De boerenzoon, Hendrikus Colijn
De vijfentwintigste in de serie Alle Nederlandse Premiers: Hendrikus Colijn (1869-1944)
De verhalen over de afkomst en opleiding van Nederlandse minister-presidenten hebben een wat eentonig karakter. De premiers kwamen meestal uit de hogere milieus, studeerden rechten en belandden via een juridische of ambtelijke betrekking in de politiek.
Hoe anders ging het met Hendrikus Colijn. De boerenzoon koos voor een militaire loopbaan en verdiende vervolgens een fortuin in het zakenleven. Financieel onafhankelijk stapte hij over naar de politiek, waar hij gold als het prototype van de sterke man, de zelfbewuste leider.
Maar Colijn was een politieke veldheer die door zijn marsroutes bij het nageslacht een zeer slechte reputatie verwierf. Er is eigenlijk geen premier wiens naam nog altijd in zo’n kwade reuk staat. Wat ging er mis met de antirevolutionaire krachtpatser?
Avontuurlijk
Hendrikus Colijn wordt op 22 juni 1869 geboren in Burgerveen in de Haarlemmermeer en groeit op in een gereformeerd agrarisch milieu. Hij volgt een opleiding aan een christelijke kweekschool en werkt een tijdje als hulponderwijzer. Maar zijn hart gaat uit naar een avontuurlijker bestaan. Na een uitgebreide militaire opleiding in Kampen vertrekt Colijn in 1892 naar Nederlands-Indië.
In de Nederlandse kolonie is hij vijftien jaar actief als militair bij het KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, vooral in Atjeh. Hij is een goede soldaat, die het tot majoor zal schoppen. Gouverneur-generaal J.B. van Heutsz, de hoogste man in Indië, heeft een hoge dunk van hem en benoemt hem tot adjudant.
Willemsorde
In Indië vindt Colijn kracht in zijn geloof. Hij kent een tijdlang grote religieuze twijfels, maar overwint zijn geestelijke crisis door het inzicht ‘dat God ook mij in genade aangenomen had en dat Jezus ook mijn Zaligmaker was’.
Zijn hervonden christelijke overtuiging staat krachtig militair optreden niet in de weg. Als officier neemt Colijn deel aan koloniale oorlogen, waarin veel (burger)slachtoffers vallen en nogal wat wreedheden worden begaan. In een brief, die pas lang na zijn dood openbaar zal worden, beschrijft hij hoe, om genade smekende, kinderen en vrouwen onder zijn gezag ter dood werden gebracht. ‘Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten.’ Voor dit soort werkzaamheden krijgt Colijn in 1895 de Militaire Willemsorde.
Vermogen
Terug in Nederland wordt Colijn in 1910 lid van de Tweede Kamer namens de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Een jaar later treedt hij al tot de regering toe, om de afgetreden minister van Oorlog op te volgen. Hij maakt indruk als voortvarende bewindsman met een grote kennis van zaken.
Maar verder in de politiek wil hij pas als hij genoeg geld heeft verdiend om zich zonder financiële zorgen in Den Haag te kunnen bewegen. Dat lukt hem wonderwel door in dienst te treden bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Bij deze Nederlandse tak van Shell verdient Colijn een vermogen.
Hij heeft een plek in de Eerste Kamer geregeld en onderhoudt contacten met prominente ARP’ers, maar houdt zich verder niet intensief met de vaderlandse politiek bezig. Tenzij het om lobbywerk voor Shell gaat.
Bezuinigingen
Na de Eerste Wereldoorlog is het tijd voor de inmiddels welgestelde Colijn om in de voetsporen te treden van de door hem zeer bewonderde Abraham Kuyper. In 1920 wordt hij voorzitter van het Centraal Comité van de ARP, wat in feite betekent dat hij de lakens uitdeelt. Twee jaar later neemt hij plaats in de Tweede Kamer, waar hij, haast vanzelfsprekend, de ARP-fractie gaat leiden.
Maar Colijn is meer bestuurder dan volksvertegenwoordiger. Verheugd is hij dan ook dat hij in 1923 kan aantreden als minister van Financiën. Hij is een aparte figuur in de Nederlandse politiek. Een succesvolle zakenman met een militaire achtergrond en veel internationale contacten. En met uitgesproken denkbeelden over bijvoorbeeld de financiën van het land.
Zo hecht hij veel waarde aan een sterke munt en solide overheidsfinanciën. Hij zet met harde hand de tering naar nering. Overheidspersoneel moet bijvoorbeeld een flink deel van het salaris inleveren. Fietsers worden juist verplicht de overheid te spekken omdat ze een plaatje moeten kopen voor hun rijwiel. Werklozen krijgen een gratis plaatje, maar dan wel met een gat erin, wat stigmatiserend werkt. Door zulke maatregelen wordt Colijn zowel verguisd als geprezen, hij wordt gezien als harteloos én als daadkrachtig.
Spraakmakend
In 1925 kan Colijn kortstondig van de hoogste macht genieten. De ARP verliest dat jaar weliswaar drie zetels bij de verkiezingen, maar mede op aandrang van de katholieke leider W.H. Nolens mag hij een kabinet formeren. Het is geen succes. Het eerste kabinet-Colijn bezwijkt al na een paar maanden onder spanningen tussen katholieken en protestanten.
In 1933 volgt een herkansing. Vier jaar lang heeft Colijn als fractieleider van de ARP het bezuinigingsbeleid van het kabinet van Charles Ruijs de Beerenbrouck gesteund. Hij doet dat met meer kracht en overtuiging dan de premier, die een wat kleurloze indruk blijft maken. Dé spraakmakende politicus van het interbellum is Colijn, hoewel zijn partij niet zo groot is en Ruijs veel langer aan het roer van het schip van staat zal staan.
Het kabinet dat Colijn in 1933 vormt, heeft een brede basis. Het bestaat uit katholieken, protestanten, conservatieve liberalen en progressieve liberalen. Een van zijn eerste beleidsdaden is het oprichten van een ministerie van Algemene Zaken. Dit kleine departement zal voortaan de premier assisteren.
Lastig
De jaren dertig vormen een zeer lastige periode om te regeren. Colijn meent de economische problemen opnieuw met bezuinigingen te moeten bestrijden en houdt (te) lang vast aan de gouden standaard (de koppeling van de gulden aan de goudprijs). Een visie op een aanpak van de groeiende werkloosheid ontbreekt.
De oud-KNIL-militair kent veel belang toe aan Indië, waar ‘het Nederlands gezag even hecht gevestigd is als de Mont Blanc in de Alpen’. Hij vreest wel de expansie van Japan in Azië. Voor de ambities van de Duitse nationaal-socialisten heeft hij minder oog. Na de bezetting door Duitsland van het Rijnland in 1936 houdt hij een radiorede, waarin hij de luisteraars oproept rustig te gaan slapen.
In de jaren dertig geeft Colijn leiding aan in totaal vier kabinetten. Zijn laatste, in 1939, wordt al na een paar dagen door de Tweede Kamer ten val gebracht. Een jaar later, na de inval van de nazi’s, publiceert hij een brochure waarin hij filosofeert over de vraag hoe om te gaan met de Duitse hegemonie in Europa, een geschrift waaruit niet bepaald een verzetsmentaliteit spreekt. Op 18 september 1944 sterft de oud-premier in het Duitse Ilmau, waar hij is gedetineerd, aan een hartverlamming.
Reputatie
Na de oorlog staat Colijn bekend als een kille, autoritaire saneerder die te weinig oog had voor de bedreigingen van de parlementaire democratie. Bij de antirevolutionaire achterban leeft nog wel de hoop dat een historicus het ongunstige beeld zal nuanceren en een zeker eerherstel zal bewerkstelligen. Het ziet er even goed uit als H.J. Langeveld de biografie van Colijn gaat schrijven. De protestantse geschiedkundige komt immers uit onverdachte hoek, hij is verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Maar Langeveld meet in twee kloeke delen de tekortkomingen van Colijn juist breed uit en verwijt geestverwante collega’s, zoals dé grote protestantismekenner George Puchinger, dat ze die fouten bewust hebben verzwegen of onderbelicht. In de epiloog van het tweede deel van de biografie concludeert de auteur dat de omstreden premier in belangrijke kwesties eigenlijk steeds de verkeerde keus maakte, of het nu ging om de bestrijding van de economische depressie, de houding jegens Duitsland, het beleid in Indië en de ontwikkeling van de parlementaire democratie. De ‘schipper naast God’, zoals zijn achterban hem zag, regeerde met de rug naar de toekomst, zegt Langeveld.
Het is duidelijk: met de reputatie van Hendrikus Colijn zal het niet snel meer goed komen.