Op 11 maart aanstaande herdenkt Spanje de aanslagen in Madrid van een jaar geleden. Slachtoffers, justitie en politici liggen nog steeds met elkaar overhoop over de consequenties van '11-M'. Voor de treinreizigers is de praktijk van alle dag teruggekeerd. 'Het zit nog steeds in mijn achterhoofd, maar we moeten toch verder.'
Door Steven Adolf in Madrid
Verschenen in Elsevier op 2 maart 2005
Het is druk op het Atocha-station. Duizenden reizigers lopen rond in deze bijenkorf van metrolijnen, stoptreinen, intercity’s en hogesnelheidslijnen. In de oude hal van Madrids centrale station, die smaakvol is opgeknapt tot een enorme tropische-plantenkas, wordt een jongen met een kartonnen doos onder zijn arm gecontroleerd door surveillerende veiligheidsagenten. Vals alarm: hij mag doorlopen naar de vijver onder de palmbladeren, waar hij zijn waterschildpad loslaat tussen honderden kameraadjes die hier eerder zijn achtergelaten.
Op de eerste verdieping van het stationscomplex, recht tegenover de perrons waar de ramptreinen op 11 maart 2004 in de lucht werden geblazen, staan twee grote plasmaschermen waarop de beelden van de ontzetting en de rouw na de aanslagen in Madrid te zien zijn. Bezoekers kunnen er hun hand laten scannen en een tekst achterlaten in de computerschermen die on line te bezoeken zijn op www.mascercanos.com. Een vorm van digitale herdenking.
Jon, een twintiger op doorreis naar Baskenland, bestudeert samen met zijn vriendin zwijgend de teksten die op vier hangende rollen naast de computerschermen zijn geschreven. Boodschappen uit Roemenië, Polen, Peru en Ecuador herinneren eraan dat meer dan een kwart van de slachtoffers immigranten waren. 'We zullen jullie nooit vergeten,’ staat er, en: 'In deze trein zijn we allemaal vertrokken’. Maar ook: 'Aznar leugenaar.’
Hofstadgroep
'Madrid’ schudde Europa wakker voor het terreurgevaar. In Spanje had onderzoeksrechter Baltasar Garzón al vanaf eind 2001 23 mensen laten arresteren op verdenking van lidmaatschap van een Al-Qa’ida-cel die een logistiek belangrijke rol had gespeeld bij de organisatie van de aanslagen op 11 september 2001 in de Verenigde Staten. Naar nu blijkt lopen er ook contacten met verdachten van de zelfmoordaanslagen op 16 mei 2003 in de Marokkaanse stad Casablanca waarbij 45 doden vielen. In het los-vaste contactennetwerk van fundamentalistische terroristen bleken er ook contacten te zijn geweest met de Nederlandse Hofstadgroep, in het bijzonder met Samir A., die ervan wordt verdacht in Nederland aanslagen te hebben voorbereid op de Tweede Kamer, de luchthaven Schiphol en de kerncentrale in Borssele.
Ondanks alle ervaring met terreurdaden en waarschuwingen van geheime diensten na de in Spanje omstreden zending van militairen naar Irak, werd het land verrast door de aanslagen. 'We hadden de deuren openstaan en geen bewaking op de torens,’ zo schrijft Garzón in zijn net verschenen bestseller Un Mundo sin Miedo (Een wereld zonder angst). Spanje als een onbewaakt kasteel. De populaire onderzoeksrechter heeft negen maanden studieverlof genomen om in New York Engels te studeren en hier en daar een gastcollege te geven. Garzón laat het eerste strafproces achter dat deze maand in Madrid begint tegen 24 verdachte leden van Al-Qa’ida. Zij worden ervan beschuldigd te hebben meegeholpen aan de organisatie van de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. De veronderstelde leider van de Spaanse Al-Qa’ida, de Syriër Imad Eddin Barakat Yarkas, alias Abu Dahdah, hoorde 62.512 jaar tegen zich eisen, de hoogste strafeis uit de Spaanse rechtsgeschiedenis. Justitie hoopt voor het eind van het jaar de 74 verdachten die rechtstreeks bij de elfde maart betrokken waren voor de rechter te krijgen. Gedacht wordt om het proces te voeren in een speciaal gebouw in het Casa de Campo, het grote park aan de westelijke rand van de stad.
Iemand kalkte op het Atocha-station putos moros, vrij vertaald: kut-Marokkanen. 'Je houdt altijd intolerante mensen,’ zegt treinreiziger Jon. 'Gelukkig weet de meerderheid dat je niet een hele gemeenschap kunt aanspreken op de misdaden van een minderheid.’ Hoewel het gros van de betrokken verdachten uit Marokko afkomstig is, bleven wraakgevoelens jegens de Marokkaanse gemeenschap inderdaad uit. 'Spanje heeft kalm en beschaafd gereageerd,’ meent Mustafa el M’rabet, voorzitter van de Marokkaanse immigrantenwerkers Atime en ingeburgerd immigrant. De reden weet hij niet ('Daar moet je socioloog of antropoloog voor zijn’), maar hij hoopt dat Spanje deze houding volhoudt.
Complottheorie
Misschien speelt de geringe zichtbaarheid van de moslims een rol – Spanje telt ongeveer 800.000 moslims, van wie meer dan de helft afkomstig uit Marokko, op een bevolking van ruim 40 miljoen. Daarnaast kan het feit dat zich onder de slachtoffers ook Marokkanen bevonden het uitblijven van een anti-moslimreactie verklaren. Of dat M’rabet zelf in de weken na de aanslagen bij Justitie aandrong op een strengere controle op radicale imams in de moskeeën en grotere zelfcontrole van de moslimgemeenschap.
De naschokken van de aanslagen zijn vooral voelbaar in de landelijke politiek, waar '11M’ een prestigekwestie is geworden die boven alle feitenmateriaal uitstijgt. Anders dan bij het onderzoek van de Amerikaanse senaatscommissie naar aanleiding van '11 september’, heeft de Spaanse parlementaire onderzoekscommissie tot op heden geen gemeenschappelijke conclusies kunnen formuleren. Dat wordt vooral veroorzaakt doordat de conservatieve Partido Popular (PP) nog steeds weigert enige politieke verantwoordelijkheid te nemen voor het feit dat de regering-Aznar in de dagen na de aanslagen bleef beweren dat de Baskische terreurbeweging ETA achter de aanslagen zat, en niet de moslimfundamentalisten. Die boodschap werd door de regering nadrukkelijk opgedrongen aan ambassadeurs, aan de Verenigde Naties en aan buitenlandse correspondenten.
Hoewel bewijs ontbreekt, getuigde oud-premier Aznar zelfs nog voor de onderzoekscommissie over een mogelijke band tussen de ETA en het moslimterrorisme. 'Grootscheepse misleiding,’ aldus zijn socialistische opvolger José Luis Rodríguez Zapatero twee weken later voor dezelfde commissie. Op de dag van diens verhoor door de commissie beschuldigden de socialisten Aznar ervan dat hij regeringsdocumenten over de dagen na de aanslagen heeft laten verdwijnen.
Geroofde verkiezingen
Het radicaalste deel van de conservatieve partij, met Aznar op de achtergrond, weigerde zijn verlies te accepteren bij de verkiezingen die drie dagen na de aanslagen plaatshadden. De PP verloor de verkiezingen vooral omdat vooral veel jongere kiezers woedend waren over de manier waarop de regering-Aznar het publiek had voorgelicht. Haviken binnen de PP menen evenwel dat de socialisten door allerhande manipulaties rond de aanslagen de verkiezingen hebben 'geroofd’.
De verontwaardiging hierover werd krachtig opgeklopt: de oud-ministers Ángel Acebes en Eduardo Zaplana – de voornaamste regeringswoordvoerders in de dagen na de aanslagen – werden nadrukkelijk opnieuw benoemd als de spreekbuizen van de partij. In de pers die de PP steunt, zoals de dagbladen ABC en El Mundo en de katholieke radiozender Cope, werd gesuggereerd dat de aanslagen het resultaat waren geweest van een samenwerking tussen ETA, moslimfundamentalisten, de geheime dienst van Marokko en de socialistische partij. Evenals andere betrokken onderzoekers maakte onderzoeksrechter Garzón echter korte metten met deze complottheorieën. De ETA heeft volgens hem niks te maken met 11 maart. De tragiek van Aznar, zo maakte Garzón duidelijk, is dat hij de terreurbestrijding op de Europese agenda wist te plaatsen, maar zo geobsedeerd was door de Baskische terroristen dat zijn regering geen aandacht had voor het gevaar van de moslimextremisten.
De politieke tweespalt leidde tot een felle aanklacht van de slachtoffers. Pilar Manjón, de voorzitster van de Vereniging slachtoffers van 11-M, vroeg de politici op te houden de slachtoffers als politiek wisselgeld te gebruiken. 'Alsof het om een partijtje voetbal gaat’, zo vergeleek de geëmotioneerde Manjón het gebekvecht in de onderzoekscommissie. 'Deze commissie moet voor alle burgers zijn, maar u gebruikt haar om politiek te bedrijven. De slachtoffers hadden hier de hoofdrol moeten spelen. Voor ons hebben ze een naam en een gezicht. Ze heten Javi, die 25 jaar was, Pilar en Daniel, die eergisteren zijn 21ste verjaardag had moeten vieren en die mijn zoon was.’ De aanwezige politici deden er beschaamd het zwijgen toe.
Het wachten is nu op meer veiligheidsmaatregelen die een herhaling van de aanslagen moeten voorkomen. Om niet weer te vervallen in geruzie, wil de regering hier eerst besluiten over nemen, en pas op zijn vroegst in mei zal de commissie een oordeel vellen over het beleid van het vertrokken kabinet-Aznar.
Op het Atocha-station is de bewaking inmiddels flink verscherpt. Beveiligingsbeambten lopen rond in fluorescerende gele hesjes. Passagiers op weg naar de perrons worden nauwlettend in de gaten gehouden. Op de hogesnelheidslijnen wordt de bagage gescand. José en Esperanza, forensen op weg naar de getroffen perrons, moeten ook zonder het digitale monument elke dag toch weer even denken aan de elfde maart. De eerste maanden na de aanslagen werd het altijd stil zodra de trein Atocha naderde. Nu is het normale leven weer op gang gekomen. 'Het zit nog steeds in mijn achterhoofd,’ zegt Esperanza, 'maar we moeten toch verder.’
Kaders bij artikel:
MADRID 11 MAART 2004
3 stations toneel van aanslagen
4 spitstreinen getroffen
10 bommen
191 doden
1.600 gewonden
74 verdachten
24 deze maand voor de rechter
1 appartement opgeblazen,
7 verdachten dood
DOOF EN ZONDER GELD
De 'Vereniging slachtoffers van 11-M' deed officieel zijn beklag over de trage afwikkeling van de hulp aan de getroffenen. Zoals bij José Julian, een dertiger die behoort tot de 1.500 gewonden. Julian had geluk: de man die naast hem op de grond in het treinstel lag, was dood. Hijzelf brak een aantal ribben, is net als vele overlevenden doof aan het ene oor en gedeeltelijk aan het andere, maar hij kwam eraf met een week ziekenhuis. Door zijn doofheid kon hij niet langer werken. Maar net als vele anderen moest hij maanden op een door de regering beloofde uitkering wachten. Zijn hypotheek kon hij niet meer betalen. 'Ik ben door mijn spaargeld heen, maar je wordt van het kastje naar de muur gestuurd,' aldus Julian. De regering-Zapatero, geschrokken van de aanklacht van de slachtoffers, heeft een speciale regeringscommissaris ingesteld die de hulp aan de slachtoffers moet bespoedigen.
HERDENKING 11-M
De herdenking wordt 'bescheiden en discreet'. Een monument of het planten van een bos is nog onzeker: slachtoffersorganisatie weigert vooralsnog mee te doen. Premier Jan Peter Balkenende bezoekt de terreurconferentie in Madrid (8-11 maart).