door
Michiel Dijkstra
25 jul 2012
De koers van de euro staat onder druk. Niet alleen omdat de
Europese Centrale Bank de rente op het laagste punt ooit heeft staan ook omdat de angst groeit dat landen uit de eurozone stappen. De munt zou door het aangetaste vertrouwen in waarde dalen.
Om zich aan de waardedaling te onttrekken, kopen veel investeerders waardevaste buitenlandse valuta, of waardepapieren van landen met een andere munt. Onder grote investeerders zijn de Zwitserse frank en de Japanse yen populair. Deze munten worden veel verhandeld en de landen hebben grote kapitaalmarkten. Dat maakt het gemakkelijk om de munt met honderden miljoenen euro’s tegelijk te kopen.
Wel proberen de centrale banken uit alle macht de waarde van hun munt te onderdrukken om hun exportsector te steunen: een goedkopere yen maakt Japanse producten voor consumenten in Europa en de Verenigde Staten goedkoper. Zwitserland heeft zijn munt in arren moede gekoppeld aan de euro om zijn exportsector niet failliet te laten gaan.
Het geld naar de Verenigde Staten brengen kan ook, maar hier speelt het risico dat de dollar in tussentijd in waarde daalt. Het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de Federal Reserve, lijkt van plan weer dollars te gaan bijdrukken met zogeheten kwantitatieve verruiming.
Een laatste keuze vormen de landen die grote hoeveelheden grondstoffen exporteren, zoals Noorwegen (olie en gas) en Australië (ijzer en steenkool). Omdat bedrijven in het buitenland altijd grondstoffen blijven kopen, moeten ze dus ook Noorse kronen (nokkies, zoals valutahandelaren ze noemen) of Australische dollars blijven kopen. Daardoor blijft de koers van die munt vaak hoog, al kunnen ze hard vallen als grondstofprijzen opeens afnemen. Het hoge risico maakt het voor investeerders niet interessant om deze munten te bezitten.