Voedselinfecties ontstaan vrijwel altijd door fouten van mensen
Van het eten van bedorven voedsel kun je flink ziek zijn. En het is besmetttelijk, dus zorg dat je geen bacteriën en virussen doorgeeft aan anderen.
In Amerika werden begin 2009 vijfhonderd mensen ziek na het consumeren van besmette peanutbutter. Dit voedingsmiddel wordt in de VS verwerkt in onder meer koekjes, crackers en ijs. Vooral jonge kinderen en ouderen werden ziek; zeven mensen overleefden het niet.
Uitzondering
De salmonellabacterie was hier de boosdoener. Gelukkig is dit een uitzondering. Voeding wordt streng gecontroleerd op ziekteverwekkers voordat het in de supermarkt komt te liggen. Voedselinfecties ontstaan vrijwel altijd door fouten van mensen.
In de volksmond noemen mensen iets al snel een voedselvergiftiging, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een voedselinfectie. Bij een voedselinfectie zijn bacteriën, virussen en parasieten de veroorzaker. Bij een voedselvergiftiging zijn giftige stoffen de boosdoeners. Die stoffen, ook wel toxines genoemd, worden wel aangemaakt door bacteriën. Botulisme is een voorbeeld van voedselvergiftiging. Aan het voedsel merk je meestal niets: het ziet er nog gewoon uit en ruikt normaal.
Houdbaarheidsdatum
Voedselvergiftiging is vrij zeldzaam, maar de kans op een voedselinfectie is veel groter. Bijvoorbeeld als je bedorven voedsel eet. Let allereerst op de 'Te gebruiken tot'-datum (THT-datum) op de verpakking. Deze datum vind je op zeer bederfelijke producten zoals vlees en vis. Als je deze producten na die datum nog consumeert, loop je een grote kans op infectie.
De 'Tenminste houdbaar tot'-datum wil zeggen dat de kwaliteit van het ongeopende product na de vermelde datum achteruit kan gaan. Het product zal niet meer zo lekker smaken en er bestaat een kans dat je er ziek van wordt.
Melk
De THT-datum op zuivelproducten, zoals melk en yoghurt, heeft een iets andere betekenis. Deze THT-datum geeft aan wat de laatste dag is waarop het zuivelproduct aan de consument verkocht mag worden. De TGT- en THT-data gelden alleen voor ongeopende producten en als ze zijn bewaard volgens de instructies op de verpakking.
Voedsel kan bovendien bederven doordat het te lang in de warmte heeft gelegen, zoals tijdens een barbecue of een picknick. Ziekteverwekkers groeien dan sneller. Het eten van vlees of vis dat aan de binnenkant niet gaar is, of rauwe schelpdieren, vergroot eveneens het risico op voedselinfectie.
Onvoldoende hygiëne
Veel voedselinfecties ontstaan door onvoldoende hygiëne. Bijvoorbeeld doordat iemand zijn handen niet wast nadat hij naar het toilet is geweest en vervolgens eten klaarmaakt. Of iemand verschoont een luier en bereidt daarna het eten.
Voedselinfecties kunnen ook ontstaan door op één snijplank zowel rauw vlees als groenten voor een salade te snijden. En denk aan de barbecuetang waar rauw vlees mee is opgepakt. Bereid voedsel kan dan alsnog besmet worden: een zogeheten kruisbesmetting.
Klachten
Bij een voedselinfectie krijg je last van diarree, misselijkheid, braken, buikpijn, buikkramp en koorts. Deze ontstaat niet eerder dan acht uur na het eten of drinken van besmette producten. Soms zelfs pas na enkele dagen. De klachten verdwijnen meestal binnen een tot drie dagen.
Als je een voedselinfectie hebt, dan kun je anderen ook aansteken. De besmettelijke periode verschilt per ziekteverwekker. In het algemeen is iemand besmet vanaf het moment dat de klachten ontstaan tot enkele dagen of weken nadat de klachten gestopt zijn.
Verspreiding
Bacteriën, virussen en parasieten die voedselinfecties veroorzaken, verspreiden zich via de ontlasting en braaksel. Sommige ziekteverwekkers verspreiden zich ook nog eens via de lucht. In een ruimte waar iemand heeft gebraakt, kunnen op die manier allerlei voorwerpen besmet raken. Denk aan de kraan in het toilet of aan speelgoed. Als iemand anders ermee in contact komt, wordt hij of zij ook besmet. Via handen, keukengerei en voedingsmiddelen kunnen de ziekteverwekkers in het lichaam terecht komen.
Als je een voedselinfectie hebt, dan kun je de volgende maatregelen nemen om te voorkomen dat anderen ook ziek worden:
- Bereid geen voedsel voor anderen. Houd dit vol tot drie dagen na het verdwijnen van de klachten;
- Was je handen na toiletbezoek en gebruik een eigen handdoek of keukenrol voor het drogen van je handen;
- Gebruik als het mogelijk is een apart toilet en spoel deze door met de klep omlaag;
- Maak dagelijks het toilet schoon. Doe dit van schoon naar vies: begin bijvoorbeeld bij de lichtschakelaar en eindig met de toiletpot. Vergeet de deurklink, de kraan en de spoelbak niet;
- Als je moet overgeven, doe dit dan het liefst op het toilet. Probeer in ieder geval niet te braken in een ruimte waar andere mensen zijn;
- Was alles wat met braaksel of ontlasting bevuild is op minstens zestig graden Celsius. Laat het direct daarna drogen.
Door Maaike Tindemans