Artikel

dossiers

Thorbecke, de belangrijkste van allemaal

door Gerry van der List 4 sep 2008

Johan Rudolph Thorbecke
Johan Rudolph Thorbecke

De derde in de serie Alle Nederlandse Premiers: Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872)

Johan Rudolph Thorbecke werd, als kind van een tabakshandelaar, op 14 januari 1798 in Zwolle geboren. Ongetwijfeld tot vreugde van Frederik Willem en Christina Regina Thorbecke toonde hun zoon zich een vlijtige en voorbeeldige jongen. Hij was intelligent en leergierig, en kon door de opofferingen van zijn, zeker niet rijke, ouders een behoorlijke opleiding volgen.

Na in Leiden in de klassieke letteren gepromoveerd te zijn, reisde Thorbecke met een beurs naar Duitsland. De vier ‘Wanderjahre’ die hij in het geboorteland van zijn moeder doorbracht, zouden belangrijk zijn voor zijn geestelijke ontwikkeling. Hij maakte daar kennis met het zogeheten historisme. Daaraan ontleende hij de visie dat de maatschappelijke ontwikkelingsgang een continu proces van verandering is. Het gaat erom de sociale trends te onderkennen, de ‘tijdgeest’ te doorgronden, zodat kan worden gehandeld in overeenstemming met de ‘wil’ van de geschiedenis.          

Zoet hartje
In Duitsland leerde Thorbecke ook Adelheid Solger kennen,  de vrouw die hij in 1836 zou huwen. In zijn vele brieven aan haar sprak hij haar aan met ‘mijn wangetje’ en noemde hij haar zijn ‘allerliefst madonnaatje’ en ‘zoet hartje’. De correspondentie van Thorbecke laat überhaupt weinig heel van het beeld dat de buitenwereld van hem had. Het beeld van de afstandelijke, soms nogal arrogante en kille wetenschapsman en politicus met de strakke plooi in het gelaat.

Kenmerkend voor Thorbecke was wel dat hij een heftig gevoelsleven aan een koel verstand wist te onderwerpen. Zijn studenten in Leiden, waar hij in 1831 hoogleraar werd, kenden hem als een afstandelijke, analytische geest. Een van hem omschreef hem als een mager, stijf, zorgvuldig gekleed Hollands heertje dat zeer afgezonderd leefde en het grootste deel van de tijd op zijn studeerkamer doorbracht.

In de jaren dertig, de periode waarin hij zich binnen de veilige muren van de universiteit aan de wetenschap wijdde, ontwikkelde ‘Thor’ geleidelijk een sterkere belangstelling voor de praktische politiek. Hij ging ook steeds meer twijfels koesteren over de juistheid van de autocratische, centralistische politiek van koning Willem I, van wie hij tot dan toe een loyaal aanhanger was geweest.

Slapend woud
Thorbecke raakte overtuigd van de noodzaak van aanpassingen van het politieke bestel. Niet zozeer omdat hij de oude orde als volstrekt verwerpelijk was gaan beschouwen en het beginsel van de volkssoevereiniteit had aanvaard, maar omdat hij de waardevolle elementen uit de vaderlandse traditie hoopte te kunnen beschermen tegen revolutionaire dadendrang. Hij wilde, in de woorden van een Ierse gelijkgezinde, de grondlegger van het conservatisme, Edmund Burke, ‘preserve by changing’, in stand houden door veranderingen toe te laten.

De groeiende hervormingsgezindheid van de liberaal Thorbecke en zijn toenemende afkeer van de zijns inziens bekrompen status quo politiek kwamen goed naar voren in een aantal geschriften die hij publiceerde vanaf 1839, het verschijningsjaar van zijn Aanteekening op de grondwet - een oproep tot constitutionele hervorming in de vorm van een behoedzaam geformuleerd wetscommentaar, vanwege zijn uitwerking ooit getypeerd als ‘een schot in een slapend woud’. Het hoogtepunt van de reeks was de historische schets Over het hedendaagsch staatsburgerschap (1844), een voordracht waarin hij verkondigde dat invoering van het algemene kiesrecht in de nabije toekomst onontkoombaar is.

In het jaar dat hij zijn rede over het staatsburgerschap hield, werd hij door de kiezers van de provincie Zuid-Holland naar de Tweede Kamer afgevaardigd: de professor werd politicus. 

Energiek
Als volksvertegenwoordiger ging hij energiek van start door een voorstel tot een diepgaande wijziging van de Grondwet in te dienen. Maar onder meer vanwege het wantrouwen dat zijn voortvarendheid bij de Koning opriep, mocht hij pas in 1849 ‘met de spade op de schouder’ in de regering aan het werk gaan. Als leider van drie kabinetten (1849-1853, 1862-1866 en 1871-1872) bleef hij hetzelfde ideaal houden: ‘een verband van elkaar wederkeerig beperkende organen, aangelegd om met vrijheid zamen te werken tot een wetgeving en een bestuur, die aan de eischen van een juist, regtvaardig, nationaal verstand beantwoorden.’

Van belang is het te komen tot een open samenleving, waarin de delen, zoals gemeenten en provincies, een zelfstandige kracht hebben en een eigen ontwikkeling kunnen doormaken, terwijl ze tegelijkertijd op een organische wijze met elkaar verbonden zijn. De wetten die Thorbecke in zijn eerste periode als minister van Binnenlandse Zaken doorvoerde, waren bedoeld om dit ideaal naderbij te brengen en hadden een grote invloed op de ontwikkeling van de Nederlandse staatsinrichting. Vooral de Provinciewet en de Gemeentewet, die lange tijd vrijwel ongewijzigd hebben voortbestaan.

Thorbeckofobie
De successen van halverwege de negentiende eeuw zou Thorbecke niet meer evenaren. Hij riep geleidelijk zo veel weerstanden op dat wel van een Thorbeckofobie werd gesproken. Velen vonden dat hij met zijn constitutionele hervormingen te ver was gegaan, en zijn koele, wat hooghartige houding wekte afkeer. Mensenkennis was niet zijn sterkste punt en hij slaagde er nauwelijks in anderen voor zich in te nemen.

Zijn autoritaire houding en zijn gebrek aan mensenkennis worden wel als redenen genoemd voor het feit dat zijn ministeries niet zo sterk bemand waren. Inderdaad stak Thorbecke met kop en schouders boven zijn medespelers uit; slechts een enkeling onder zijn collega’s had enig kaliber. Maar dit was niet alleen aan Johan Rudolph te wijten; de opstelling van de koning, die Thorbeckes hervormingen met scepsis bekeek en zijn stempel drukte op de samenstelling van ministeries, speelde ook mee.

Hoe groot de kloof was tussen de koning en Thorbecke, bleek in 1853 toen de katholieken een herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland wensten en een antipapistische beweging, de Aprilbeweging, ontstond. Kleine luiden, dominees en conservatieve notabelen betuigden hun steun aan ‘Koning en Vaderland’ en beschuldigden Thorbecke van roomse sympathieën, omdat hij zich, met het oog op de vrijheid van vereniging en de scheiding van kerk en staat, niet wilde bemoeien met de interne aangelegenheden van de kerk en de katholieke wensen honoreerde. Door het calvinistische verzet zag hij zich genoodzaakt zijn ontslag aan te bieden. Aan het eerste - en meest succesvolle - ministerie-Thorbecke kwam een einde.

Behoudzuchtig
Negen jaren van frustrerend oppositie voeren volgden totdat de rasbestuurder Thorbecke in 1862, op 64-jarige leeftijd, weer aan het hoofd van een kabinet kwam te staan. De relatie met de koning was nu iets beter, wat zeker te maken had met het feit dat de dadendrang van Thorbecke zich nu veeleer op economisch dan op politiek vlak manifesteerde.

Een probleem was wel dat hij steeds minder op de katholieken, die aanvankelijk samen met de liberalen voor vrijheid van kerkelijk leven en vrijheid van onderwijs hadden gestreden, als bondgenoten kon rekenen. Verder raakt het liberale kamp meer en meer verdeeld, wat tot uiting kwam bij de koloniale kwestie (waarover het tweede kabinet-Thorbecke viel), maar zeker ook bij het sociaal-economische beleid en het kiesrechtvraagstuk.

Een centrale rol in het denken en doen van Thorbecke heeft steeds de spanning tussen traditie en verandering gespeeld. Kreeg hij aan het begin van zijn politieke carrière het verwijt te veel overhoop te willen halen, aan het eind van zijn leven werd hij juist gekritiseerd vanwege het feit dat hij te weinig de noodzaak van sociale veranderingen besefte. Als volksvertegenwoordiger en bewindsman deed hij praktisch niets om de situatie van de armen te verbeteren. Een nalatigheid die hem verweten werd door de jong-liberalen die in de tweede helft van de negentiende eeuw opkwamen en in Thorbecke een behoudzuchtige vertegenwoordiger van de oude garde zagen.

Modernisering
Ondanks deze tegenwind aan het eind van zijn leven zou de architect van de Grondwet van 1848 de belangrijkste premier van Nederland blijven door zijn bijdrage aan de politieke modernisering. Verder kreeg Nederland onder hem de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, kwam de hogere burgerschool tot stand en werd de doodstraf afgeschaft (1870). Economisch dirigisme werd teruggedrongen, handelstarieven werden afgebroken, vrijhandel en economische mededinging wonnen snel terrein.

In december 1871 werd Thorbecke geveld door een ziekte waarvan hij niet meer zou herstellen. Op 4 juni 1872 stierf hij. Drie dagen later werd de grootste staatsman van de negentiende eeuw naast zijn ‘zoet hartje’, zijn vrouw Adelheid, begraven.

Lees ook het artikel van de historicus Jan Romein over Thorbecke uit Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift van september 1940 en uit Elsevier’s Geillustreerd Maandschrift van november 1940.

Bestel nu de Speciale Editie Premier van Elsevier - met daarin de biografieën van alle naoorlogse premiers - voor slechts 8 euro (inclusief verzendkosten).



Tags

zie ook

6 reacties

  • Nou nou nou, wat een mannetjesputter!

    Maar hij heeft het niet voor elkaar gekregen dat een sigaar naar hem werd vernoemd!

    Mijns inziens als niet-liberaal: een nogal overschatte persoonlijkheid.


  • Een blikje achter de schermen van het ontstaan van onze huidige regentendictatuur, die ons nochtans wordt opgedist als 'een vorm van democratie'.

  • @kelele en johan:
    Wat je nu afkamt als regentencultuur was in de tijd dat je per postkoets naar de gewesten moest reizen een heel goede vorm van staatsinrichting.
    In deze tijd waarin burgemeesters openlijk ongehoorzaam zijn aan het centrale bestuur in den Haag, waan je je terug in de middeleeuwen.
    Als je het anders wil, geef dan opbouwende kritiek, zoals elke oppositiepartij dat hoort te doen.
    Negatief mag soms leuk zijn, maar het is uiteindelijk vrij dom.

  • Simplistisch figuur, die Kelele. Denkt grappig te zijn over zaken waarvan hij de ballen verstand heeft.
    Neem hem zijn PC-tje af en hij sterft van verdriet.

  • Geschiedenis van de 19e eeuw is niet zo mijn ding. Op de HBS-B al. Ik ergerde me op de HBS-B in de 60-er jaren dat we toen zo weinig te horen kregen over mijns inziens toen al belangrijkste periode : 1914 – 1945. De jaren waarin mijn ouders geboren werden en mijn grootouders volwassenen waren. Dat wilde ik weten! Met alle respect tegenover de Geschiedenis voor 1914. Persoonlijk heb ik die periode wel ingehaald.

    Ik ben uitdrukkelijk geen liberaal! Maar heb wel dergelijke denkbeelden. Ik ben één van de weinige nationalisten in Nederland. Ik moet mij verontschuldigingen tegenover de reagerenden hier en vooral tegenover Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872).

    Het is dat ik Fortuyn een iets grotere Nederlander vond bij die verkiezing die ik niet uitgezeten heb (wat verveelt de TV toch vaak!), maar Thorbecke is toch groter, nadat ik dingen over hem ben gaan lezen. Thorbecke is zelfs groter dan Willem van Oranje ..... .....

    Daarom hulde aan Elsevier om hem hier over het voetlicht te brengen.