan. Wat je doet wanhopen, is de eeuwige terugkeer van het obscurantisme.'
'De kwakzalver in het ziekenfonds, dat vind ik een affront. De zichzelf en de anderen bedottende mens, tegen beter weten in – vreselijk. Die onnozelheid, het bedrog dat courantheid weet te verwerven in de audiovisuele media vind ik weerzinwekkend. De frauderende mens barricadeert het vooruitgangsgeloof. In die aanblik denk ik: de hele geschiedenis van de twintigste eeuw is een postscriptum bij de verlichting.’
Zo heb ik hem tien jaar gekend: een man met een radicaal gemoed, wars van elk excuusfetisjisme, strak in woord en daad, meer grand commis d’état dan broodschrijver, een genadeloze sloper van zijn eigen romantische ziel. H.J. Schoo: kort van naam, eindeloos in het verweer tegen populisme en opportunisme, tegen intellectuele luiheid en gemakzucht.
Ouderwets
En bij momenten weemoedig: ‘We geloven nog steeds in ons individualisme, maar we zijn ontzettend groepsgeoriënteerd geworden. Het is een van de vele paradoxen in Nederland. Consensus staat voorop. We willen de boot niet laten schommelen en we willen aardig gevonden worden. We kunnen dus geen mensen meer uit een stuk zijn.'
'De mens uit een stuk is natuurlijk een wat ouderwets verschijnsel. Ik heb iets ouderwets, ja. Ik voel me soms een tikje onaangepast in de postmoderne maatschappij.’
Staccato: ‘Hoe is het mogelijk dat honderdduizenden elkaar dezelfde geloofjes naprevelen? Er vindt in dit land een permanente sociale finetuning plaats. Wat is het vigerende standpunt? Daar gaat het om.'
'Links was indertijd voor bevolkingsbeperking, neomalthusiaans. Dat standpunt is zonder enig debat verlaten. Iedereen die nu links is, bazuint het tegendeel rond. Het debat in Nederland wordt niet intellectueel gevoerd, het wordt sociaal gevoerd. Dat is mijn onderwerp.’
De scheidende hoofdredacteur van Elsevier is een dialecticus pur sang. Zelf is hij ontzuild opgegroeid: derde generatie niks. ‘Als iedereen ontzuild is, wordt het erg schraal. Wanneer is het interessant om vrijdenker te zijn? Als anderen naar de kerk gaan. Zonder weerstand is het niet zo’n aantrekkelijk perspectief. Je positie bestaat bij de gratie van het tegendeel.
'Het probleem van Nederland is de zwakte van de maatschappelijk-politieke contrastwerking. Het verschil met de ander. Waar zijn de rivaliteiten? Zonder tegenbeelden wordt het serieuze maatschappelijke debat erg moeilijk.’
Nederland slaapt?
‘Nee, het is meer een middagdutje. Er zitten specifieke kanten aan het einde van de verzuiling. De snelheid waarmee de zittende macht zichzelf vernieuwde – ook om aan de macht te blijven natuurlijk – heeft zich tot op zekere hoogte in de gehele westerse wereld voorgedaan. Maar nergens zo systematisch en ingrijpend als in Nederland. Het conservatisme bestaat nog overal in Europa, ook in de landen waar links aan het bewind is. In Nederland is het uit het politieke spectrum verdwenen.’
Conservatief
De volksaard voldoet niet als verklarend gegeven. ‘Het lijkt een beetje op revanche. Conservatisme wordt alleen met benardheid geassocieerd, met kerk en spruitjes en burgermannengedoe. Hoewel we allemaal burgers zijn en zelfs intens burgerlijke burgers willen we toch afgeven op het burgerdom.'
'Dat hebben we van de bohème afgekeken die verheven werd tot de status van maatschappelijke avant-garde. Dat nep-bohèmeschap is gedemocratiseerd. Het is iets wat de massa zich heeft eigen gemaakt, nu dan met oorringetjes en een stickie. De maatschappelijke verliefdheid op de bohème lijkt onomkeerbaar.’
De jaren zestig und kein Ende.
‘Zoals de twintigste eeuw de negentiende eeuw als contrast nodig had, zo hadden de jaren zestig het schrikbeeld van de jaren vijftig nodig. Een onderdeel van de ideologie van de jaren zestig is dat de jaren vijftig niet deugden. Dat ze zwart waren als de nacht. Het verklaart die hele krachtige amputatie van een bepaald levensgevoel uit de jaren vijftig.'
'Terwijl het juist in veel opzichten spannende jaren zijn geweest. Het waren de jaren dat de grote Nederlandse concerns aan hun expansie begonnen. Dat Nederland meer en meer geworteld raakte in een grotere wereld. Wonderlijk toch hoe die jaren gereduceerd werden tot vervelend jeugdsentiment: natte haartjes op de fiets.’
Kiezers
In de commentaren van Hendrik Jan Schoo in Elsevier kreeg de conservatieve stroming een stem. Pour le besoin de la cause, zegt hij. ‘Ik ben het zelf maar heel ten dele. In sommige opzichten ben ik redelijk radicaal. Misschien komt dat uit een conservatieve gezindheid voort.
‘We hebben de moderniteit verlaten.'
'Nederland is een postmodern land geworden. We hebben een gedempte, geleide democratie. Ik heb met genoegen gelezen dat Bram Peper vaststelt dat Nederlandse politici niet naar hun kiezers luisteren. Zo is het maar net. De binding van politici met het electoraat is buitengewoon zwak. Ik ben niet zo erg gekant tegen bepaalde vormen van cliëntelisme.'
'Een regionale binding van politici lijkt me nuttig, zo niet noodzakelijk. Ik ben voor een veel radicalere democratie en dat is niet per definitie een onderdeel van het conservatieve gedachtegoed.’
In een radicale democratie is er eigenlijk geen plaats voor de monarchie. ‘Ik ben meer en meer de republikeinse beginselen toegedaan. Los van de personen zie ik de monarchie toch als de bekroning van een grotendeels ondemocratisch systeem. Het is onthutsend dat de Nederlandse grondwet niet de volkssoevereiniteit kent. De soevereiniteit berust bij de vorst. Het lijkt een finesse, maar het is bepaald niet betekenisloos.’
De volksvertegenwoordiging is al evenmin het spiegelbeeld van de natie. ‘Het is aantoonbaar dat Nederlandse volksvertegenwoordigers er totaal andere denkbeelden op na houden dan degenen die ze vertegenwoordigen. Het parlement denkt linkser dan het electoraat. Politici letten veel meer op elkaar dan dat ze oor hebben voor wat er in den lande leeft.’
Idem dito voor journalisten?
‘Er is veel aan te merken op de journalistiek. Alleen, wat er maatschappelijk-politiek niet meer is, is moeilijk via de journalistiek te herstellen. Als de gevarieerdheid van meningsuitingen wegvalt, wordt het lastig voor de journalistiek om zichzelf bij de haren uit het moeras te trekken.'
'Er is een vanzelfsprekend “linksisme” geslopen in politiek Nederland en dat hangt samen met de professionalisering. Je treft het in allerlei milieus aan waar de professionalisering wortel heeft geschoten. Het CDA meende van oudsher voor het eigen middenveld te moeten opkomen. Tot ze er achter kwamen dat hun middenveld intussen grondig geprofessionaliseerd was en derhalve autonoom geworden en voorzien van normen en waarden die de christen-democratie vreemd zijn.’
Gezagsprobleem
De journalist H.J. Schoo danst niet mee rond de vuren die de mythe van de journalistiek moeten bewaken. ‘Ik heb niet de illusie dat ons schrijven de wereld kan veranderen. Terwijl we die wel zouden moeten hebben. De journalistiek heeft een gezagsprobleem. Men speelt altijd leentjebuur.'
'Mijn ideaalbeeld is dat de journalistiek zich manifesteert als een soort van contra-expertise die op eigen gezag berust, het niet aan andere machten ontleent en zich er zeker niet mee identificeert.’
Het ontgaat hem niet dat de zelfbenoemde deskundigen op zichzelf gloriëren alsof zij de vierde macht zijn. ‘Het is onthutsend hoe de journalistiek aan de leiband loopt van netwerken van expertise. Het asielvraagstuk, de WAO, sociale zekerheid, het drugsbeleid, de deskundigheid wordt geclaimd door mensen die daar de baas over zijn. Terwijl juist deze zaken te belangrijk zijn om ze aan deskundigen over te laten, die trouwens bijna altijd belanghebbend zijn geworden.'
'Op een aantal terreinen zie je circuits ontstaan die geen tegenspraak dulden. En die zichzelf uitvergroten: de deskundigen hebben zich inmiddels tot televisiehoofden laten kronen. Het zegt ook iets over de luiheid van de journalistiek. Mijn laatste geloofje is dat ik blijf geloven dat een scherp debat tot betere inzichten leidt.’
De journalistiek als een warme jas is hem te romantisch. ‘Terugblikkend vallen de dingen op hun plaats. Als ik het jongetje voor me zie uit wie de man is gegroeid, dan zie ik een jongetje dat op zijn knieën de krant las zodra-ie kon lezen. De wereld waarin ik opgroeide, verwees nog naar iets dat groter was dan de dorpskom.'
'De benauwenis van het woonerf heb ik niet gekend. Ik had een geliefde tante die bij de KLM werkte. Zij was een trait-d’union met de grotere wereld. Bij haar las ik Elsevier, de Groene. In de jaren dat ik in Amerika werkte en studeerde, kocht ik van mijn spaarzame centjes elke dag kranten en had ik abonnementen op allerlei tijdschriften.’
Vele jaren later is het jongetje uit wie de man groeide hoofdredacteur van het grootste opinieweekblad van Nederland. ‘Je gaat naar het werk en je zit op de tram alsof er niets aan de hand is, zonder speciaal gevoel. Een enkele keer was er wel het wonderlijke besef dat ik hoofdredacteur van Elsevier was. En aansluitend de verbazing dat het per saldo zo goed is gegaan.'
'Deels is dat een soort van genade geweest. We zijn vrijwel al die jaren gegroeid in een krimpende markt. Als fysiek product is Elsevier aantrekkelijker geworden. Het ligt lekker in de palm van de hand, is transparant als een spoorboekje. We zijn allengs pertinenter geworden dan we waren. Het babbelzieke is sterk teruggedrongen.'
'Daarnaast hebben we gewerkt aan een milde herideologisering, heropiniëring. Mild zeg ik, want een titel als Elsevier moet je houden in de continuïteit van zijn oorsprong. Je moet niet zeggen dat je de verkeerde lezer hebt. De kunst is: bewegen in continuïteit, liefst met een zekere stekeligheid. En waar koekoek eenzang heerst, ben je al snel stekelig.’
Afstand
Altijd als eerste ter redactie, maar in de salons van de natie was H.J. Schoo minder zichtbaar. Zou deze robuuste man pleinvrees kennen?
‘Ik heb bewust afstand genomen van diners en recepties. Ik moest wel met de trein kunnen reizen. Ik geef er ook te weinig om om gezien en bepoteld te worden. Ondanks mijn toewijding aan de publieke zaak heb ik altijd tegenzin gehad om een publieke figuur te worden. Ik ga liever ’s avonds naar huis en praat en lees. Ik ben te weinig sociabel, te weinig snob zo je wil.’
Zijn commentaren waren doorwrocht, scherper dan menig ander hoofdartikel. Amsterdamse bestuurders werden meedogenloos geranseld. Omdat het hart van deze Amsterdammer bloedde?
‘Amsterdam is mij te klein. Ik ben er geboren en getogen, maar het lukt mij niet het als mijn exclusieve plek te ervaren. Daarvoor vind ik de stad te geborneerd. Schijnbaar wijd open, maar met een gesloten geest. Ook het lokaal chauvinisme is mij er te veel aan. Dat pocherige van Amsterdammers onder elkaar. Het exhibitionistische geëxperimenteer.'
'De kleingeestigheid van Amsterdam is in alle opzichten benauwend. Amsterdam is alleen interessant als het een rol in Nederland en in Europa speelt, niet als enclave van aberraties en eigendunk.’
Een enkele keer schreef hij met fluweel, intiem bijna. Meestal over het Hollandse landschap. ‘Nederland als cultuurlandschap kan mij ontroeren. De twee-eenheid van stad en land gaat helaas verloren. Het landschap wordt geofferd aan de mammons van zichtlokaties, verkeer en natuurbouw.'
'Het is een van de raadsels van Holland en Vlaanderen. Juist in de gebieden waar stedelijke culturen tot bloei zijn gekomen, verlaten mensen de stad als ze eenmaal rijk zijn geworden. De beschaving doet aan stadsverlating. Waar komt die afkeer van de steden vandaan?’
Zwakheden
Het bericht kwam als een schok. H.J. Schoo verlaat Elsevier en wordt adjunt-hoofdredacteur bij de Volkskrant. Zelfs intimi vreesden een vlaag van zinsverbijstering. ‘Ik vond dat het na bijna negen jaar mooi geweest was. Je reproduceert als hoofdredacteur altijd je eigen zwakheden.'
'Er komt een moment dat je de dingen net een keer te veel gaat zeggen tegen de mensen met wie je werkt. En: in Arendo Joustra had ik een geschikte en terechte opvolger. Maar ik ben ook een tijd ziek geweest. Mijn ziekte heeft de dingen veranderd. Ik was bij Elsevier een beetje overbodig geworden. ’
Doodernstig: ‘Ik ben nu 54 en heb nog altijd het gevoel dat ik maar net ben begonnen. De Volkskrant is een mooie herstart. Voor hoofdredacteur Pieter Broertjes was het een waagstuk. Het is niet vanzelfsprekend dat de hoofdredacteur van Elsevier in de hoofdredactie van de Volkskrant wordt opgenomen. Anderzijds, mijn journalistieke credo past wel bij de krant: het zaad voor de tegenmacht is aanwezig.’
Hendrik Jan Schoo mag dan al een eeuwige zoeker en denker zijn, hij kan ook uitpakken met een latijns torment. En: het hart kan breken voor schoonheid en broosheid. Als ik hem ’s avonds door de stad zag lopen, dacht ik altijd: daar loopt een man alleen, inherent verweesd in de zware tred. Misschien wel een man met spijt?
‘Schuld en schaamte ja, maar ik ben te sartriaans om spijt te voelen. Je bent er altijd zelf bij geweest. Al is ook dat de zoveelste overdrijving van je werkelijke autonomie. Spijt behoort bij de gedachte dat andere machten voor je hebben beslist.
‘De verweesdheid die je waarneemt is er natuurlijk wel. Dat gaat nooit weg. We zijn allen Elckerlijcs. Zo sociabel als we zijn, in laatste instantie is er de solitude. Maar dat zeg ik zonder spijt.’