Oud-premiers

Oud-premiers

Wie zijn de oud-premiers van Nederland en welke politieke partijen representeerden zij? Lees hier alles over de oud-premiers.

Terug naar dossier

Artikel

dossiers

Theo de Meester, bewaker van liberaal kraakporselein

door Gerry van der List 29 jun 2010

Theo de Meester, bewaker van liberaal kraakporselein

De eenentwintigste in de serie Alle Nederlandse Premiers: Theodoor Herman de Meester (1851-1919)

Soms zijn verkiezingsuitslagen zo complex dat het een haast onmogelijke opgave lijkt om een goed functionerende regering te vormen. Dat was bijvoorbeeld het geval in 1905. Na het weinig doortastende beleid van het kabinet-Kuyper hadden de christelijke partijen een nederlaag geleden zonder dat de liberalen een meerderheid in de Tweede Kamer hadden heroverd.

Het was een hoop gepieker, gepeins en gepuzzel voor formateur Hendrik Goeman Borgesius om een kabinet samen te stellen en een vooraanstaande politicus te vinden die aan het hoofd wilde staan. Uiteindelijk strikte hij een politiek geheel onbekende ambtenaar voor de lastige klus. Theo de Meester werd premier van ‘het kabinet van kraakporselein’, een historisch geworden aanduiding van het breekbare karakter van de nieuwe regering.

Bescheiden
Theo Herman de Meester wordt op 16 december 1851 geboren in Harderwijk als zoon van de burgemeester. Zijn vader komt te overlijden wanneer Theo pas twaalf is. Het gezin verliest flink aan inkomen en status door het wegvallen van de kostwinner. Moeder De Meester, die kampt met migraine, ziet zich gedwongen een paar keer te verhuizen en vestigt zich in respectievelijk Zeist, Wageningen en Voorst.

Ondanks de financiële problemen in huize De Meester kan Theo gewoon gaan studeren. Hij kiest voor rechten in Utrecht. In een herdenkingsartikel zal P. Rink, een vooraanstaande liberaal, later over de student schrijven: ‘In verband met zijn bescheiden aard, trad hij te Utrecht niet bizonder op den voorgrond, maar allen kenden hem en hij was algemeen bemind en geacht. Ik geloof niet, dat hij één vijand had.’

Ambtenaar
Of het komt door de onzekere omstandigheden in zijn jonge jaren of niet, De Meester kiest voor een relatief veilige en overzichtelijke loopbaan als ambtenaar. Kort nadat hij cum laude is gepromoveerd in de rechten, krijgt hij in 1875 een aanstelling als adjunct-commies bij de provinciale griffie in Zwolle.

Twaalf jaar later wordt hij secretaris van de gemeente Groningen om in 1892 te gaan werken bij het ministerie van Financiën in Den Haag. Zijn financieel-economische kennis is groot. In tegenstelling tot zijn vader, die deel uitmaakte van de liberale groepering in de Tweede Kamer, toont hij geen politieke ambities.

Opschudding
Het ligt niet voor de hand dat de bekwame, onopvallende bureaucraat De Meester nog eens voor opschudding zal zorgen. Toch gebeurt dit in 1898. Dan wordt hij, vanwege zijn financiële expertise, benoemd tot vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië. De ambtenaren in Indië zijn allesbehalve blij met de komst van De Meester, die geheel onbekend met en in de Nederlandse kolonie is.

Plichtsgetrouw verkast De Meester naar de Oost. Hij zet zich in voor een grotere financiële zelfstandigheid van Indië, maar maakt verder geen grote indruk. Hij is en blijft een vreemde eend in de bijt. Bovendien kampt hij met gezondheidsproblemen die hem voor een verlof terugvoeren naar Nederland. Hier hoopt hij eigenlijk te blijven, maar tot zijn schrik verlangen zijn superieuren een terugkeer naar Batavia. Gelukkig biedt Hendrik Goeman Borgesius een ontsnappingsroute.

Verdeeld
Borgesius is de leider van de Liberale Unie (LU). Deze in 1885 opgerichte politieke partij moet de liberalen verenigen. Maar dat gaat niet eenvoudig. De discussie over de uitbreiding van het kiesrecht leidt tot de uittreding van de zogeheten Vrije Liberalen, behoudende figuren die menen dat de Unie te hard van stapel loopt. Progressieve liberalen klagen juist weer over het conservatieve karakter van de partij en vormen in 1901 de Vrijzinnig Democratische Bond  (VDB).

Het is de taak van Borgesius de niet-confessionele krachten te bundelen om een basis te leggen voor een nieuw kabinet na het vertrek van Abraham Kuyper. Dat lukt niet. Hij weet zich slechts te verzekeren van de medewerking van de LU en de VDB, samen goed voor slechts 35 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. Verder is het nieuwe kabinet afhankelijk van de gedoogsteun van de Vrije Liberalen en de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Zelf voelt Borgesius er weinig voor om in dat wankele scheepje te stappen, maar na lang zoeken vindt hij De Meester bereid, die al lang blij is dat hij niet weer naar de tropen hoeft.

Revolutiebouw
Maar ook in Den Haag worden het tropenjaren voor De Meester. De aanvoerder van de SDAP, Pieter Jelles Troelstra, spreekt bij de start al sombere woorden: ‘Een gebouw zonder stijl, licht en luchtig, opgetrokken uit halve-steens-muurtjes; de deuren hangen niet eens goed in de hengsels; men is er aan weer en wind blootgesteld – revolutiebouw!’

Bij zijn pogingen het krakkemikkige gebouw overeind te houden maakt De Meester een prettige indruk. Het optreden van de premier, die op het ministerie van Financiën op een degelijke manier over de schatkist waakt, is een verademing vergeleken met de manieren van de barse, licht tirannieke Kuyper. De bekende parlementaire journalist C.K. Elout ziet in hem het ouderwetse type van de vriendelijke schoolmeester, die door zijn betrouwbaarheid en rechtschapenheid bij een ieder respect afdwingt.

Draagvlak
Maar de rechtschapen premier mist eenvoudigweg het draagvlak om veel voor elkaar te krijgen. De belangrijkste prestatie van zijn kabinet is nog wel de totstandkoming van een wet op de arbeidsovereenkomst (1907). Van plannen voor uitbreiding van het kiesrecht en hervorming van de belasting komt echter weinig terecht.

Onverwachte problemen leveren de pogingen op om het leger te hervormen. De minister van Oorlog, Hendrik Pieter Staal, wil een volksleger naar Zwitsers model, met korte periodes in de strijdkrachten voor alle weerbare mannen. Dit streven leidt tot heftige discussies in de Tweede Kamer, waarbij De Meester zich erg opwindt en het Kamerlid A.P.C. Karnebeek in ongekend felle taal toespreekt: ‘Voer de strijd met alle wapenen die gij hebt, maar laat onze eerlijke naam onaangetast.’

Het kabinet overleeft ternauwernood de ‘nacht van Staal’ (21 december 1906), maar ziet kort daarna zijn plannen getorpedeerd in de Eerste Kamer. Koningin Wilhelmina weigert vervolgens het ontslag van het kabinet; alleen Staal stapt op. Maar als in december 1907 ook de begroting van diens opvolger wordt verworpen, houdt De Meester het voor gezien.

Rusthuis
Na het eind van zijn niet zo heel glorieuze premierschap heeft De Meester nog geen genoeg van de politiek. Hij probeert in 1908 weer in de Tweede Kamer te komen, maar moet het in het district Ommen afleggen tegen de oude Abraham Kuyper. Twee jaar leter lukt het wel. Namens Den Helder en Schoterland neemt hij zitting in de volksvertegenwoordiging. In 1913 wordt hij voorzitter van de fractie van de LU. Tegelijkertijd is hij politiek redacteur van het liberale dagblad Het Vaderland. Het standpunt dat journalistiek een hoge mate van politieke onafhankelijkheid dient te impliceren, overheerst nog niet.

Wanneer hij begint te sukkelen met zijn gezondheid, neemt De Meester plaats in het rusthuis voor oude politici van aanzien, de Raad van State. Twee jaar later overlijdt hij, om daarna snel in de vergetelheid te raken. Over zijn premierschap oordelen historici vanzelfsprekend niet zo positief. Dat had wellicht voor een deel te maken met de persoonlijkheid van De Meester. Te lief, zo luidde een oordeel over hem. Maar zelfs een krachtige staatsman had als premier in een politiek sterk verdeeld Den Haag vermoedelijk weinig kunnen bereiken met een kabinet dat vanaf de aanvang geen parlementaire meerderheid achter zich had.  

Tags

zie ook

0 reacties