door
Robin van der Kloor
25 dec 2009
De kersttoespraak van koningin Beatrix stond vrijdag, eerste kerstdag, in het teken van menselijk contact en naastenliefde. Hieronder volgt de integrale tekst van de kersttoespraak van de koningin.
'In de schaduw van de tijden schijnt het licht van
Kerstmis. Het kerstverhaal speelt in sombere dagen van onderdrukking en
zorg. Het is het verhaal van het Christuskind. Op zoek naar onderdak
klopten Jozef en Maria aan bij een herberg waar voor hen geen plaats
bleek te zijn. Maar hun werd toch een veilige plek in een stal gegund.
Daar is Jezus geboren. Met zijn komst straalt in onze wereld het licht
van de liefde die ons verbindt met God en met onze medemensen.
Wezenlijk
is de aloude opdracht: hebt uw naaste lief als uzelf. Vandaag is het
minder duidelijk wat dat betekent. Weten we nog wie onze naaste is? Het
is een ieder die op onze weg komt: de medemens in ons leven. Maar zien
wij die ook? Laten wij wie wellicht onze steun en hulp nodig hebben aan
hun lot over of staan wij open voor toenadering en contact en bieden we
een helpende hand? Hoe goed professionele zorg ook is, we blijven
aangewezen op een samenleving waarin mensen oog hebben voor elkaar. Bij
tegenslag en verdriet is nu eenmaal niet alles alleen te verwachten van
overheid en maatschappelijke instellingen. Gelukkig zijn er dan ook
velen die zich inzetten wanneer dat nodig is.
In deze tijd van
mondialisering zijn snelheden vergroot en afstanden verkleind.
Technische vooruitgang en individualisering hebben de mens
onafhankelijker en afstandelijker gemaakt. We zijn meer en meer op
onszelf aangewezen. Toch blijft een plek waar wij ons thuis voelen,
vertrouwen kunnen hebben in de mensen om ons heen en mogen uitgaan van
solidariteit enorm belangrijk. Misschien is wel de grootste uitdaging
hoe individu en gemeenschap weer met elkaar te verbinden en vertrouwen
te herstellen. Ook de crisis van vandaag leert ons dat.
Wanneer
de zorgen groot zijn, wordt de behoefte aan een gezamenlijk perspectief
sterker gevoeld. Godsdiensten en levensovertuigingen wijzen op
verantwoordelijkheid voor de naaste. Vroeger was er vrijwel overal
burenhulp en vormde nabuurschap de basis van de samenleving. Men kende
elkaar. Maar de moderne mens lijkt weinig aandacht te hebben voor de
naaste. Nu is men vooral met zichzelf bezig. We zijn geneigd van de
ander weg te kijken en onze ogen en oren te sluiten voor de omgeving.
Tegenwoordig zijn zelfs buren soms vreemden. Je spreekt elkaar zonder
gesprek, je kijkt naar elkaar zonder de ander te zien. Mensen
communiceren via snelle korte boodschapjes. Onze samenleving wordt
steeds individualistischer. Persoonlijke vrijheid is los komen te staan
van verbondenheid met de gemeenschap. Maar zonder enig 'wij-gevoel'
wordt ons bestaan leeg. Met virtuele ontmoetingen is die leegte niet te
vullen; integendeel, afstanden worden juist vergroot. Het ideaal van
het bevrijde individu heeft zijn eindpunt bereikt. We moeten trachten
een weg terug te vinden naar wat samenbindt.
Steeds minder roept
de medemens bij ons solidariteit en compassie op. Om te kunnen
mee-leven is tastbare nabijheid nodig. Echt contact ontstaat in daden
en woorden. Taal is onmisbaar bij het opbouwen van vertrouwen. Maar wie
het gesprek niet aangaat, sluit zichzelf uit. Zo kan een middel om
mensen tot elkaar te brengen ook een barrière zijn voor wie niet
begrijpt en niet begrepen wordt. Dan komt er geen saamhorigheid en
blijven naasten buitenstaanders.
Via woord en beeld komt veel
verdriet van anderen tot ons, maar dat is vaak ver weg en roept eerder
gevoelens van onmacht op. Teveel informatie stompt mensen ook af. Zo
zijn we misschien wel doof en blind geworden voor de naaste. Meeleven
wordt weggedrukt. Gemeenschapsgevoel gaat verloren.
De moderne
technische mogelijkheden lijken mensen wel dichter bij elkaar te
brengen maar ze blijven op 'veilige' afstand, schuilgaand achter hun
schermen. Wij kunnen nu spreken zonder te voorschijn te komen, zonder
zelf gezien te worden, anoniem. Domweg, grofweg emoties uiten is
makkelijk geworden. Op spreken zonder respect wordt niemand meer
afgerekend. Niet het vreemd zijn maakt de ander agressief maar
agressiviteit maakt de ander tot vreemde.
De naaste lijkt dus
vervreemd en ver weg, maar bij rampspoed zien we plotseling hoe
medegevoel wordt opgeroepen waardoor mensen zichzelf wegcijferen,
aarzeling overwinnen, eigen angst of afkeer opzij zetten en alles over
hebben voor een medemens in nood. In de moeilijkste omstandigheden kan
barmhartigheid zich uiten in daadwerkelijke naastenliefde. Dan komt het
mooie in mensen naar boven: de bereidheid onbaatzuchtig hulp te bieden,
er te zijn voor onbekenden, hen te steunen in wanhoop en pijn.
Mededogen verbindt ons met de naaste in nood. Een vastgehouden hand,
een stem die moed inspreekt en ogen gericht op contact kunnen de
boodschap van naastenliefde indringend overbrengen. In vrijwillige
inzet voor anderen kent ons land een grote traditie.
Onze wereld
heeft mensen nodig met passie en betrokkenheid, die een plaats geven
aan wie zijn buitengesloten, die klaar staan voor hun medemensen en die
blijven geloven in het goede.
Kerstmis brengt ons in een sfeer
van warmte en nabijheid. In de stal bij een volle herberg wordt de
bescheiden plek gevonden waar Jezus' leven begint. In het donker van
die nacht schijnt het licht van vrede op aarde en liefde voor de naaste.
Ik wens U allen een gezegend Kerstfeest toe.'