Mr. Gerrit Abrahamszoon de Vries
De twaalfde in de serie Alle Nederlandse Premiers: Mr. Gerrit Abrahamszoon de Vries
‘Nog nooit van gehoord,’ dat is een tamelijk gebruikelijke reactie op de portretten van Nederlandse premiers op deze website. Veel minister-presidenten blijken geheel in vergetelheid geraakt. Van Thorbecke weet de - ontwikkelde - Nederlander uiteraard wel iets, maar namen als Schelte van Heemstra en Justinus van der Brugghen doen geen enkele bel rinkelen.
Dat geldt zeker voor de man wiens naam alleen al weinig tot de verbeelding spreekt: Gerrit de Vries Azn (Abrahamszoon). Veel tot stand wist de gerespecteerde liberale jurist ook niet te brengen in de nationale politiek, ondanks al zijn capaciteiten. Als premier was hij een goede man op de verkeerde plek.
Toegewijd
Van alle leerlingen van Johan Rudolph Thorbecke was mr. Gerrit Abrahamszoon de Vries misschien wel de meest toegewijde. Hij werd geboren op 22 februari 1818 in Haarlem. Hij was de zoon van een doopsgezinde predikant en had twee slimme broers, die later vooraanstaande hoogleraren zouden worden.
Gerrit zelf had zeker ook wetenschappelijke kwaliteiten. Hij promoveerde summa cum laude, na het gymnasium in Haarlem en de studie rechten in Leiden te hebben gevolgd. Maar De Vries was meer een man van de praktijk. Hij werd eerst advocaat in Haarlem, later procureur in dezelfde stad. Wel vond hij daarnaast de tijd boeken te schrijven waarin hij het gedachtegoed van Thorbecke probeerde te concretiseren. De liberaal had als hoogleraar in Leiden een onvergetelijke indruk op de jonge jurist gemaakt en zou hem de rest van zijn leven blijven inspireren.
Geluk
Twee grote studies zou De Vries publiceren. In 1846 verscheen van zijn hand ‘De wetgevende Magt der plaatselijke besturen’ en in 1865 ‘De zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland’. Niet bijzonder smeuïge onderwerpen inderdaad, maar ideale thema’s voor de ordelievende geest van een volbloed jurist. Met de waterschappen had hij zich ook in de praktijk beziggehouden. Van 1853 tot 1858 was hij als lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland voornamelijk belast met waterstaat.
Degelijkheid en betrouwbaarheid (en saaiheid) demonstreerde De Vries eveneens in zijn privé-leven. In 1847 was hij getrouwd met de hoogleraarsdochter Maria Everdina Reuvens. Samen zouden ze drie zoons en een dochter opvoeden. ‘Dit huwelijk, waarvan hij de gouden bruiloft nog mocht vieren,’ zo noteerde de bekende historicus H.P.Q. Quack in een van de weinige geschreven portretten van De Vries, ‘is voor hem een bron van steeds opwellend geluk geweest. De huiselijke haard was voor hem altijd de bekoring en warmte van het leven.’
Kalmte
Thorbecke bleef zijn pupil goed in de gaten houden. Hij haalde De Vries in 1862 naar de Raad van State en probeerde hem te interesseren voor een overstap naar de politiek. Maar de uitgesproken jurist en bestuurder weigerde drie keer het aanbod van het ministerschap.
Toen hij in februari 1866 het verzoek kreeg toe te treden tot de regering, schreef hij aan zijn broer: ‘Ook ben ik mijzelven bewust niet genoeg kalmte van geest te hebben, om bij alle beleedigingen die men gewoon is den ministers aan te doen, bedaard te blijven, en altijd die waardige houding in acht te nemen die van ’s konings ministers mag gewacht worden.’ Pas in 1872 zou De Vries voor de druk en de verleiding bezwijken. Toen ging hij een kabinet leiden dat zeer moeilijke tijden zou beleven.
Verwarring
Een dag voordat het kabinet van De Vries van start ging, kwam, op 4 juli 1872, Thorbecke te overlijden. De grote staatsman, die al een tijd met gezondheidsproblemen kampte, liet het liberale volksdeel in verwarring achter. De halve eeuw daarvoor waren de liberalen de drijvende kracht geweest achter de politieke modernisering van Nederland, maar zij raakten steeds meer verdeeld over allerlei kwesties.
Vooral het sociale vraagstuk leidde tot een scheiding der geesten. Er ontwikkelde zich een sociaal-liberale stroming, die vond dat Thorbecke te weinig oog had voor de noden van de maatschappelijk zwakkeren en wilde dat de overheid krachtiger ingreep in het vrije spel der maatschappelijke krachten. Het was een bijna onmogelijke opgave de liberalen bij elkaar te houden. Zeker voor de wat technocratische De Vries, veeleer een bestuurder dan een politicus.
Lijdensweg
Zelfs sympathisanten van De Vries moeten het erkennen: zijn kabinet kende vooral mislukkingen. Het heeft, zo schreef P.J. Oud in zijn staatkundige standaardwerk ‘Honderd jaren’, ‘ten gevolge van de verdeeldheid in de liberale gelederen eigenlijk van den eersten dag af een lijdensweg moeten gaan’. Op kleine succesjes kon het wel bogen. Het voerde een tariefwet in voor Indië, alsmede de Vestingwet, waarmee de Nederlandse defensie versterkt kon worden door de bouw van een aantal verdedigingswerken. En er was de, weliswaar door de Tweede Kamer geamendeerde, Wet op besmettelijke ziekten, die inenting tegen pokken verplichtte.
Maar een pijnlijke mislukking vormde het streven van minister van Binnenlandse Zaken J.H. Geertsema het kiesrecht uit te breiden. In die tijd moesten kiezers een bepaald bedrag aan belasting, de zogeheten census, betalen om een stem uit te mogen brengen bij verkiezingen. Het kabinet wilde deze census verlagen, maar na uitvoerige discussies in de Tweede Kamer bleek een meerderheid daar toch niet voor te voelen.
Tegenslagen
Verder probeerde het kabinet het leger te hervormen door de mogelijkheid te schrappen een plaatsvervanger in militaire dienst te laten gaan. De Vries, die het voorzitterschap van de ministerraad combineerde met het ministerschap van Justitie, zag zelf een wetsvoorstel over de organisatie van de rechterlijke macht getorpedeerd in het parlement.
Even leek het erop dat door al deze tegenslagen het kabinet er in de zomer van 1873 al de brui aangaf. Maar een alternatieve regeringsploeg liet zich niet formeren. Het kabinet zwoegde verder, alleen de minister van Oorlog stapte op. Het bleek uitstel van executie. Een jaar later, in juni 1874, bezweek het kabinet onder zijn eigen krachteloosheid.
Nuchter
Vijf jaar later leek De Vries weer een politieke rol van betekenis te gaan spelen. Hij had anderhalf jaar, namens het kiesdistrict Amsterdam, in de Tweede Kamer gezeten, om in april 1877 terug te keren naar de Raad van State. Maar in de zomer van 1879 mocht hij proberen een kabinet te formeren. De poging mislukte jammerlijk.
Voor de ijverige De Vries betekende dit geen eind aan zijn inzet voor de publieke zaak. Hij werd bijvoorbeeld nog lid van een belangrijke staatscommissie die zich boog over een herziening van de Grondwet, en was voorzitter van de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving. En tot zijn dood, op 4 maart 1900, maakte hij deel uit van de Raad van State. Hij deed denken, schreef H.P.G. Quack, aan zo’n eenvoudig ogende regent op een oud schilderij: ‘echt Hollandsch, dood nuchter, klein achtbaar (zoals Hooft ’t noemde), maar vol ingehouden kracht.’
Bestel nu de Speciale Editie Premier van Elsevier - met daarin de biografieën van alle naoorlogse premiers - voor slechts 8 euro (inclusief verzendkosten).