dossiers

Pieter Philip van Bosse, machtige boekhouder

GerryList door Gerry van der List

De elfde in de serie Alle Nederlandse Premiers: mr. Pieter Philip van Bosse (1809-1879)

Bij zijn collega’s is hij meestal niet heel populair. Een minister van Financiën wordt geacht streng op de uitgaven van de overheid te letten en zijn professionele zuinigheid vormt vaak een obstakel voor de realisering van alle mooie plannen van de andere bewindslieden.

Maar als hij zijn werk goed doet, kan de minister van Financiën een belangrijke politieke rol spelen en respect afdwingen bij de bevolking. Die ziet meestal wel het nut in van een strenge, degelijke boekhouder. Zo’n boekhouder was mr. Pieter Philip van Bosse. Grotendeels vergeten door latere generaties, maar in de schaduw van Johan Rudolf Thorbecke een architect van de economische liberalisering van Nederland.

Glorieperioden
Thuis werd bij de op 16 december 1809 in Amsterdam geboren Pieter Philip ongetwijfeld al over geld gesproken. Zijn vader was namelijk makelaar in assurantiën. Een makkelijke jeugd was het niet. Drie kinderen uit het gezin overleden erg jong en vader stierf toen Pieter pas elf was. Gelukkig toonde zijn echtgenote zich een sterke moeder en goede zakenvrouw, die de makelaarsfirma met succes overnam.
Pieter bleek een slimme, ijverige jongeman die snel carrière maakte. Het Atheneum Illustre in Amsterdam, een studie Romeins en hedendaags recht in Leiden, een promotie in 1834. Daarna vestigde hij zich als advocaat in Amsterdam, om in 1845 door minister F.A. van Hall benoemd te worden op het departement waar hij zijn glorieperioden zou beleven. Drie jaar was hij ambtenaar: hoofd afdeling in- en uitvoerrechten. Maar op 3 juni 1848 mocht hij Financiën als minister gaan leiden, een functie die hem daarna nog vijf keer werd toebedeeld.

Onvermogen
In 1848 wilde Van Bosse meteen al een beperkte inkomstenbelasting invoeren. Maar de politieke steun ontbrak. Pas de wind in de zeilen kreeg hij toen misschien wel het vruchtbaarste kabinet uit de vaderlandse geschiedenis aantrad, het ministerie-Thorbecke, dat van 1849 tot 1853 Nederland politiek en economisch bij de tijd probeerde te brengen.

Met de hervorming van de belastingen wilde het nog niet lukken. Accijnzen leverden het overgrote deel van de belastingopbrengsten en deze troffen vooral de sociaal zwakkeren. Een vermogens- of inkomstenbelasting was onbekend en tot in de jaren negentig van de negentiende eeuw zou iedere poging falen om kapitaal of rente te belasten, schreef P.J. Oud in zijn staatkundige standaardwerk Honderd jaren. ‘Hier zal de liberale partij gedurende meer dan veertig jaren van een volslagen onvermogen blijk geven.’

Schipperen
Maar op andere terreinen was Van Bosse een stuk succesvoller. Als overtuigd voorstander van vrijhandel schafte hij de rechten van doorvoer af en staakte hij de heffing van scheepvaartrechten op de Rijn en IJssel. Hij ging verder met de begonnen hervorming van het muntwezen door de zilveren standaard in te voeren: het ratjetoe van munten maakte plaats voor een overzichtelijk stelsel van stuivers, dubbeltjes, kwartjes, halve guldens en rijksdaalders.

En de minister reorganiseerde het postwezen door invoering van een Postwet, waarbij de staat een monopoliepositie kreeg. Ook werd de postzegel geïntroduceerd, maar het gebruik daarvan was ‘in geen geval verplichtend’. Tot ergernis van liberale kamerleden, die opkwamen voor de belangen van hun achterban. Zakenlieden en handelaren moesten port betalen voor ongevraagd toegezonden post en personeel inhuren om in de rij te staan bij het postkantoor om de zaken af te handelen. Steeds moest Van Bosse schipperen en compromissen sluiten, omdat de conservatieven in de Tweede Kamer afkerig waren van innovaties.

Teerhartig
Van Bosse en Thorbecke waren bondgenoten in hun streven naar liberale hervormingen. Maar hun verstandhouding was niet warm. De minister van Financiën ergerde zich, zoals zovelen, aan de hooghartigheid van de grote liberale voorman. In zijn dagboek zou Van Bosse in 1873 spreken over ‘Thorbeckes despotisme, dat vele liberalen van oorsprong naar het conservatieve kamp joeg. (…) Hij kon niet dulden, dat iemand naast hem stond. Hij en hij alleen: praeter me nihil.’

Van Bosse had ook een heel ander karakter. Gevoelig van aard, een lieve huisvader, weldadig, teerhartig, zoals althans zijn vriend J.L. de Bruyn Kops beweerde. Minder onwrikbaar en koppig dan Thorbecke in ieder geval. De val van het kabinet-Thorbecke in 1853, door toedoen van protestantse Aprilbeweging, was niettemin een harde klap voor hem. Zijn hervormingsarbeid kwam abrupt tot een eind. Vijf jaar lang zou hij in de Tweede Kamer, voor het kiesdistrict Rotterdam, oppositie voeren. Hij bleef aandringen op aanpassingen van het belastingstelsel en waarschuwde voor te hoge overheidsuitgaven, gebaseerd op onzekere inkomsten uit Indië. Ook als volksvertegenwoordiger waakte Van Bosse over de schatkist.

Vooruitgang
Tot zijn vreugde kon Van Bosse nog een paar maal aan de slag als minister van Financiën. Bijvoorbeeld in de periode van 1858 tot februari 1860, toen hij onder meer de Wet inzake successie en opvolging invoerde. Voor de ‘doodbelasting’, waarbij de overheid een deel(tje) inpikt van de erfenis van een overledene, was dus een liberaal verantwoordelijk.

Maar het interessantst in dit verband zijn de jaren van 1868 tot en met 1871. Toen combineerde Van Bosse namelijk het ministerschap op Financiën met het premierschap. De grondlegger van het kabinet, Thorbecke, was in de Tweede Kamer gebleven. Tot ongenoegen van de oppositie, die meende dat de formateur de eigenlijke leider van het kabinet was en daarom ook de regering had moet leiden. Maar Van Bosse legde uit dat niemand anders dan hijzelf het hoofd van het kabinet was, een kabinet dat een progressieve koers wilde varen: ‘Onze richting is bepaaldelijk ene richting van vooruitgang.’

Dagbladzegel
Als premier hamerde Van Bosse weer op het belang van financiële soliditeit. Belastingen mochten niet worden afgeschaft zonder compensatie en de begroting mocht slechts verruimd worden als duidelijk de middelen tot dekking werden aangewezen.

Op wetgevend gebied bracht de ploeg van Van Bosse aardig wat tot stand. Zo kwam er een Wet op de grondbelasting en werd de doodstraf afgeschaft. Belangrijk was verder de afschaffing van het dagbladzegel, het ‘zegelrecht op gedrukte stukken en advertentiën in nieuwspapieren’. Door het verdwijnen van deze belasting kregen dagbladen een sterke stimulans. Het verzet van koning Willem III tegen deze maatregel sorteerde geen effect.

Maar toen vier van de zeven ministers in het kabinet aan het eind van 1870 er om uiteenlopende redenen de brui aan gaven, was de koek vrij plotseling op. Van Bosse zag zich genoodzaakt terug te treden als premier.

Onvermoeid
Als beloning voor zijn politieke inspanningen werd Van Bosse in 1872 tot minister van Staat benoemd. Maar het bleef niet bij deze eretitel. Op 68-jarige leeftijd kreeg hij het verzoek opnieuw minister te worden, nu van Koloniën. Tot zijn eigen verbazing. ‘Het ging mij gisteren als het oude cavaleriepaard dat de trompet hoort, dat dan de ooren opsteekt en denkt nog eens een rit mee te doen.’

De laatste rit verliep helaas niet voorspoedig. Door de strijd in Atjeh, door verschillen van mening in het kabinet en het parlement over Indië en door een slechte relatie met de gouverneur-generaal in de kolonie wist Van Bosse weinig te bewerkstelligen.

Pieter van Bosse stierf in het harnas, als minister, op 21 februari 1879. Hij was een man van vele talenten, schreef het tijdschrift Eigen Haard na zijn dood: ‘Vooral in zijne onvermoeide werkzaamheid is hij door weinigen geëvenaard; en hij heeft daarin volhard tot in de laatste dagen van zijn leven.’

Bestel nu de Speciale Editie Premier van Elsevier - met daarin de biografieën van alle naoorlogse premiers - voor slechts 8 euro (inclusief verzendkosten).



Pieter Philip van Bosse, machtige boekhouder

Gerry van der List

Gerry van der List (1961) schrijft over geestelijk leven, cultuur, sport en politiek.

Volg Gerry van der List

Tags

zie ook

0 reacties