door
Ruud Deijkers
7 mrt 2012
Het ministerie van Onderwijs stelde na Kamervragen over het vermogensbeheer van middelbare scholen een onderzoekscommissie in onder leiding van Henk Don, econoom en oud-directeur van het Centraal Planbureau. ‘Commissie Don’ kwam in 2009 met adviezen voor een optimale financiering waarbij rekening gehouden wordt met gangbare financiële risico’s.
Ook stelde de Commissie een beoordelingsinstrumentarium van kengetallen op waarmee de financiële gezondheid van onderwijsinstellingen getoetst kan worden. Bij deze kengetallen zijn ook zogenaamde signaleringsgrenzen genoemd waarbinnen gezonde scholen vallen. Het was niet de intentie om deze grenzen als harde normen te gebruiken. In de praktijk gelden scholen die afwijken van alle normen wel degelijk als ‘te arm’ of ‘te rijk’.
Alle jaarrekeningen
Elsevier vulde de beoordelingskaders van Don aan met enkele andere vuistregels die gelden bij de beoordeling van het financiële beheer van instellingen. Door te kijken naar verschillende getallen, kan meer inzicht verkregen worden in de doelmatigheid van het financiële beheer op zowel de korte als lange termijn. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) leverde de financiële jaarrekeningen van 2006 tot en met 2010 van alle schoolbesturen in het voortgezet onderwijs.
Schoolbesturen die op alle kengetallen binnen de grenswaarden scoren, zijn financieel gezond. Besturen die lager scoren dan alle ondergrenzen zijn te arm. De schoolbesturen die hoger scoren dan alle bovengrenzen zijn te rijk.
Kapitalisatiefactor
Commissie Don introduceerde een nieuw kengetal om aan te tonen of instellingen misschien een deel van hun kapitaal niet of inefficiënt benutten. Deze 'kapitalisatiefactor' is gedefinieerd als het totale kapitaal minus gebouwen en terreinen als percentage van de totale baten. Voor kleine instellingen geldt een bovengrens van 60 procent, voor grote instellingen een bovengrens van 35 procent. Een ondergrens is niet vastgesteld.
Weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen is het eigen vermogen als percentage van de totale baten. Dit percentage dient te liggen tussen 10 en 40 procent. Commissie Don adviseerde schoolbesturen om in plaats van het weerstandsvermogen te kijken naar de kapitalisatiefactor. Elsevier neemt dit kengetal wel mee in de beoordeling van de financiële gezondheid.
Solvabiliteit
De ondergrens voor de solvabiliteit – het percentage eigen vermogen en voorzieningen op het totale vermogen – is 20 procent. Hiermee zouden onderwijsinstellingen normale financiële risico’s op moeten vangen. In het bedrijfsleven wordt vaak een bovengrens van maximaal 40 procent gehanteerd. Voor onderwijsinstellingen in het voortgezet onderwijs, die doorgaans geen winst maken, heeft Elsevier de lat hoger gelegd op 60 procent. Het eigen vermogen dat scholen hebben buiten deze boven- én ondergrens wordt als te veel dan wel te weinig reserve aangeduid.
Rentabiliteit
De rentabiliteit geeft aan hoeveel schoolbesturen per jaar overhouden van hun inkomsten. Omdat middelbare scholen geen winst maken, hoort het resultaat ten opzichte van de baten dichtbij nul te liggen. Om een realistisch beeld te krijgen van de resultaten van schoolbesturen is een gemiddelde rentabiliteit over drie jaar berekend.
Liquiditeit
De liquiditeit geeft aan of een schoolbestuur aan alle kortlopende schulden kan voldoen. Het geeft de verhouding weer tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden. Bij een liquiditeit van 1 worden alle kortlopende schulden precies gedekt door de vlottende activa. De gehanteerde grenswaarden zijn 0,5 en 1,5.