Jacob van Zuylen van Nijevelt
De zevende in de serie Alle Nederlandse Premiers: Jacob van Zuylen van Nijevelt (1816-1890)
Je vrouw verliezen, trouwen met haar zus, die ook verliezen en vervolgens een nieuwe liefde vinden, deze bijzondere gang van zaken associëren we vooral met Hans Wiegel. Maar hetzelfde overkwam in de negentiende eeuw al een vooraanstaande Nederlandse politicus: Jacob van Zuylen van Nijevelt (1816-1890).
De derde echtverbintenis van de baron uit het adellijke geslacht was politiek in ieder geval de belangrijkste.
Na de dood van Françoise Schas (1851) en Jacoba Schas (1854) trad hij in 1857 namelijk in het huwelijk met de dochter van Jan Jacob Rochussen. Hierdoor raakte Van Zuylen van Nijevelt onder de invloed van de ideeën van de behoudende oud-premier. En ontwikkelde hij zich geleidelijk van liberaal tot conservatief. Wat mede tot uitdrukking zou komen in de korte periode in 1861 waarin hij als voorzitter van de ministerraad fungeerde.
Sierlijk
Toen Jacobus Pieter Pompejus baron van Zuylen van Nijevelt op 28 juni 1816 in Dordrecht werd geboren, was zijn vader al dood. Daarom mocht hij zich al jong heer noemen van de Ehze, een kasteel bij Almen in de Achterhoek. Zijn familie, oorspronkelijk afkomstig uit Zwolle, leek gespecialiseerd in het leveren van bekwame bestuurders: wethouders, hoge ambtenaren, ministers.
Een studie rechten lag gezien deze achtergrond zeer voor de hand. Van Zuylen verdiepte zich in Utrecht in de juristerij en promoveerde in 1840. Als grondbezitter hoefde hij zich geen zorgen te maken om zijn inkomsten en had hij alle gelegenheid zich in de politiek te verdiepen. In 1850 vaardigde het kiesdistrict Ruurlo hem als volksvertegenwoordiger af naar de Tweede Kamer. Hij maakte daar naam als ‘sierlijk spreker’ en als liberaal. De jonge baron toonde zich een medestander van de hervormingsgezinde Johan Rudolph Thorbecke.
Gekrakeel
Van Zuylen maakte een dermate goede indruk op Thorbecke dat hij in 1852 mocht toetreden tot diens regering als minister van Buitenlandse Zaken. Het ministerschap duurde slechts iets meer dan een half jaar en werd overschaduwd door gekrakeel rond het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. Met goedkeuring van de paus werd in 1853 de Nederlandse kerkprovincie heropgericht.
Vijf bisdommen ontstonden, die onder leiding kwamen te staan van een bisschop; in Utrecht ging de aartsbisschop zetelen.
Woedende protestanten verenigden zich in de Aprilbeweging om actie te voeren tegen deze roomse revival. Het kabinet onder leiding van Thorbecke besloot zich, met een verwijzing naar de beginselen van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van vereniging, niet met de kwestie te bemoeien, wat de protestantse wrevel alleen maar vergrootte.
Van Zuylen met name kreeg het verwijt dat hij geen informatie had verstrekt over de plannen van het Vaticaan. Maar de minister waste in de Tweede Kamer met recht zijn handen in onschuld. De internuntius, de gezant van paus Pius IX, had verzuimd de Nederlandse regering op de hoogte te stellen. Toch zag het kabinet-Thorbecke zich door het calvinistische, fel antiroomse verzet genoodzaakt zijn ontslag in te dienen.
Aanvaring
Enigszins verbitterd keerde Van Zuylen terug naar de Tweede Kamer, nu namens het kiesdistrict Zwolle. Vooral na zijn huwelijk met de dochter van Rochussen distantieerde hij zich steeds meer van Thorbecke. ‘Pompejus’ van Zuylen, een naam die hij kreeg toebedeeld om hem te onderscheiden van zijn neef Julius die het ook tot premier zou schoppen, was bijvoorbeeld net als zijn schoonvader overtuigd van nut en noodzaak van een streng koloniaal beleid.
Dit standpunt van Van Zuylen mag de verhoudingen in zijn familie goed hebben gedaan, in de politiek leidde het tot conflicten. Zeker toen hij op 14 maart 1861 opnieuw minister van Buitenlandse Zaken werd in een kabinet dat zijn naam droeg. De, in het parlement en de samenleving weinig populaire, regeringsploeg is de geschiedenisboeken ingegaan als ‘gematigd liberaal’, maar de regeringsleider was al lang van het liberale pad afgeweken. Daarom kwam hij in aanvaring met onder anderen mr. James Loudon, de liberale minister van Koloniën.
Doodsteek
Die aanvaring zou al snel zijn ondergang inluiden. De minister-president wees, achter de rug van Loudon om, de buitenlandse posten op de wenselijkheid van een conservatief koloniaal beleid. Niet erg collegiaal, niet erg handig. Zeker niet omdat de koning de zijde van Loudon koos.
Op 9 november 1861, nog geen acht maanden na zijn aantreden, was Van Zuylen weer ambteloos burger. ‘Nooit welligt heeft iemand zich vlugger en handiger van het leven beroofd dan deze politieke zelfmoordenaar; al zijne wapenen had hij als met opzet tegen zich zelven gekeerd: hij had zich reeds den doodsteek gegeven nog eer de hand des vijands was opgeheven om hem te verslaan,’ zei een tijdgenoot.
De politieke rol van de baron was daarna nog niet uitgespeeld. Zelfs was er enige tijd sprake van een naar hem genoemde politieke stroming: de Zuylianen. Het ging om leden van de volksvertegenwoordiging die een afkeer hadden van het liberalisme, maar zich ook niet – helemaal – konden vinden in het antirevolutionaire geluid van Guillaume Groen van Prinsterer. De conservatieve ruggengraat van deze kleine parlementaire beweging vormde Van Zuylen en zijn schoonvader, Rochussen. Maar terwijl de antirevolutionairen grote invloed uitoefenden en in 1879 de eerste Nederlandse politieke partij oprichtten, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), verdampten de Zuylianen.
Plichtsbetrachting
De naamgever verhuisde in 1867 naar Parijs, waar hij achttien jaar Nederland vertegenwoordigde als gevolmachtigd minister. Hij vervulde de functie met grote plichtsbetrachting. Tijdens het beleg van Parijs door de Pruisen in 1870-1871 bleef hij, anders dan veel andere leden van het corps diplomatique, netjes op zijn post om de belangen van zijn landgenoten te behartigen. Zijn echtgenote stond hem bij waar het kon. Zo zette zij zich in voor gewonden tijdens de Pruisische belegering, volgens een krant ‘met engelachtige liefdadigheid’.
In 1885 keerde het echtpaar terug naar het vaderland. Vier jaar later kreeg Van Zuylen van Nijevelt, die toen voor de provincie Gelderland, tamelijk zwijgzaam, in de Eerste Kamer zat, tot zijn grote genoegen de eretitel ‘minister van Staat’. Maar in het najaar van 1889 overleed zijn geliefde vrouw. Van Zuylen zou haar niet lang overleven. Een jaar later stierf hij en werd hij, naast zijn echtgenote, bijgezet in een grafkelder op de algemene begraafplaats van Almen-Harfsen in Gelderland.
Bestel nu de Speciale Editie Premier van Elsevier - met daarin de biografieën van alle naoorlogse premiers - voor slechts 8 euro (inclusief verzendkosten).