H.J. Schoo
Hendrik Jan Schoo, onderwijzer, journalist, bladenmaker, hoofdredacteur, uitgever, columnist, was een raadselachtige man. Hij had veel vrienden en was trouw aan die vriendschappen, maar onderhield de contacten met hen voornamelijk gescheiden. Hij kon buiten zinnen raken van woede, maar ook galant en teder zijn; hij was een intellectueel en een bouwvakker. En gevoelig: Schoo was makkelijk tot tranen geroerd.
Door Liesbeth Wytzes
Schoo was een ouderwetse man die hechtte aan trouw en moraal, maar ook overspelig. Hij was van zichzelf overtuigd en bracht zijn meningen luidkeels en met enthousiasme naar voren, maar was te verlegen en te breedsprakig voor een geslaagd televisieoptreden. Hij hield van mooie pakken, maar was ook een beetje een padvinder en sliep tijdens lange wandeltochten probleemloos in een hooimijt. Een stadskind dat van de natuur hield.
Hij trok de leidersrol makkelijk naar zich toe, en kon tegelijk moeilijk nee zeggen. Een leven met grote successen, maar ook tragische mislukkingen. Hendrik Jan Schoo – de een noemde hem Hendrik, de ander HJ, en veel van zijn vrienden praatten vijf jaar na zijn dood over hem in de tegenwoordige tijd – wilde vooral graag gehoord worden. In die zin bleef hij de onderwijzer die hij ooit was.
Drank en vrouwen
Schoo werd op 10 november 1945 geboren als tweede kind in een gezin van uiteindelijk vijf kinderen. Oudste zus Eegje (1944), dan Hendrik Jan, dan Michiel (1947), Hans (1950) en Martien (1954). Zijn vader Johannes Hendrikus (1915-1986) was vertegenwoordiger in stras en bijouterieën, een man van twaalf ambachten, dertien ongelukken, met een zwak voor drank en vrouwen.
Zijn moeder Marianna Alida Fransz (1917-1995) werkte na de scheiding in de verpleging. Het was een gezin met sociaal-democratische overtuigingen, waarin lezen een grote rol speelde. Onderwijs, jezelf verbeteren, was belangrijk, maar nog belangrijker was gelukkig zijn. In Dwars en bewogen, een boekje dat verscheen na zijn dood, beschrijft zijn zus Eegje hoe ze als kinderen naar klarinetmuziek luisterden die kwam aanwaaien vanuit het huis van de eerste klarinettist van het Concertgebouw, Bram de Wilde. ‘Nooit hoorden we het mooier.’
Wandelingen
Gelovig waren ze niet. Daar moesten de Schoo’s niets van weten. Toen Hendrik Jan, volwassen, lange wandelingen maakte met zijn vriend Herman Vuijsje en met hem in de Pyreneeën liep, bleef hij buiten wachten als Vuijsje een klooster bezocht. ‘Hij had er echt een afkeer van,’ zegt Vuijsje. ‘Een oud socialistisch idee. Hij had erg veel oog voor de slechte dingen die de kerken hebben gedaan, en weinig oog voor de goede dingen die een religieuze overtuiging kan meebrengen. Hij zei dat ze bij hem thuis al generaties lang niksisten waren, een zuil die wat hem betrof ook subsidie moest krijgen, net als de andere zuilen.’
Schoo omschreef dat niksisme in een column in 2003 als ‘gestaald ongeloof’ en ‘glasharde illusieloosheid’. Het niksisme was ‘van een bijna troostgevende onverbiddelijkheid’.
Mulo
Schoo ging naar de Spartaschool aan de Stadionkade, een daltonschool. Jeugdvriend Gjalt Huppes (1946) kwam veel bij Schoo thuis, in de Keplerstraat in de Amsterdamse Watergraafsmeer, waar het gezin eind jaren vijftig naartoe verhuisde uit de Stadionbuurt in Amsterdam-Zuid. ‘Er werd daar gelezen bij het leven. Lekker in een stoel zitten, kopje koffie, boek erbij. Dat was daar de basis.’
Leuk en gezellig kan het thuis niet altijd zijn geweest. Zijn ouders scheidden toen Schoo twaalf was en naar de middelbare school moest. Na een jaar op de hbs stapte hij in 1959 over op de mulo, de Breitnerschool aan de James Wattstraat. ‘De mulo was ver beneden zijn niveau,’ zegt Huppes. ‘Dat moet wel een levenslange frustratie zijn geweest.’ Maar gezien de toekomstplannen was het niet zo erg. Schoo zou toch voor de klas gaan en dan was het normaal om mulo en kweekschool te volgen. Schoo en Huppes, die naar het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium ging, vergeleken hun lesstof. ‘Je leerde daar aanzienlijk meer dan op het gym. Hij voelde zich zeker niet minder.’
Verkeerd gespeld
Wel ontwikkelde hij later de gewoonte van gemankeerde gymnasiasten om liever moeilijke woorden te gebruiken dan makkelijke. Niet altijd foutloos. Toen hij in 2003 begon met zijn column in de Volkskrant, gebruikte hij in zijn eerste stuk de uitdrukking ad hominum – verkeerd gespeld. Bevriend journalist Willem Velema mailde hem: ‘Mooi stuk, maar het is ad hominem. Kennelijk kun je niet rekenen op de eindredactie van de Volkskrant, dus stuur het eerst aan mij, dan haal ik die dingen eruit.’ En dat gebeurde ook.
Later, als hij wandelingen maakte met bijvoorbeeld Herman Vuijsje, die wél op het gym had gezeten, stond hij er maar een beetje bij als Vuijsje Latijnse spreuken die ze onderweg tegenkwamen, probeerde te vertalen. ‘Dat vond ik aardig om te doen. Wel een beetje pijnlijk voor hem. Maar hij beklaagde zich er nooit over dat hij niet naar het gymnasium was geweest.’
Sterke band
Na de scheiding van zijn ouders ging zijn vader het huis uit, en had zijn moeder grotendeels alleen de zorg voor de kinderen, van wie er één doof was. Ze werkte ’s nachts als verpleegkundige in het Binnengasthuis en kwam vaak met spannende verhalen thuis. Schoo en zijn moeder kregen een sterke band. Hij was de oudste zoon en voelde zich zeer verantwoordelijk. Herman Vuijsje zegt: ‘Zijn moeder was wel een beetje streng. Geen lachebekje.’
Dat was Hendrik Jan ook niet. Hij bleef altijd betrokken bij het gezin waaruit hij kwam en deed van alles voor zijn dove broer, die trammonteur werd. Later organiseerde hij met onder anderen Willem Velema een voetbalclubje dat in het Amsterdamse Bos wekelijks bij elkaar kwam. ‘Dat deed hij vooral voor die broer. Al kregen ze wel vaak ruzie en dan liepen ze woedend het veld af,’ herinnert Velema zich.
Vegetariër
Toen hij in de jaren negentig hoofdredacteur was van Elsevier en het heel druk had, ging hij toch bijna elke dag op bezoek bij zijn moeder toen ze in het ziekenhuis lag en de periode erna tot haar dood. Dan bracht hij haar lekker vegetarisch eten. Schoo en zijn zus Eegje werden op jonge leeftijd overtuigd vegetariër, na het lezen van de boeken over Dr. Dolittle, een jeugdserie van de Britse schrijver Hugh Lofting. In de reeks, geschreven tussen 1920 en 1952, speelt een huisarts die met dieren kan spreken de hoofdrol. Ten slotte werd ook hun moeder vegetariër.
Schoo was een overtuigd vegetariër. Toen hij een keer met Willem Velema ergens bij Amerongen wandelde en ze bij een uitspanning wat gingen eten, ontplofte hij zowat toen de uitsmijter zonder ham die hij had besteld, met een flinke plak ham voor zijn neus werd gezet. ‘Toen werd hij link,’ zegt Velema, die Schoo ook wel eens op de vuist heeft zien gaan met een onbeschofte automobilist. ‘Hij wilde per se een nieuwe uitsmijter, en niet dat alleen die ham eruit werd gehaald. Kroepoek, gemaakt van garnalen, kon ook niet. Echt puriteins.’
Vrije jeugd
Met veertien, vijftien jaar gingen Schoo en zijn zus Eegje, die altijd heel close waren, liftend en met de trein op reis door Europa, tamelijk ongebruikelijk in die jaren. Het was een vrije jeugd, maar wel met verantwoordelijkheden.
Schoo en Huppes waren allebei lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN). Die vereniging, die nog bestaat zij het niet meer zo florissant als destijds, heeft haar wortels in de sociaal-democratie. Schoo heeft altijd een grote liefde voor de natuur gehouden en vond wandelen en vogels kijken heerlijk. Maar bij de NJN ging het om meer dan alleen de natuur.
Padvinder
Schoo leerde er al jong om verantwoordelijkheid te nemen en om te organiseren. ‘Dat zijn onze vormende jaren geweest en heel, heel belangrijk voor mensen die toch al zelfstandig waren. We waren lid van de afdeling 9 van de NJN, toen een grote organisatie. Het was een extreem zelfstandige club. Je organiseerde excursies op zondag, en met Pasen, Pinksteren en in de herfst regelden we ergens kampen. Er was geen leiding, we deden het allemaal zelf. Op mijn veertiende organiseerde ik zelf kampen en dat was leuk. Een grote verantwoordelijkheid,’ zegt Huppes.
Schoo bleef altijd een beetje een padvinder. In 1995 gaf hij voor zijn vijftigste verjaardag een etentje bij hem thuis. Daar nodigde hij allemaal vrienden uit, terwijl hij zijn vrienden liefst één op één zag en zeker geen clubjesmens was. Huppes was erbij. Na het eten werd er gezongen. ‘Onbegrijpelijke liederen. “West, zuidwest van Ameland, daar ligt een kolkje diep, daar vangt men schol en schellevis, maar mooie meisjes niet.” Schoo zong mee uit volle borst, hij kon goed zingen. Die hele groep kende die liederen,’ zegt Huppes.
Tram
Elke zondagochtend werd er om 7 uur verzameld bij de Emmakerk, op de hoek van de Middenweg. Vroeg opstaan was nooit een probleem voor Schoo, die zijn hele leven vroeg op pad ging en vaak voordat hij op zijn werk moest zijn, een uur alleen, met zijn zus of ander gezelschap door de stad liep. Hij stapte ook wel eens een halte te vroeg uit de tram, zodat hij een stuk kon lopen. Bij de Emmakerk kwamen altijd wel tien, vijftien mensen.
Hoe jong ook, Schoo en Huppes regelden alles zelf. Op pad met een verrekijker en een botaniseertrommel. Huppes: ‘Ik weet nog dat we een weekje op de Veluwe zaten. Dan belden we een boer of we daar konden overnachten en dan kwamen we daar met een man of vijftien, twintig. Jongens en meisjes door elkaar. We maakten ook grote reizen, naar Frankrijk naar het strand, naar de bergen in Zwitserland.’
Kranten
Schoo was toen al iemand die graag discussieerde, analytisch scherp. ‘Dat vond ik leuk aan hem,’ zegt Huppes. ‘We lazen allemaal de krant, kranten lagen in overvloed bij ons thuis. We hadden het over politiek, ethiek, moraal. Over dagelijkse dingen, over stedenbouw, ruimtelijke ordening, ethische discussies over van alles. Ja, we waren jong, maar op je veertiende ben je al wie je bent.’
Huppes schetst een beeld van serieuze jongens en meisjes die graag ‘bomen’, zwaarwichtige gesprekken voeren. Het waren prachtige jaren. ‘Er was niet echt een leidersrol, meer een horizontaal collectief, en ik denk dat dat ons extreem heeft gevormd. Het ging ook goed, er waren geen ruzies zoals bij andere afdelingen.’
Wat ook een Lord of the Flies-achtige vrijstaat had kunnen worden, werd een geoliede organisatie waarin alles wat Schoo en Huppes ondernamen, lukte. ‘Echt een vrolijke tijd. We deden een subsidieaanvraag bij de gemeente, openden een girorekening, en dat geld kwam gewoon binnen. Schoo ging overal keihard achteraan. Het moest zoals hij het wilde. Het feit dat je de verantwoordelijkheid zo totaal had – er was niemand anders dan jijzelf – heeft hij uitgerold over zijn hele leven.’
Zeilboot
Ze gingen ook vaak zeilen op de zeilboot – een zestienkwadraat – die Schoo met een vakantiebaantje bij elkaar had gespaard. Zo werkte hij bij zwavelzuurfabriek Ketjen, in Amsterdam-Noord. Schoo was fysiek sterk en niet bang voor zwaar werk. ‘Daar moest hij treinladingen roet lossen,’ zegt Huppes. ‘Zakken van 50 kilo.’
Toen die zeilboot een paar jaar later op en verrot was, nam Schoo er op dramatische wijze afscheid van. Hij voer die boot naar het midden van de Westeinderplassen, een klein rubberbootje erachter voor de terugweg, en sloeg met een bijl een gat in de bodem van de boot om hem zo tot zinken te brengen.
Kweekschool
In 1968 haalde Schoo zijn akte als onderwijzer aan de Gemeentelijke Kweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen (later Pedagogische Academie H. Bouman) aan de Amsterdamse Nieuwe Kerkstraat. Naar de kweekschool gaan was logisch. ‘Dat bracht niet veel mee,’ zegt Huppes. ‘De kweekschool was de geëigende route als je door je vooropleiding niet naar de universiteit kon.’
Net als zijn zus Eegje koos hij bewust voor een montessori-opleiding. Daarmee kon je overal ter wereld een baan in het onderwijs krijgen. En meer van de wereld zien had een bijna romantische aantrekkingskracht op hem. Hij werd op fysieke gronden afgekeurd voor militaire dienst – hartritmestoornissen, zei hij zelf.
Chicago
Na een korte periode als invaller aan de Tweede Montessorischool in Hilversum besloot Schoo in 1969 naar Chicago in de Verenigde Staten te gaan, op aanraden van een Nederlandse vriend die daar al werkte. Daar wilde hij verder leren en werken. Chicago was destijds het internationale centrum voor pedagogiek-onderwijs en Schoo schreef zich in 1970 in aan het Erikson Institute, Graduate school in child development, onderdeel van Loyola University. Hij deed dat uit ambitie: Schoo wilde meer zijn dan een onderwijzer.
‘Hij wilde eropuit,’ zegt Huppes, ‘en dat was geen slecht idee. Chicago is op pedagogisch gebied nu nog steeds een leading club. Hij kwam daar in een intellectueel milieu terecht.’ In 1972 haalde hij zijn Master’s Degree in Education. Volgens de archieven van dat instituut bestudeerde hij human development, family and culture, en early childhood education.
Ruige school
Chicago bood niet alleen een intellectueel milieu. Schoo gaf les op The Ancona School, een ruige school voor basisonderwijs waar kinderen van zeven, acht jaar elkaar afpersten. Daar wist hij wel raad mee. Huppes: ‘Hij heeft de grootste etterbuil – de informele baas van de klas, die het geld inde – een pak slaag gegeven. Zo van: hier ben ík de baas. Dat had hem, in die progressieve gemeenschap, zijn baan kunnen kosten. Maar hij accepteerde niet dat er geen gezag was.’ En zeker niet wanneer hijzelf dat gezag was.
Er ging in Amerika een aantrekkelijke, intellectuele wereld voor hem open. Het was een vormende periode voor hem. Ver weg van Amsterdam, van Europa, kwam hij in contact met de uitingen van de intellectuele elite van Amerika. Hij zou zijn hele leven Amerikaans georiënteerd blijven, en richtte zich in zijn journalistieke opvattingen op de Amerikaanse pers. Hij las de New York Review of Books – het intellectuelenblad bij uitstek – zodra die verscheen en liep altijd met een Amerikaanse krant of tijdschrift over straat. Dat mag nu heel gewoon lijken, in de jaren zeventig was het helemaal niet zo gebruikelijk om een fan van Amerika te zijn. Het waren immers de jaren van de Vietnam-oorlog en ook in Europa was daartegen verzet.
Eigen plan
Het is tekenend voor Schoo dat hij zich niets aantrok van wat er in de mode was. Hij trok zijn eigen plan en liet zich alleen maar leiden door zijn eigen smaak. Hij was een groot bewonderaar van de schrijver Christopher Lasch (1932-1994), beroemd geworden met het cultboek The Culture of Narcissism (1979). De ideeën van Lasch klinken terug in de opvattingen van Schoo over het verval van links. In boeken als The New Radicalism in America 1889-1963 (1965) en Haven in a Heartless World (1977) betoogt Lasch dat links in Amerika zijn opvattingen en overtuigingen had verkwanseld in een geslaagde poging om zichzelf een comfortabel leven te bezorgen.
Eén van Lasch’ uitspraken is: ‘Because it equates tradition with prejudice, the left finds itself increasingly unable to converse with ordinary people in their common language’, links vindt het steeds moeilijker om met gewone mensen in hun taal te communiceren, omdat traditie wordt verward met vooroordeel.
Gewone man
De kritiek dat links, en dan speciaal de PvdA, elke band met de gewone man was kwijtgeraakt, dat die partij van sociaal-democraten een club van doctorandussen was geworden, werd later een belangrijk thema voor Schoo. Ook zag hij dat immigranten in de Verenigde Staten niet in de watten werden gelegd, maar door te werken onderdeel werden van de samenleving, en dat werk een uitstekende manier was om te integreren – misschien wel de enige.
In 1972 werd hij aangenomen als onderwijzer op de Sonia Shankman Orthogenic School in Chicago voor kinderen met emotionele problemen, maar na een maand al werd hij ontslagen door de directeur, de befaamde psycholoog Bruno Bettelheim. De benoeming was buiten Bettelheim om gegaan. Er werd niet lang getreurd: Schoo begon met een Amerikaanse vriend, David J. Hall, die hij op de Sonia Shankman School had leren kennen, een eigen montessorischool in Iowa City, Iowa.
Zwarte wijken
In Chicago woonde Schoo in de buurt Hyde Park, tussen zwarte wijken en Lake Michigan, met uitzicht op een parkeerplaats en de spoorlijn. In zijn huis stond bijna niets; er was immers niet veel geld. Daar leerde hij in juli 1971 toneelhistoricus Anna de Haas (1947) kennen, de vrouw met wie hij meer dan dertig jaar het leven zou delen. Anna de Haas was een vriendin van Gjalt Huppes.
‘Hendrik Jan zat in de Verenigde Staten en zij wilde op reis, naar Amerika,’ zegt Huppes. ‘Ik wilde haar een plezier doen en zei dat ik daar wel iemand kende en dat ze maar bij hem langs moest gaan. Dat deed ze. Toen is ze nooit meer weggegaan en ze zijn – met alle malheur aan het einde – hun hele leven bij elkaar gebleven.’
Fikkie
Op 30 november 1989 trouwden Schoo en De Haas in New Delhi, waar oud-minister voor Ontwikkelingssamenwerking Eegje Schoo toen ambassadeur was. De Haas is blijven wonen in het appartement aan het Singel dat ze jarenlang met Schoo deelde. Vijf jaar na zijn dood is ze nog steeds bezig met spullen uitzoeken.
Schoo hield enorme archieven met knipsels bij. ‘Ik was met vakantie naar de Verenigde Staten. Daar kwam ik Hendrik Jan tegen en het was in elk geval míjn coup de foudre. Ik reisde eerst nog verder, maar ik ben naar hem teruggegaan. Ik ben daar met hem gaan samenwonen, in het huis waar hij met zijn hondje van onbestemd ras Fikkie woonde. We hadden niet veel, hij had een klein inkomen en ik verdiende niks.’ Wel reed Schoo, later fervent aanhanger van het openbaar vervoer en bepaald geen autofan, in een grote Amerikaanse auto, een goudkleurige Chevrolet.
Zondagen
In ‘Amerikaanse jaren’, de toespraak die De Haas hield bij de herdenkingsdienst voor Schoo in september 2007, vertelt ze over de zondagen met vrienden, waarbij het nieuws werd besproken, de kranten werden doorgenomen en de columns van Mike Royko. Naast de The New York Review of Books las Schoo lokale kranten als Chicago Tribune, de Chicago Daily News en de Chicago Sun-Times, en bladen als The Atlantic Monthly en The New Republic.
‘Zo probeerde hij zijn in feite onstilbare honger naar kennis en inzicht te stillen,’ zegt De Haas. ‘Hij voelde zich in de open en vrije discussiecultuur van Amerika als een vis in het water.’ Schoo las ook schrijvers als Tom Wolfe, Philip Roth, Nobelprijswinnaar Saul Bellow, die in Chicago woonde en die stad als decor van zijn boeken gebruikte.
Amsterdam
Begin 1973 keerden Schoo en De Haas terug naar Nederland. Ze woonden overal in Amsterdam. Eerst in de flat van Schoo’s zus Eegje in Buitenveldert, toen een jaar de stad uit, in Hoorn. Toen naar de Noorderstraat, de Lange Leidsedwarsstraat, het Victorieplein, het Hortusplantsoen. Een paar jaar aan de Korte Nieuwendijk, met een dakterras met uitzicht over de stad, waarvandaan je zo mooi naar onweer kon kijken. De laatste jaren in het appartement aan het Singel.
Schoo werd leraar op de school waar hijzelf tot onderwijzer was opgeleid, inmiddels de Pedagogische Academie H. Bouman, van 1973 tot 1976. Maar vooral werd hij redacteur bij de Grote Spectrum Encyclopedie. Dat was eigenlijk zijn eerste belangrijke stap op weg naar de journalist en public intellectual die hij zou worden.
Afbetaling
De Grote Spectrum Encyclopedie werd uitgegeven door de Utrechtse uitgeverij Het Spectrum en verscheen tussen 1974 en 1980 in 24 delen, met kleurenillustraties. Dat was toen iets heel bijzonders. In vijfduizend artikelen werden evenzoveel begrippen behandeld. De delen werden huis aan huis verkocht, voor 2.500 gulden (ongeveer 1.100 euro), op afbetaling.
Net als zijn tijd in de Verenigde Staten werd het werk bij de encyclopedie een belangrijke periode voor hem, al was het maar omdat hij daar vriendschappen voor het leven sloot. Met socioloog en journalist Herman Vuijsje, met historicus en journalist Willem Velema en met zijn assistent, psycholoog Maja Vervoort.
Herman Vuijsje (1946) was senior redacteur en Schoo’s baas bij Het Spectrum. Anders dan hoofdredacteur Inez van Eijk wilde hij Schoo eigenlijk eerst niet aannemen. ‘Hij kwam solliciteren en hij had zo’n houding… alles was groot. Groot, imposant en onvermijdelijk. Grote handen. On-jarenzestig-achtig. Ik vond hem een beetje een praatjesmaker. Maar Inez wou hem hebben, dus hij werd redacteur psychologie. En vreemd genoeg werd hij na een tijdje m’n beste vriend.’
Wendbare geest
Wat trok Vuijsje zo aan in Schoo? ‘Hij had een ongelooflijk wendbare geest en kon goed associëren, hij kon alles wat hij wist met elkaar in verband brengen.’ In de slordige jaren zeventig, de jaren van lang haar, Afghaanse jassen, verzet tegen gezag en autoriteit, witte fietsen en drugs, paste Schoo helemaal niet. ‘Hij vond dat je je moest presenteren. Die houding was authentiek en daarmee was hij zijn tijd vooruit. Dat botste met het doe-maar-gewoongedoe van die tijd. Hij had niets van een hippie, droeg bijna altijd een pak.’
Volgens Vuijsje had Schoo een ‘intern kompas’. ‘Dat was zijn diepe fatsoensgevoel.’ Hij was onder de indruk van Schoo’s ideeënbreedte. ‘Hij had veel energie, sliep vijf, zes uur. Een enorme belezenheid en eruditie. Vanaf zijn vroegste jeugd nam hij alles om zich heen waar met grote precisie en diepgang.’ Sommigen dachten dat Schoo een fotografisch geheugen had. Hij leek alles wat hij las te onthouden.
Bevriend
Ook Willem Velema (1947), redacteur bij Het Spectrum, raakte goed bevriend met Schoo. ‘Het klikte meteen. Wij waren allebei nette sociaal-democraten. Hendrik Jan kwam net terug uit Amerika, dat was iets bijzonders toen. Hij zag er anders uit, droeg nooit een spijkerbroek. We leerden er veel, Herman Vuijsje was enorm streng, je kreeg je stukken helemaal rood en gecorrigeerd terug.’ Ze hadden het over de sociaal-democratie en het verval van de PvdA. Velema, Vuijsje en Schoo kwamen alle drie uit PvdA-gezinnen.
Velema: ‘Hendrik Jan heeft nog gefolderd voor Den Uyl. Het ging over hoe gestudeerde mensen die partij afpakten van de arbeiders. Dat waren de nieuwe vrijgestelden, die hadden tijd om overdag te vergaderen. Nieuw Links, mensen als Max van den Berg, Jacques Wallage. Die arbeiders werden uitgelachen op vergaderingen, niet serieus genomen.’
Precies wat Lasch opmerkte in de Verenigde Staten, gebeurde in Nederland. ‘En je ziet hoe het met die partij is gegaan. Wij zagen halverwege de jaren zeventig al dat dat verkeerd zou aflopen, en dat is ook gebeurd.’ Velema zag de talenten van Schoo. ‘Voor het onderwijs was hij ook heel geschikt, hij was een creatieve denker. Hij had een goede intuïtie voor de dingen die gebeuren, hij zag die ook vaak lang van tevoren aankomen.’
Rubriek
Ook Maja Vervoort (1940) leerde Schoo kennen op de redactie van de Spectrum Encyclopedie. ‘Hij zocht iemand om de rubriek psychologie van hem over te nemen. Hij deed daarnaast onderwijskunde en pedagogiek, en dat was te veel voor één persoon. Toen ben ik psychologie gaan doen vanaf de letter I. Hij had het gedeelte van A tot en met de H gedaan. De serie liep al, dus je moest zorgen dat de rest erbij aansloot.’
Vervoort en Schoo maakten later, uit onvrede met het resultaat van hun werk voor de encyclopedie, een spin-off. ‘Een psychologische encyclopedie in vier deeltjes, in de Aula-serie.’ Ze vormden daarvoor een vof, vennootschap onder firma, en werkten bij Schoo thuis, in diens werkkamer aan het Amsterdamse Victorieplein. ‘Daar kwam ik vier ochtenden per week. Hendrik Jan heeft wel altijd veel meer op zich genomen dan ik, maar ik had een gezin met kleine kinderen.’
Belezen
Maja Vervoort vond Schoo iemand om tegenop te kijken. Haar man Hans Vervoort, marktonderzoeker bij de Weekbladpers, uitgever van Vrij Nederland, maakte ook kennis met Schoo. ‘Hij was heel belezen, maar hij had ook overal een mening over en was altijd aan het woord. Dat was wel eens lastig. Hij was voortdurend aan het betogen. Dan zat ik te werken en hoorde ik hem al vóór ik hem zag. Hij had het over alles. Hij kwam net uit de Verenigde Staten en daar wist hij ook alles van.’
Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig had Schoo plannen voor een tijdschrift waarin de nadruk lag op de sociale wetenschappen. Dat wilde hij maken met Herman en diens broer Flip Vuijsje en Willem Velema. ‘Daar lag zijn hart.’ Maja en Hans Vervoort hebben nog een exemplaar van dat blad. Issue heet het.
De Weekbladpers moest het uitgeven en uitgever Theo Bouwman had er wel oren naar. ‘Ze hebben er een maand keihard aan gewerkt,’ zegt Hans Vervoort. ‘Ze zaten met z’n vieren in de blauwe zaal van de Weekbladpers en dan hoorde je het geluid van Hendrik Jan boven alles uit. Hij had echt zo’n booming voice met veel resonans. Ze waren heel enthousiast, het werd gedrukt en verspreid.’ Willem Velema kan zich ‘eindeloze discussies’ herinneren. ‘Die mensen waren allemaal vreselijk eigenwijs. Herman Vuijsje nog meer dan Hendrik Jan. Heel stellige opvattingen.’
Sober
Issue werd een grote flop. ‘Ik heb het begeleid en er een marktonderzoek aan gewijd,’ zegt Hans Vervoort. ‘Dat was niet best. We deden twee mailings, een bestond alleen uit reclametekst en de tweede had reclame en het nulnummer van het blad. De eerste mailing scoorde beter. Dat was wel een veeg teken.’
Wie dat nummer van Issue doorbladert, snapt ook wel waarom mensen niet stonden te springen om zich te abonneren. Lange artikelen, weinig illustraties, sober vormgegeven. ‘Het was,’ zegt Vervoort, ‘veel te highbrow, voor heel erg hoog opgeleiden. Een letterbrij, echt moeizaam. Hier en daar een plaatje, maar zeker geen kleur, dat was toen ook duur. En nergens een voorwoord. Dus je komt met een nieuw blad op de markt, maar wat het was, werd niet uitgelegd. Zij maakten met z’n vieren dat blad en de mensen moesten het maar gewoon lezen.'
Koud bier
In deel een van zijn romantrilogie Het Bedrijf, over de Weekbladpers, schrijft Hans Vervoort over zo’n vergadering, waar uitgever Theo Bouwman aanschoof: ‘Theo kwam een keer na werktijd langs, altijd gretig om zijn kennis te testen, en het werd een lange avond waarbij Hans geregeld wat koud bier uit de ijskast van de productieafdeling haalde zodat Theo en Hendrik Jan zonder storing verder konden debatteren. Het ging over de Club van Rome en hoeveel toekomst de wereld nu eigenlijk nog had.
Ze sloegen elkaar om de oren met citaten totdat Hans na een paar uur vroeg wat nu de conclusie was. “Het ziet er somber uit voor de wereld,” zei Theo en Hendrik Jan knikte. Hij gaf de wereld ook weinig toekomst meer.’
De ellendige toekomst van de wereld was voor sommigen destijds een reden om geen kinderen te willen. Maar vanwege de ruzies tussen zijn ouders hadden Hendrik Jan en zijn zus Eegje al veel eerder besloten om nooit kinderen op de wereld te zetten. Die wilden ze de narigheid van ruziënde ouders en een mogelijke scheiding niet aandoen.
Journalistiek
Het echec van Issue was geen drama, vond de redactie. Er was een minimumaantal potentiële abonnees afgesproken. Daar zaten ze onder, het ging dus niet door. ‘We hebben nog gegeten bij een Indisch restaurant, Indonesia aan de Munt,’ zegt Hans Vervoort, ‘en we namen afscheid, alles in pais en vree. Ze vonden het leuk dat ze het hadden geprobeerd, het was een goed idee, maar niet verkoopbaar.’ Schoo had wel ontdekt dat hij bladen maken interessant vond, al was deze eerste poging dan mislukt. Koos hij nu echt voor de journalistiek?
Herman Vuijsje denkt niet dat dat zo bewust gebeurde. ‘We waren toen niet zo bezig met carrièreplanning. In dat opzicht was zelfs Hendrik Jan aangeraakt door het jaren-zestig-ethos. Je deed wat je leuk vond, wat je voor de voeten kwam, waar je in rolde. Zeker als je merkte dat je er ook goed in was. Van het voorbereiden van Issue heeft hij veel geleerd. Bladen maken was geschikt voor hem: hij kon zijn brede eruditie inzetten en met gezag opereren.’
Psychologie
In 1982 werd Schoo hoofdredacteur van maandblad Psychologie, een nieuwe uitgave van de wetenschappelijke uitgeverij en distributeur van bladen Swets & Zeitlinger. Weer een blad zonder voorwoord. Maja Vervoort ging met hem mee en kreeg een eigen rubriek. Het blad was niet meteen een succes. ‘Mensen werden niet verleid om het blad te kopen, een beetje arrogant. Er zaten allemaal hoogleraren in de redactieraad. Die schreven niet maar kwamen eens per maand bij elkaar. Dan hoorde ik Hendrik Jan weer oreren. “Die mensen schrijven niet,” mopperde hij dan. Maar ja, die hadden ook hun werk.’
Het blad was gedrukt in zwart-wit met kleurencover en zag er redelijk ontoegankelijk uit. Als illustratie werden bijna alleen tekeningen gebruikt, net als in Issue. Schoo was een voorstander van artwork. Hij vond dat het blad op die manier naar een hoger niveau werd getild en zich onderscheidde van bladen met foto’s. ‘Het was een heel serieus blad en hij was ook heel serieus,’ zegt Maja Vervoort. ‘Alle auteurs kregen als instructie dat ze moesten schrijven voor hoogopgeleide, goed geïnformeerde leken. Niet voor iedereen. Hendrik Jan wilde alles zelf doen, hij had ook zó’n overzicht dat hij precies wist hoe alles moest. Heel perfectionistisch, hij deed de hele eindredactie ook zelf.’
Zuinig
Schoo was zuinig met complimenten. Dat iets goed was, sprak vanzelf. Veel aanmoediging was er niet bij. Maja Vervoort kan zich herinneren dat Schoo om kleine foutjes al geweldig boos kon worden. Bij een verkeerd gespelde naam, zoals Vuijsje met een y in plaats van met ij, ging het al mis. ‘Daar kan ik zo kwaad over worden!’ riep hij dan. Hij werkte hard. Te hard, denkt Vervoort. ‘Hij heeft zich met dat blad wel wat overwerkt. Hij deed alles.’
Later, in 1995, werd Psychologie overgenomen door de Weekbladpers, voor bijna niets. De oplage was toen 13.000, waarvan achtduizend abonnementen. Psychologie werd pas echt een succes onder het hoofdredacteurschap van Rita Kohnstamm.
Wandelen
Schoo werkte eigenlijk altijd. Lange vakanties nam hij niet. Bij wijze van ontspanning ging hij het liefst wandelen. Met Huppes bijvoorbeeld. Met hem liep hij door de stad, op zoek naar gevelstenen. ‘We hebben een overzicht gemaakt van beeldhouwkunst aan en op gevels met dierenmotieven erin. Dat was rond 1976. Daar hebben we foto’s van gemaakt, maar er is nooit een boek van gekomen. Die foto’s liggen in het stadsarchief.’
In 1981 verscheen bij Uitgeverij Het Spectrum wel Amsterdamse gebouwen 1880-1980, dat Schoo had samengesteld met Anna de Haas, Ids Haagsma en Hilda de Haan. Deze 323 pagina’s tellende gebouwengids geeft een overzicht van meer dan tweehonderd gebouwen uit de periode 1880-1980 ‘die op enige manier een markante bijdrage leveren aan de Amsterdamse gebouwde omgeving’, zoals het voorwoord (‘De opzet’) vermeldt.
Rugzakje
Ook met Herman Vuijsje wandelde hij vaak. Dan droeg hij natuurlijk geen pak, maar verscheen in een wandeljasje en een rugzakje. ‘Daar kwam ongelooflijk veel uit. Kranten, sigaretten. Geen eten. Dat was wel een probleem, omdat hij vegetarisch was. Dus als we ergens waren, moesten we daarnaar zoeken. Dan gingen we eerst langs alle lekkere restaurants tot we ergens kwamen waar je stengels kon eten.’
In het begin liepen ze in Friesland en Groningen, wel steeds ergens anders. ‘We sliepen buiten, in een hooiberg. We wilden proberen of dat lukte. Dan belden we aan bij een boer en vroegen of we mochten blijven slapen. Moesten we wel onze paspoorten inleveren. We hebben een keer op de Waddendijk geslapen, bij Delfzijl, toen werden we wakker tussen een ongelooflijke berg schapendrollen. We gingen ook naar Duitsland en Frankrijk, met een tentje.
Op een keer zetten we dat tentje op in de regen en toen we wakker werden, regende het nog steeds. Toen zijn we maar naar een hotel gegaan.’ Daar deelden ze eerst een kamer. ‘Als ik ging slapen, lag hij nog te lezen, en als ik de volgende ochtend beneden kwam, zat hij al achter de krant.’ Na een tijdje zei Schoo dat hij wel een eigen kamer wilde voortaan. ‘Dat vond ik eerst overdreven en bourgeois. Ik ben een beetje een oude AJC’er in die dingen.’
Harmonieus
Die wandeltochten verliepen bijna altijd harmonieus – maar soms ging het mis. ‘We waren een keer in Bretagne. Onder het ontbijt zat hij de krant te lezen, daar werd ik echt kwaad over. Ik had het een beetje opgekropt,’ vertelt Vuijsje. ‘Daarna zijn we naar huis gegaan, het plezier was weg. Hij ging er erg onder gebukt en moest huilen.’
Schoo was makkelijk tot tranen geroerd. ‘Als we in zo’n Frans dorp waren, ging hij altijd naar het oorlogsmonument kijken en dan had hij tranen in zijn ogen. Hij was heel gevoelig voor het leed van anderen en wilde anderen ook geen verdriet doen.’
Intermagazine
In 1985 werd Schoo hoofdredacteur van het maandblad Intermagazine. Hij volgde zijn vriend Bert Vuijsje op, een andere broer van Herman. Intermagazine was een spin-off van Intermediair, een weekblad met uitsluitend personeelsadvertenties dat mikte op de markt van hogeropgeleide dertigers. Het blad was niet te koop, maar verscheen in controlled circulation, dus je kreeg het als je bij de doelgroep hoorde. Om ook de kapitaalkrachtiger veertigplussers te bereiken, verscheen vanaf 1981 maandelijks het blad Intermagazine voor de doelgroep van 45-plus.
‘Dat aanbod heeft hij meteen aangenomen,’ zegt Maja Vervoort. Het verbaasde haar wel een beetje. ‘Dat leek me ook wel een blad waar je alles zelf moest doen. Maar misschien had hij daar meer back-up dan bij Swets & Zeitlinger, een heel zuinige uitgeverij.’
De redactie was gevestigd in een kantoorgebouw aan de ringweg A10, bij de vestiging van Praxis. Schoo stelde een indrukwekkend colofon samen. Mensen als culinair journalist Johannes van Dam, reisschrijvers Jacqueline de Gier en Carolijn Visser, econoom Flip de Kam, schrijver en schaker Tim Krabbé en vele anderen zorgden ervoor dat Intermagazine een kwaliteitsblad werd met lange, mooie verhalen. Veel van hen gingen later ook schrijven voor Elsevier, toen Schoo daar hoofdredacteur was.
Wereldproblemen
Hans Vervoort begreep wel waarom Schoo zin had in Intermagazine. ‘Hij maakte zich heel erg druk over dingen, over de wereld en de samenleving en welke rol bladen daarin moesten spelen. Psychologie was een beetje een zijspoor; wereldproblemen hadden zijn aandacht.’ Oude vrienden als Herman Vuijsje schreven ook voor het blad, en hij maakte er nieuwe vrienden, zoals schrijver Mischa de Vreede (1936).
Toen zij in 1986 zou meegaan met een persreis naar China maar tot haar schrik merkte dat daaraan nogal wat kosten waren verbonden, wees een vriend haar op het blad. ‘Ik schreef dat stuk toen voor Intermagazine en zo haalde ik de kosten eruit. Toen kwam Schoo bij me thuis, want hij had als hoofdredacteur een heel goede bedside manner, al is dat in retrospect misschien een wat suggestieve benaming. Hij was iemand die het hele stuk nog eens met je doornam, wat er beter zou kunnen. Daarna ben ik meer voor hem gaan schrijven.
‘Hoe we vrienden werden? We vonden elkaar leuk. Ik geloof dat hij me echt als een goede vriendin beschouwde. Hij kwam ook bij me met zijn dove broer, hij nam me mee naar de opera. Soms kwam hij met Anna, soms alleen. Ik geloof dat hij ook wel onder de indruk was van mijn schrijverschap. “O, dus hier gebeurt het allemaal,” zei hij op mijn werkkamer.’
Camperduin
Toen De Vreede in 1991 naar Camperduin was verhuisd, kwam Schoo vanuit Amsterdam op de fiets bij haar op bezoek. Tweeënhalf uur rijden, met een fles wijn in zijn rugzakje. ‘Hij kwam graag in de aspergetijd, dan kocht hij die op de Amsterdamse Noordermarkt en ik maakte ze dan klaar. Ik maakte ook altijd griesmeelpudding voor hem, met krenten en rozijnen, in een hartvormige puddingvorm. Zoals zijn moeder dat maakte.’
De Vreede en Schoo waren het lang niet altijd eens, maar dat leverde nooit onenigheid op. ‘In gesprekken zei hij niet “Nee, want…” maar “Ja, maar…” Dus hij gaf mij de ruimte en stelde zijn eigen visie daartegenover. Dan ga je verder denken. Ja, wat was er nou niet leuk aan Hendrik Jan? Hij was enorm open en een mooie man. Mijn stijl van persoonlijke journalistiek heb ik aan hem te danken, hij zag dat dat bij me paste.’
De Vreede, die in 1983 een jaar writer in residence was in Ann Arbor, Michigan, deelde met Schoo een liefde voor de Verenigde Staten. ‘Toen ik de autobiografie van Barack Obama las, Dromen van mijn vader, vond ik het ontroerend om te lezen dat die in de achterstandswijken van Chicago hetzelfde werk had gedaan als Hendrik Jan.’
Grutto's
Ze deelden ook een liefde voor de natuur. Toen De Vreede naar Camperduin verhuisde, wilde Schoo wedden dat ze binnen anderhalf jaar weer terug zou zijn. ‘“Want jij kunt niet buiten de stad,” zei hij. Nou, dat kon ik prima. Hij kwam hier om te wandelen en was echt een natuurliefhebber die altijd dacht dat hij wist wat hij zag. Grutto’s, wulpen.
‘We hadden het over actuele onderwerpen, maar soms ook wel een beetje roddel. Ik kan me de toestand rond Joop van Tijn herinneren, bekend journalist en hoofdredacteur van Vrij Nederland, die het leven verliet met veel rafeltjes in het persoonlijk leven. Die verhalen hoorde hij graag. Hij was heel moralistisch, maar had ook wel vriendinnetjes. Al praatte hij daar niet uitgebreid over.’
Televisie
Al was Schoo dan graag aan het woord en vaak van zichzelf overtuigd, zijn persoonlijkheid leende zich niet zo voor televisie. Dat was echt iets wat hij domweg niet kon.
‘Dan sloeg hij helemaal dicht,’ zegt Herman Vuijsje. ‘Hij zat er ongelukkig bij, was veel te lang van stof, zijn taalgebruik was wel het tegendeel van de snappy oneliner. Er kwam een heel vertoog uit, hij wachtte tot het woord tot hem werd gericht. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Gek, want hij was een mooie man met een mooie stem en had alles mee. Misschien was hij wel verlegen. Maar ik denk dat het vooral ongemak was en een afkeer van het populistische van het medium. Op zo’n moment moet je volks zijn, en dat was hij niet, al kwam hij qua milieu wel uit het volk.’
Kwaad worden
Wat Schoo wel heel goed kon, was kwaad worden. En hoe. Hij was driftig en zijn woedeaanvallen zijn legendarisch. Onaangenaam voor hem, maar vooral voor degene die de lading over zich heen kreeg. Een groot aantal van zijn vrienden heeft meegemaakt dat hij met irritante weggebruikers soms bijna, soms echt op de vuist ging. Bovendien kon hij kwaad worden over de kleinste dingen. Een verkeerd gespeld woord of een fout lijntje in een lay-out was al genoeg.
Willem Velema kan zich herinneren dat Schoo een keer woedend werd omdat een collega de Molukse doden niet meetelde na de treinkaping van de Molukkers in 1977. ‘Die moest je toch ook meetellen! Dan ontplofte hij echt. Dan werd er gebulderd. Hij was heel gepassioneerd.’ Kwaad werd hij vooral als hij de indruk had dat redacteuren die onder hem werkten niet hun best deden, de kantjes eraf liepen, lui waren, de boel bedonderden, hem alleen lieten ploeteren.
Toen Hans Vervoort, die in 1999 wegging bij de Weekbladpers waar Schoo een jaar later begon als uitgever, hoorde dat hij zulke woedeaanvallen had, schreef hij hem een mail. ‘Toen heb ik geprobeerd uit te leggen dat je je dat als leidinggevende absoluut niet kon permitteren en zeker niet bij de Weekbladpers. Ik zei dat ik dat had gehoord en dat hij echt moest proberen dat af te leren, omdat het zo slecht is voor de verhoudingen. Dan maak je misbruik van je macht. Hij mailde terug dat ik gelijk had en dat hij zijn best zou doen.’
Onwaarschijnlijke combinatie
De stap van Intermagazine naar Elsevier, waar Schoo in 1991 adjunct-hoofdredacteur werd en twee jaar later, na het vertrek van Johan van den Bossche, hoofdredacteur, was niet zo voor de hand liggend.
Mischa de Vreede, die freelance ging schrijven voor Elsevier: ‘Voor mij was het een vreemde tuin om in te tuinieren en voor hem ook.’ Schoo was sociaal-democraat, Elsevier destijds een blad zonder veel richting, maar met een liberaal-conservatief verleden.
Dat leek een onwaarschijnlijke combinatie, maar het werd Schoo’s finest hour. Nu kon hij eindelijk zijn ervaring en zijn opvattingen over bladen maken in de praktijk brengen. En Elsevier bood hem een podium, meer dan eerdere bladen dat hadden gedaan. Hij vestigde zijn reputatie als intellectueel en bladenmaker; Elsevier werd er ook beter van. Schoo ‘combineert grote intellectuele capaciteiten met een passie voor het maken van winstgevende bladen, een combinatie die vrij zeldzaam is’, schrijft Gerry van der List in Meer dan een weekblad, het boek over de geschiedenis van Elsevier dat in 2005 verscheen. De totale betaalde oplage steeg van 118.000 in 1991 naar 124.160 bij zijn vertrek in 1999.
Functioneel
Ook bij Elsevier koos hij niet voor een kunstzinnige vormgeving. Het blad moest er vooral functioneel uitzien. Maar vooral de inhoud werd anders gebracht. Kort en zakelijk was belangrijker dan stijl. Verhalen werden opgeknipt in kleinere, makkelijk leesbare stukken. Het blad werd niet gemaakt voor de highbrow grachtengordelbewoner, maar voor de hardwerkende Nederlander die weinig tijd had voor lange verhalen. Las je Elsevier, dan had je al het nieuws van die week in één keer te pakken. En dat nieuws werd koel en afstandelijk opgeschreven. Het was news you can use, nieuws waar je wat aan had.
Schoo pakte de zaken stevig aan. De redacteur die, zo beschrijft Van der List, zijn werkzaamheden omschreef als ‘bij het raam zitten’, vloog eruit. Redacteuren leerden hun verhalen ‘kantelen’, een geliefde uitspraak van Schoo, die zich met de inhoud van het blad bemoeide tot het bij de drukker lag. Sommige redacteuren doken in elkaar wanneer hij een stuk met ze wilde bespreken, zo gevreesd waren zijn driftbuien. Maar hij kon ook zeer meelevend en liefdevol zijn wanneer een van zijn redacteuren privé problemen had.
Immigratie
In een interview met het Reformatorisch Dagblad zei Schoo in 1995: ‘We kunnen op het scherp van de snede schrijven, helder analyseren, duidelijke keuzes maken, dilemma’s onverbloemd tonen, zonder een vooropgezette ideologische positie in te nemen. Daarnaast hebben we kleur, compactheid, overzichtelijkheid.’
Maar Schoo kon in Elsevier ook zijn meningen kwijt. ‘Hij kon bij Elsevier zijn kijk op de wereld laten zien. Dat heeft hij daar kunnen vormgeven en dat vond ik goed,’ zegt Willem Velema. Zo wees Schoo als een van de eersten in Nederland op het gevaar van de massale immigratie. In de Verenigde Staten had hij gezien dat werk de beste manier van integreren is; beter dan jaren, soms een leven lang, van een uitkering bestaan.
In een interview met HP/De Tijd in 2000 zei hij: ‘Wil je het integratieprobleem oplossen, dan zul je de immigratie moeten temperen. Men vergeet dat je allereerst de economie nodig hebt en niet het buurthuis. De emancipatie van de arbeider is ook via de economie gegaan. Maar je wordt in een hoek gezet als onbevoegde wanneer je zoiets zegt.’
Public intellectual
Marc Chavannes (1946), politiek commentator van NRC Handelsblad, leerde Schoo kennen toen die nog hoofdredacteur was van Intermagazine. Ze ontmoetten elkaar omdat er even sprake was van het oprichten van een Nederlandse International Herald Tribune. ‘Binnen vijf minuten was ik met hem in gesprek en ik raakte nooit meer uit gesprek,’ zegt Chavannes. Die krant kwam er niet, wel een vriendschap.
‘Hij heeft Elsevier intelligenter rechts gemaakt dan het was. Hendrik Jan positioneerde het blad commercieel effectief en prikkelend. Hij herschiep het in een intelligent conservatief blad.’ Als hoofdredacteur van Elsevier werd Schoo een public intellectual, een positie die hem goed beviel. Hij wilde natuurlijk wel dat er naar hem werd geluisterd. In zijn afscheidsinterview in 1999 in Elsevier met Hugo Camps zei Schoo: ‘Ik ga liever ’s avonds naar huis en praat en lees. Ik ben te weinig sociabel, te weinig snob, zo je wil.’ En in het interview met HP/De Tijd in 2000: ‘Ik heb een groot gemak en dat is dat ik gelukkig niet zoveel mensen ken.’
Koketterie
Maar dat was koketterie. Herman Vuijsje denkt dat Schoo het heerlijk vond om opgenomen te zijn in de kring van the great and the good. ‘Voor hem was scoren van belang. Hij kon niet goed de minste zijn. In sociale situaties wilde hij excelleren, hij wilde de belangrijke mensen kennen. Dat was geen snobisme, het hoorde bij zijn ambitie om de eerste te zijn, krachtig en sterk, iedereen de baas.’ Sociale ambitie.
Vuijsje en Schoo waren een keer uitgenodigd bij een conferentie over Rotterdam in het plaatselijke Westin Hotel. ‘Een illuster gezelschap. Ik was erbij als chroniqueur. Op de een of andere manier kwam ik voor het diner terecht tussen Ivo Opstelten, toen de burgemeester, en Alexander Rinnooy Kan, de twee top dogs van het gezelschap. Toen zag ik hem duidelijk manoeuvreren en doen zodat hij aan dezelfde tafel kwam zitten. Dat vond ik opmerkelijk, dat gedoe om bij de macht te willen zijn. Maar hij zou nooit gaan slijmen om erbij te horen.’
Lunchen
Schoo vond het ook leuk om interessant te doen over mogelijke banen die hem werden aangeboden. Vuijsje: ‘Hij vertelde me vaak geheimen en die hadden altijd met carrièreswitches te maken. “Ja, ik ben benaderd voor dit of dat, maar je mag het niet doorvertellen,” zei hij dan.’
Schoo was niet het type hoofdredacteur dat vrienden maakte bij zijn redactie. Aan gezamenlijk lunchen deed hij niet bij Elsevier: zijn lunch bestond altijd uit een beker melk en twee boterhammen met kaas, die hij in zijn kamer alleen opat, terwijl hij de krant las.
Over zijn zuinigheid doen talloze anekdotes de ronde. Over zijn weigering om redacteur Bert Bommels tegemoet te komen in diens telefoonkosten, toen hij op reportage in Suriname zijn stervende moeder af en toe belde. Over de kerstborrel waar iedereen vanaf half negen zijn eigen drankjes moest betalen. Privé was hij juist heel gul. Als hij met mensen uit eten ging, betaalde Schoo altijd, uit een soort gêne om ongemakkelijke situaties voor te zijn.
Pim Fortuyn
Op aanraden van Arendo Joustra (1957), die Schoo later als hoofdredacteur opvolgde, werd Pim Fortuyn in 1993 columnist bij Elsevier. Niemand kon destijds vermoeden hoe Fortuyn zich later zou ontpoppen, maar Schoo zag in elk geval op een gegeven moment wel dat de populariteit van zijn columnist betekenis had. In 2004 omschreef Schoo Fortuyn als ‘de flamboyante, exhibitionistische dandy,’ met zijn ‘extraverte optreden, zijn onvoorspelbaarheid, zijn ontremming en triomfalisme, zijn agressie en zelfverzekerdheid’.
‘Hij had veel lef door Fortuyn erbij te halen,’ zegt Anna de Haas. ‘Hendrik Jan was bereid om te zien waar de man gelijk in had. Hij keek verder dan zijn neus lang was, voorbij dogma’s en politieke overtuiging.’ ‘Hij dacht,’ zegt Herman Vuijsje, ‘dat de achterban van Fortuyn bestond uit dikke makelaars en een soort Lumpenproletariat. Maar volgens mij sprak Fortuyn een veel diversere groep aan van mensen die, op grond van begrijpelijke frustraties, ontevreden waren.’
De groep die in de steek was gelaten door de PvdA, toen die partij zich losmaakte van de arbeiders. ‘Hij had al vroeg kritiek op links,’ zegt Willem Velema. ‘De arbeiders werden genegeerd, er werd op ze neergekeken, en wat ze zeiden, werd niet serieus genomen. Wij waren er allang van overtuigd dat begrippen als “links” en “rechts” niet meer zoveel betekenden. De opkomst van Nieuw Links was de omslag bij de PvdA, en daar had hij helemaal niets mee.’
Kernthema's
In Dwars en bewogen, de verzameling toespraken en necrologieën die werden gebundeld na de herdenkingsbijeenkomst voor Schoo, stelt Volkskrant-journalist Martin Sommer: ‘Zijn kernthema’s waren die van de thuisloze Drees-sociaal-democraat die hij altijd is gebleven. Die thema’s kwamen in allerlei gedaantes terug, als ‘de deftigheid in het gedrang’ (naar de bundel artikelen van politicus en essayist Jacques de Kadt), insiders en outsiders, hoog en laag, regenten en upstarts, sociale stijging en daling.
Vandaar zijn sympathie op afstand voor de buitenstaander Fortuyn, en zijn instemmend citeren van de Britse ambassadeur Colin Budd, toen die schreef dat Fortuyn “iets heel belangrijks had gedaan: de strijd aanbinden met regenten die vinden dat bepaalde onderwerpen te belangrijk zijn om aan het volk over te laten”.’
Originaliteit
In 1997 leerde Schoo Teun Gautier (1968) kennen, bij Elsevier verantwoordelijk voor marketing en sinds 2009 uitgever van De Groene Amsterdammer. Gautier herkende veel van zichzelf in Schoo, maar was ook onder de indruk van zijn originaliteit.
De stap naar vriendschap verbaasde hem wel een beetje, al hadden ze wel iets gemeen. ‘Ik ben een mavo-kindje en hij deed de mulo. Ik maak altijd het onderscheid tussen referentiële en genererende denkers; de eerste hebben referenties nodig om de volgende stap te kunnen zetten, en de andere hebben niets nodig om te kunnen denken. Je hebt maar weinig van zulke mensen en hij was er één van. Hij kwam echt met ideeën uit het niets.’
Hartaanval
In 1997 kreeg Schoo een zware hartaanval, die niet adequaat werd behandeld: in het Lucas Andreas Ziekenhuis, waar hij terechtkwam, gebeurde de eerste uren helemaal niets en daarna bleek hij allergisch voor het rubber van de stent die werd ingebracht. Vijf bypasses kreeg hij.
Bij Elsevier werd hij tijdens zijn afwezigheid vervangen door Arendo Joustra. Na zijn terugkeer besloot hij in 1999 om in te gaan op een aanbod van Pieter Broertjes (1952), die hem als adjunct wilde hebben bij de Volkskrant, waar Broertjes hoofdredacteur was.
Eerste keus was Schoo niet. Dat was, pikant genoeg, Joustra. Toen die het aanbod afsloeg, werd Schoo gevraagd en die zei ja. ‘Bij Elsevier was hij niet meer nodig, dacht hij. “Ik ben te veel, wat moet ik daar,” zei hij. Daar was hij wel wat melancholiek over,’ zegt Anna de Haas. ‘Maar hij bleef nooit ergens langer dan zes jaar. Het gras was altijd groener aan de andere kant. Iets anders lokte, iets spannends, iets nieuws.’
Verkeerde keuze
Dat spannende, nieuwe bleek na een paar maanden al een verkeerde keuze. Schoo had zich vergist. En Pieter Broertjes ook. ‘Ik vond hem een sterke bladenmaker. Hij heeft een keer een lezing gehouden bij de Volkskrant en toen vroeg hij: “Waar is de ziel van de krant?” Dat raakte mij enorm. Die ziel lag van oudsher bij de kerk, de vakbeweging, de PvdA. Maar nu?’
Schoo wilde bij de Volkskrant nog eens doen wat bij Elsevier zo’n succes was geworden: de krant een beetje ombuigen, ditmaal in de richting van wat Martin Sommer in Dwars en bewogen ‘prudent progressief’ noemt. Dat leek Broertjes prima. ‘Hij had wel een wat rechtsere oriëntatie, en ik vond het fijn om iemand erbij te hebben die onze vanzelfsprekendheden ter discussie stelde.’
De omvang van de krant was vele malen groter dan van Elsevier. Een redactie van 250 man in plaats van ruim 50. Een complexe organisatie waarin hoofdredacteur Broertjes zijn weg wel had gevonden, maar waarmee Schoo niet uit de voeten kon. ‘In zo’n grote groep is er altijd wel ergens iets aan de hand. Hij vergiste zich in de maatvoering en grootte. Het viel hem echt tegen.’
Tweede man
Het was niet alleen de omvang van de redactie. Ook zijn positie – als adjunct was hij tweede man en verantwoordelijk voor de journalistieke inhoud – viel hem niet mee. Na een maand of drie, vier had hij door dat hij niet op zijn plaats was. ‘Schoo was ook dominant en heerszuchtig. De tweede man zijn was niets voor hem,’ zegt Broertjes. ‘Maar gek genoeg boekte hij ook met zijn journalistieke plannen geen successen. Verslaggevers moesten met een opdracht op pad, een hypothese, en die moesten ze dan bewijzen. Daar werden ze onzeker van. We hebben dat jaar openingen van de krant gehad… dat zijn later anekdotes geworden.’
Schoo werkte met een ijzeren discipline. Het leek wel of hij altijd op de krant was. ‘Ik dacht wel eens: dit houd je niet vol,’ zegt Broertjes. Schoo probeerde de redactievergaderingen naar zich toe te trekken. ‘Hij wilde de krant in de palm van zijn hand houden, maar dat lukt niemand meer. Elke dag hadden we commentaarvergaderingen en die leidt de hoofdredacteur, daar hoeft de adjunct niet per se bij te zijn.’ Maar Broertjes zag hoe Schoo daar elke keer bij kwam zitten, en dat niet alleen. Hij had al een aantal commentaren geheel uitgeschreven, terwijl die vergaderingen toch vooral waren bedoeld om onderwerpen te bedenken en bespreken.
Ontzag en irritatie
Schoo wilde het beste jongetje van de klas zijn. ‘Dat gaf wel wat ongemak. Je voelde een mengeling van ontzag en irritatie: dat iemand dat al had zitten doen, maar ook: laat een ander eens een keer!’ In ‘Populistisch reveil’ van 2004, later opgenomen in Republiek van vrije burgers, zegt Schoo: ‘Zomer 2000 schreef ik als adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant voor een gedachtewisseling van commentatoren een korte notitie over de staat van de Nederlandse democratie.’ Niets meer, maar ook niets minder.
Schoo had weinig contact met de redactie. ‘Daar was hij vrij eenzaam. Die redactie was ook niet makkelijk te veroveren. Dan sjokte hij naar huis en dan die twee trappen omhoog, ik dacht wel eens: goh man, doe eens wat leuks. Hij had ook heel saaie vakanties, dan ging hij vogelen. Hij gunde zichzelf geen leuker leven.’
Na een jaar ging Schoo weg. Hij had al veel eerder gezegd dat het niet ging. ‘We hebben het er daarna niet meer over gehad,’ zegt Broertjes. Dat zou misschien ook niet zo zinvol zijn geweest. ‘Schoo was niet iemand om te zeggen: het lag aan mij.’
Directeur-uitgever
In 2000 werd Schoo directeur-uitgever van de Weekbladpers, waar bladen als Vrij Nederland, Opzij, Voetbal International, en oude bekende Psychologie Magazine werden uitgegeven. ‘Van de haaienvijver in de leeuwenkuil,’ constateert Mischa de Vreede droogjes.
Met Vrij Nederland, ooit volgens hoofdredacteur Joop van Tijn ‘de journalistieke maatstaf’, ging het niet goed. Schoo vond dat het een blad was gebleven voor de generatie van de jaren zestig. ‘Mensen die nog met lezen als favoriete vrijetijdsbesteding zijn opgegroeid,’ zei hij in 2001 in het AD. Na de plotselinge dood van Van Tijn in 1997 waren hoofdredacteuren gekomen en gegaan, het blad verloor abonnees en leek de weg volstrekt kwijt.
Rond 2000 was het abonneestand van het opinieblad in een vrije val gekomen. Na een omstreden stuk over toenmalig PvdA-partijvoorzitter Marijke van Hees zegden een tijd wekelijks 1.500 lezers het blad op.Tegelijk met Schoo werd Xandra Schutte (1963), redacteur bij Vrij Nederland, benoemd tot hoofdredacteur. Schutte en Schoo kenden elkaar niet toen Schoo aantrad. ‘Ik mocht hem van tevoren ontmoeten, als enige,’ zegt Schutte, sinds 2008 succesvol hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. Die ontmoeting vond plaats in het Sonesta Hotel, vlak bij zijn huis. Dat was wel memorabel, want het duurde drie uur, waarbij ik één kwartier heb gepraat en hij de rest. Hij vertelde vooral hoe hij het bij Elsevier had aangepakt, hoe hij dingen veranderde, en hij wilde weten wat voor ideeën ik had.’
Formule
In 2001 werd de formule van het blad veranderd: kleiner, handzamer. De inhoud werd opiniërender. Schoo wilde ‘behoud, terugwinnen en aanboren van lezers. Dat is een heel lastige slag en ik heb geen garantie voor succes,’ zei hij in het AD in 2001. Vrij Nederland was, zei hij in De Journalist in 2000, ‘the jewel in the crown' , en een blad dat hij vanaf zijn zestiende las.
Het werd Schoo’s laatste vaste baan en wat weer een succes had moeten en misschien ook wel kunnen worden, werd geheel overschaduwd door de verhouding die Schoo en Schutte kregen. Dat was smullen voor de grachtengordel: Schoo was een getrouwde fatsoensrakker, Schutte was lesbisch en woonde samen met schrijfster Doeschka Meijsing. Bovendien was Schoo haar baas. De e-mails die ze uitwisselden met plannen voor een omvorming van Vrij Nederland, lagen al snel op straat.
Samuel
De rel was compleet toen Schutte zwanger werd en op 15 januari 2005 beviel van Schoo’s zoon, Samuel. Zowel Schutte als Schoo vertrok vanwege de kwestie, in respectievelijk 2004 en 2005. Hendrik Jan Schoo was een man van mannenvriendschappen. Met hen voerde hij de gesprekken die hij waardeerde, over de wereld, over grote, belangrijke kwesties. Maar ook vrouwen speelden een grote rol in zijn leven, want net als zijn vader was hij een flirt.
Schoo was een ‘mooie man’, zegt schrijfster Mischa de Vreede. En dat niet alleen: hij was voor sommige vrouwen onweerstaanbaar. Schoo was zo’n man die je tijdens een gesprek kon aanraken, hij had een sterke fysieke aanwezigheid. In winkels rolden de verkoopsters over elkaar heen om die aantrekkelijke man te mogen helpen. Op straat keken vrouwen om.
Verhouding
Hij bleef zijn hele leven met Anna de Haas, maar had ‘rijen vriendinnen’, zoals een van zijn vrienden zegt. Op de redactie van Elsevier kreeg hij een verhouding met een buitenlandredacteur, een zaak waarover hij bij zijn afscheidsspeech opmerkelijk openhartig was. Hij weet zijn hartaanval van 1997 zelfs aan die verhouding – niet aan het harde werken.
In zijn vele gesprekken met vrienden was zijn promiscuïteit amper een onderwerp. Volgens Herman Vuijsje was Schoo daarvoor te gesloten. Gjalt Huppes: ‘Heel veel mensen hebben zulke lastigheden in hun leven en het is zo dat dat zich meestal oplost, al is dat niet altijd op een vrolijke manier.’
Over zijn liefdesperikelen sprak Schoo en passant, bij het wachten op de bus. Mischa de Vreede nam hij in vertrouwen. ‘Over zijn laatste muddle hebben we een lang telefoongesprek gehad, toen was hij vreselijk emotioneel. Dat vond hij echt heel, heel erg.’
Bende
De laatste zeven jaar van Schoo’s leven waren maatschappelijk een succes. Door zijn column in de Volkskrant groeide hij, toen hij eenmaal zijn doctorandussenstijl had afgelegd, uit tot een public intellectual van formaat. En dat wilde hij altijd graag.
Maar privé was het een bende. Schoo kon of wilde niet kiezen tussen Anna de Haas, met wie hij al zo lang samen was, en Xandra Schutte, die de moeder van zijn kind werd. ‘Zijn laatste jaren waren niet erg fatsoenlijk,’ zegt Vuijsje. ‘Dat is wel tragisch. Hij was niet te beroerd om mensen te kapittelen over dingen, en dit was voor hem heel erg omdat hij zo fatsoenlijk was.’
Anna de Haas: ‘Hij vond het vreselijk dat hij zijn ontrouw zo ver uit de hand had laten lopen. En dat de hele stad het erover had. Dat vond hij zo erg. Hendrik Jan was heel erg privé. Het was eigenlijk een grote depressie. Hij had er een zootje van gemaakt. De laatste twee jaar waren een ellende.’
Vaste plek
Na Schoo’s vertrek bij de Volkskrant bleven hij en Pieter Broertjes bevriend. In 2003 bood Broertjes Schoo een vaste plek aan op de opiniepagina van de zaterdagkrant, een belangrijke positie bij de krant. Hij was Schoo’s enthousiasme tijdens de commentaarvergaderingen niet vergeten. ‘Ik wist dat hij die plek graag wilde. En hij heeft er wel wat van gemaakt. Die eerste column was moeizaam, maar daarna werd het steeds beter. Hij vond een enorme erkenning voor wat hij kon. Hij was een gevierd hoofdredacteur en bladenmaker, maar hij vond het het mooiste wanneer je zei dat hij zo’n mooie column had geschreven. Invloed op het debat – daar ging het om.’
Willem Velema was Schoo’s eerste lezer. Het bleek het beste om schriftelijk contact te hebben. ‘Als we erover praatten, ging hij tegenstribbelen. Schoo was een enorm assertieve man, maar mijn kritiek was nooit een probleem. Hij mailde zijn stuk door en ik mocht ermee doen wat ik wilde. Ik haalde om te beginnen al het Latijn eruit, dat vind ik meestal nergens voor nodig en pretentieus, en vaak is er een Nederlands woord voor. Maar het moest wel zijn verhaal blijven. In het niet-digitale tijdperk had het nooit gekund.’
Klankbord
Ook Marc Chavannes was een klankbord. Ze voerden telefoongesprekken die uren duurden. ‘Ik vond dat hij beter was, knapper, verrassender dingen bij elkaar zocht. Hij vond dat ik beter schreef. Hij kreeg de kritiek dat hij te veel bij elkaar wilde zetten in te weinig ruimte.’
Schoo moest leren zich te beperken: toen hij had afgeleerd om bijvoorbeeld het populisme te verklaren in zevenhonderd woorden, en niet langer stijve zinsnedes als ‘Dat zo zijnde…’ gebruikte, wonnen zijn columns aan leesbaarheid en helderheid. Maar, zegt Chavannes, ‘hij kon zo goed verbanden leggen, dat je dacht: het is ingewikkeld, maar zo zit het dus! Die Volkskrant-stukken waren knap en origineel. De krant drukte dat besmuikt af, zo van: hij schijnt goed te zijn en we moeten ook een rechtse stem hebben. Maar hij was helemaal niet rechts. Hij was een dakloze sociaal-democraat die van de natuur hield en van mensen. Dat rechtsige was ook uitdagend bedoeld, in een tijd waarin journalisten een makkelijk soort pseudo-linksisme aanhingen.’
LPF
Teun Gautier: ‘Hij maakte een transformatie van mulo-kindje naar een icoon van het intellectueel discours – dat is wel een tocht.’ De columns van Schoo zijn nog steeds zeer leesbaar, vooral die waarin hij de opkomst van de LPF beschrijft. Dat deed hij kritisch en met kennis van zaken, zonder vooringenomenheid. Schoo bewonderde de techniek van wat hij thick description noemde en die hij had gezien in Let Us Now Praise Famous Men, het boek van de Amerikaan James Agee over de Amerikaanse onderklasse. Dat betekende een onderzoekende instelling, een open oog, gecombineerd met sociologische verbeeldingskracht.
Weinig andere columnisten zullen zo behendig als Schoo deed in ‘Politieke Mythologie’ uit 2003, een stuk beginnen met de teloorgang van de ‘ij’, vervolgens even een draai maken bij Roland Barthes’ Mythologieën en ten slotte tot rust komen in een pleidooi voor ‘getrainde scepsis’ als inspiratiebron. Schoo was dan van eenvoudige komaf; intellectueel was hij allang niet meer van de straat.
Boekenuitgever
Toen Schoo in 2005 vertrok bij de Weekbladpers, was er even sprake van dat hij uitgever zou worden bij de boekenpoot van PCM, uitgever van kranten als de Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad. Mai Spijkers, directeur van uitgeverij Prometheus, stond daar toen aan het hoofd van de nieuwe divisie Algemene Boeken. Hij voerde de onderhandelingen met Schoo en vertelt dat Schoo de grote nieuwe boekenuitgever van Nederland zou worden. Er was sprake van het uitgeven van de memoires van oud-premier Wim Kok.
De onderhandelingen met Schoo liepen stuk op de arbeidsvoorwaarden. Met Teun Gautier begon Schoo een bedrijfje. Ze deden een project voor de FD Groep, uitgever van Het Financieele Dagblad en voor PCM. ‘We kregen de vraag vanuit PCM of we de portefeuille wilden doorlichten, en dan speciaal de verhouding tot andere publicaties. Erg leuk om te doen en hij kon dat ook goed. Door zijn ziekte en dood is het niet echt van de grond gekomen.’
Tederheid
De laatste jaren werden privé getekend door Schoo’s turbulente liefdesleven. Met zijn zoon was hij dolblij. Hij beschikte over grote tederheid. Schutte: ‘Toen Samuel een baby was, ging hij daar zo vanzelfsprekend mee om. Een kleine baby is zo fragiel, zo breekbaar dat het eng is, maar met die grote handen deed hij dat met gemak. Ook luiers verschonen.’
Anderhalf jaar voor zijn dood betrok hij een appartementje aan de Amstel. ‘Een woninkje van hooguit 40 vierkante meter,’ zegt Herman Vuijsje. ‘Ongezellig ingericht. En daar zat hij dan in de voorkamer met een groot raam, in een te kleine stoel heel ongelukkig te zijn. Dat was aangrijpend.’ Het was bedoeld als afkoelperiode of misschien ook wel als tussenstation, op weg naar een ander leven.
Normandië
Gezond was Schoo na die zware hartaanval van 1997 niet echt meer. Dat merkte Herman Vuijsje tijdens hun laatste wandeling in Normandië. ‘Dat was al moeilijk. Als we moesten klimmen, moest ik heel lang op hem wachten en dat was vervelend voor hem. Want Hendrik Jan was erg competitief. En dat kon helemaal niet meer, dat was aangrijpend. Dan was ik al boven en moest ik tien minuten wachten en dan kwam hij ook boven, zwaar hijgend. Heel zielig eigenlijk.’
Gjalt Huppes: ‘Hij is gevlucht voor alles wat hij niet meer aankon. Iemand had hem in zijn nekvel moeten pakken, moeten zeggen: ga naar de dokter! Ik stond erbij en zag hem doodgaan. Als hij opstond, zag je een oude man en het was altijd een beer van een vent.’
Second opinion
In augustus 2007 ging Schoo voor een second opinion naar het Leids Universitair Medisch Centrum. Hij moest meteen blijven, zo slecht was hij eraan toe. Voor hij werd geopereerd, kwamen zijn vrienden bij hem langs. Geen van hen bewaart daar prettige herinneringen aan. ‘Dat was niet vrolijk,’ zegt Huppes.
‘De verkramptheid waarmee hij over dingen bleef praten die hij niet meer aankon. Je zag gewoon dat hij doodging.’ Pieter Broertjes ziet nog voor zich hoe Schoo hem stond uit te zwaaien, vlak voor de operatie. ‘Ik kon me niet voorstellen dat hij in de vier weken daarna zo zou worden gesloopt.’
In zijn laatste column, geschreven vanuit het ziekenhuis, moest Schoo zich beperken tot zijn kamer. ‘Gisterochtend en -avond waren er nog gierzwaluwen aan de hemel: onhoorbaar, want geen enkel geluid van buiten dringt in mijn kamertje door.’ Mischa de Vreede zag hem één dag voor de operatie. Ze herkende hem amper. ‘Hij was bijna 35 kilo afgevallen.’
Knipperen
Herman Vuijsje kwam nog een keer na de operatie. ‘Daar lag hij aan al die apparatuur en ik zag dat er in dat hoofd nog van alles aan de gang was. Maar hij kon alleen nog maar met zijn ogen knipperen.’ Een paar uurtjes dacht Schoo in het ziekenhuis te moeten blijven: hij kwam er niet meer uit.
Schoo overleed aan een longbloeding op 5 september 2007. Zijn vrienden Herman Vuijsje en Teun Gautier had hij gevraagd om in geval van overlijden de harde schijf van zijn computer te wissen. ‘Wel bewaren wat van belang was, en de rest vernietigen. We hebben toen een avond in zijn huis aan het Singel gezeten. Dat was wel vreemd.’
Omdat Schoo zo van wandelen en fietsen in Waterland hield, zijn Vuijsje en Anna de Haas met de harde schijf met de pont naar Noord gegaan. ‘En toen hebben we met enig ceremonieel de schijf overboord gegooid.’