Floris van Hall
De vierde in de serie Alle Nederlandse Premiers: Floris Adriaan baron van Hall (1791-1866)
‘Ongelukkig is de Vorst die zich persoonlijk aansprakelijk stelt bij de natie; nog ongelukkiger de Regeering bij welke geen vereenigd Ministerie eenheid van inzigten en handelen daarstelt.’ Deze woorden schreef mr. Floris Adriaan van Hall in 1831. De Amsterdamse advocaat wilde daarmee aangeven dat naar zijn mening niet de Koning, maar de ministers politiek verantwoordelijk gesteld moesten worden voor het regeringsbeleid. En dat de kwaliteit en de eenheid van het beleid zouden toenemen als één persoon belast zou worden met het leiding geven aan die ministers.
Zelf leek het de ambitieuze Van Hall wel wat om de rol op zich te nemen die de premier in Engeland speelde. Zijn wens werd vervuld. Twee keer mocht hij fungeren als minister-president: van 1853-1856 en van 1860-1861. Het was een beloning voor zijn decennialange politieke inzet, die zich zowel kenmerkte door behendigheid als opportunisme.
Bloedzuigertje
De op 10 april 1791 in Amsterdam geboren Floris van Hall groeide niet bepaald eenzaam op. Zijn moeder baarde zes kinderen. Na haar dood schonk een tweede echtgenote zijn vader, de jurist en letterkundige Maurits Cornelis van Hall, er nog eens tien. Floris zelf zou minder vruchtbaar blijken. Hij bleef kinderloos. Ook al hertrouwde hij op zijn 62ste nog met een 26-jarige barones.
Niet al te veel afgeleid door familiebeslommeringen kon Van Hall zich dus aan zijn carrière wijden. Hij werkte dertig jaar op het advocatenkantoor van zijn vader in Amsterdam, waarbij hij vooral de belangen van handelshuizen en scheepvaartmaatschappijen behartigde. Maar de politiek trok. In de jaren dertig van de negentiende eeuw was hij actief in de Provinciale Staten van Holland. De bijziende jurist viel daar niet alleen op door zijn rijzige gestalte en rode gezicht, dat hem de spotnamen ‘de vampyr’ en ‘het bloedzuigertje’ bezorgde. Hij etaleerde ook een fikse dadendrang, enorme werklust en grote kennis van zaken.
Huzarenstukje
Vanwege alle capaciteiten van Van Hall was het niet zo vreemd dat hij in 1842 werd gevraagd minister van Justitie te worden. Zijn vader ontraadde hem de overgang naar de politiek, maar de eerzuchtige zoon nam afscheid als deken der Orde van Advocaten in Amsterdam en verhuisde naar Den Haag, ‘in de hoop het rechtswezen van Nederland van nut te kunnen zijn’.
Hij bekleedde het ambt twee jaar om vervolgens vier jaar lang als minister van Financiën over de schatkist te waken. Hij deed dat handig. Zijn huzarenstukje was een ‘vrijwillige lening’ waarmee hij de staatsfinanciën saneerde. De overheid kampte met een schuld van maar liefst 2.200 miljoen gulden, waardoor de minister zich verplicht zag burgers aan te sporen geld te lenen aan de staat. In theorie op vrijwillige basis, maar in de praktijk dreigde Van Hall met een extra belasting op het vermogen. De stok achter de deur werkte. Ook al werd er, zowel binnen als buiten het parlement, steen en been geklaagd over de maatregel. De term ‘Alva’s penningen’ viel zelfs, een verwijzing naar de beruchte belastingmaatregel van de hertog van Alva in 1569.
Antipaaps
Als minister behoorde Van Hall tot het ancien régime, tot de bestuurdersklasse van voor de revolutionaire veranderingen van 1848. Maar omdat hij altijd geopereerd leek te hebben vanuit vrijzinnige beginselen en oog had voor de noodzaak van politieke vernieuwing, was zijn rol niet uitgespeeld na de herziening van de Grondwet. Sterker nog: in 1853 deed de Koning een beroep op het lid van de Tweede Kamer om Johan Rudolf Thorbecke op te volgen als voorzitter van de ministerraad.
De grote liberaal was in ernstige problemen geraakt door de Aprilbeweging. Het ging hier om het verzet van conservatieve protestanten tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853, waardoor de katholieken zich probeerden te ontworstelen aan het calvinistische juk. De Koning had wel begrip voor de antipaapse sentimenten, maar Thorbecke hechtte meer waarde aan de vrijheid van godsdienst en ruimde het veld. Van Hall mocht laten zien wat hij waard was in het hoogste politiek ambt.
Ruggengraat
Wat deed Van Hall om de boze protestanten tegemoet te komen? Niet zo heel veel. Hij stuurde een missie naar Rome om, zonder enige kans van slagen, het Vaticaan te bewegen tot een heroverweging van de kerkelijke indeling van Nederland. Verder wachtte hij, wel met succes, tot de protestantse woede bedaarde.
Als premier bewerkstelligde Van Hall sowieso niet zo heel veel. Hij was in de loop der tijd steeds conservatiever geworden en moest niets hebben van volkssoevereiniteit. Maar hij moest wel opboksen tegen een liberale tijdgeest en een kritische en gezaghebbende Thorbecke in de Tweede Kamer. Deze wond zich erg over het gebrek aan ruggengraat van Van Hall, die mede door de liberale aanvallen – niet ten onrechte – het imago kreeg van een gladakker.
Titel
Zijn grootste prestatie boekte Van Hall in de jaren vijftig in de buitenlandse politiek. Als minister van Buitenlandse Zaken, een functie die hij combineerde met het voorzitterschap van de ministerraad, wist hij Nederland buiten de Krimoorlog (1853-1856) te houden. Wat van groot belang was voor een land dat zo afhankelijk was van handel en scheepvaart. De blije koning Willem III verleende hem in 1856 als dank de titel van baron.
In datzelfde jaar trad Van Hall terug als premier. Hij kreeg steeds meer last van de liberale druk in de volksvertegenwoordiging en daarbuiten en verschilde geregeld van mening met de vorst, onder meer over het onderwijs. Als Kamerlid zou hij zich daarna vooral bezighouden met koloniale zaken.
Bravoure
In februari 1860 kreeg de toen al 68-jarige Van Hall een herkansing: hij werd opnieuw voorzitter van de ministerraad. Het belangrijkste wapenfeit van zijn nieuwe periode als premier lag op het terrein van het vervoer. Hij bracht de Wet tot aanleg van spoorwegen voor rekening van de Staat tot stand. De maatregel droeg ertoe bij dat overal in het land spoorwegen werden aangelegd.
Lang zou het tweede premierschap niet duren. De ministers hadden genoeg van het tamelijk autoritaire optreden van Van Hall en weigerden zijn voorzitterschap te verlengen. Verontwaardigd stapte hij op. ‘Hem was een zekere seniele bravoure niet vreemd,’ zou zijn biograaf schrijven.
Nog vijf jaar wijdde Van Hall zich aan historische studies. Toen zijn gezondheid achteruit ging, verzorgde zijn jonge vrouw hem liefdevol. Nadat hij op 28 maart 1866 was overleden, werd de even gerenommeerde als omstreden staatsman in alle eenvoud begraven in Den Haag.
Bestel nu de Speciale Editie Premier van Elsevier - met daarin de biografieën van alle naoorlogse premiers - voor slechts 8 euro (inclusief verzendkosten).