Nieuws

Europese Unie

Tony Blair: 'Tijd voor leiderschap'

door Administrator 28 jul 2005

'In elke crisis zit een kans. Er is nu een kans voor Europa, als we de moed hebben die te grijpen.' De volledige tekst van de toespraak die de Britse premier Tony Blair op 23 juni hield voor Europees Parlement in Brussel.

'Het is een eer om vandaag hier in het Europees Parlement te zijn.

Als u het goed vindt, zal ik hier tijdens het Brits voorzitterschap na elke Europese Raad weer komen en verslag aan u uitbrengen.

Bovendien wil ik graag het parlement raadplegen voor elke Raad, zodat ik weet wat de opvattingen zijn van het Europees Parlement voordat de Raad zich over onderwerpen buigt. Dit is een goed moment voor een toespraak.

Waarover Europa het vandaag ook oneens mag zijn, over één ding is iedereen het eens: Europa zit midden in een diepgaand debat over zijn toekomst. Vandaag wil ik een helder betoog houden over dat debat, wat daar de redenen voor zijn en hoe we eruit kunnen komen.

In elke crisis zit een kans. Er is nu een kans voor Europa, als we de moed hebben die te grijpen. Het debat over Europa moet niet worden gevoerd door beledigingen uit te wisselen of door het over personen te hebben.

Het zou een open en eerlijke uitwisseling van ideeën moeten zijn. En ik wil nu meteen duidelijk uitleggen hoe ik dat debat zie en de onenigheid die eraan ten grondslag ligt. Het gaat niet om een Europa van de ‘vrije markt’ tegenover een sociaal Europa, om hen die zich willen terugtrekken op een gemeenschappelijke markt, en zij die geloven in Europa als een politiek project.

Dat is niet alleen een verkeerde voorstelling van zaken. Het is een poging om degenen die een verandering willen in Europa, te intimideren door hun verlangen naar verandering voor te stellen als verraad aan het Europese ideaal, het is een poging om een serieus gesprek over de toekomst van Europa af te kappen door te beweren dat alleen al het verlangen van een debat anti-Europees is.

Tegen die manier van denken heb ik mijn hele politieke leven gevochten. Idealen overleven door verandering. Ze sterven wanneer traag wordt gereageerd op een uitdaging.

Ik ben een hartstochtelijk voorstander van Europa. Dat ben ik altijd geweest. De eerste keer dat ik stemde was in 1975 bij het Britse referendum over het lidmaatschap en ik stemde voor.

In 1983, toen ik de laatste kandidaat in het Verenigd Koninkrijk was die vlak voor de verkiezingen werd geselecteerd en toen mijn partij terugtrekking uit Europa als beleid had, vertelde ik de selectiecommissie dat ik het met die lijn niet eens was.

Er waren mensen die dachten dat ik niet geselecteerd zou worden. Sommigen hoopten dat misschien. Ik heb er toen aan bijgedragen om ons beleid in de jaren tachtig te veranderen en was trots op die verandering.

Sinds ik premier ben, heb ik het Sociaal Handvest getekend, heb ik, met Frankrijk, geholpen om het moderne Europese Defensie Beleid vorm te geven, heb ik mijn aandeel gehad in de verdragen van Amsterdam, Nice en Rome.

Dit is een unie van waarden, van solidariteit tussen staten en mensen, niet alleen een gedeelde markt waarin we handel drijven, maar een gedeelde politieke ruimte waarin we als burgers leven. Dat zal het altijd zijn. Ik geloof in Europa als politiek project.

Ik geloof in een Europa met een sterke en zorgzame sociale dimensie. Ik zal nooit een Europa aanvaarden dat alleen een economische markt is.

Als je zegt dat het daarom gaat, vermijd je het echte debat en verschuil je je in de gemakkelijke veiligheid van dingen die we altijd tegen elkaar hebben gezegd als het moeilijk werd.

Er is geen scheiding tussen het Europa dat nodig is voor economisch succes en het sociale Europa. Het politieke Europa en het economische Europa wonen niet in aparte kamers.

De bedoeling van een sociaal Europa en een economisch Europa moet zijn om elkaar te steunen. Een politiek Europa moet ervoor zorgen dat democratische en effectieve instituties op die beide terreinen beleid kunnen ontwikkelen en overal waar we in ons aller belang willen en moeten samenwerken.

Maar de bedoeling van politiek leiderschap is om de politiek op orde te krijgen voor de wereld van vandaag. Dat hebben de leiders van Europa vijftig jaar lang gedaan.

We spreken van een crisis. Laten we het eerst hebben over successen. Na de oorlog lag Europa in puin. Vandaag is de EU een monument voor politiek succes. Bijna vijftig jaar vrede, vijftig jaar voorspoed, vijftig jaar vooruitgang.

Denk eraan, en wees dankbaar. De tijdgeest is in het voordeel van de EU. Landen in de hele wereld komen samen omdat ze hun individuele kracht vergroten door samen te werken.

Tot de tweede helft van de twintigste eeuw hebben individuele Europese naties eeuwenlang de wereld gedomineerd, grote delen ervan gekoloniseerd, oorlog tegen elkaar gevoerd om de wereldheerschappij.

Uit de slachting van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden politieke leiders de visie dat die dagen voorbij waren. De wereld van vandaag doet geen afbreuk aan die visie.

Zij toont aan hoe vooruitziend die was. De Verenigde Staten zijn de enige supermacht ter wereld.

Maar China en India zullen over een paar decennia de grootste economieën ter wereld zijn, elk met een bevolking drie keer zo groot als die van de hele EU.

Het idee van Europa, verenigd en samenwerkend, is voor onze landen van levensbelang om hun plaats in de wereld te behouden.

Nu, vijftig jaar verder, moeten we vernieuwen. Daar is niets beschamends aan. Dat moeten alle instituties. En we kunnen het ook. Maar alleen als we de Europese idealen waarin we geloven, verbinden met de moderne wereld waarin we leven.

Als Europa toegeeft aan euroscepticisme, of als Europese landen in het zicht van deze enorme uitdaging besluiten om bij elkaar te kruipen, in de hoop dat we globalisering dan kunnen vermijden, als we terugdeinzen voor de confrontatie met de veranderingen om ons heen, als we ons verschuilen achter de huidige Europese beleidsthema’s alsof we ze alleen al relevanter maken door ze steeds te herhalen – dan lopen we het risico van mislukking.

Een mislukking van enorme, strategische afmetingen.

Dit is niet het moment om degene die Europa willen veranderen, ervan te beschuldigen dat ze Europa verraden. Het is het moment om in te zien dat Europa alleen door te veranderen zijn kracht, zijn relevantie, zijn idealisme kan herwinnen en daarmee zijn steun onder de volkeren.

En zoals altijd lopen de mensen voor de politici uit. Wij, de politieke klasse, denken altijd dat de mensen die niet bezig zijn met de dagelijkse obsessies van de politiek, het niet begrijpen, de subtiliteiten en de complexiteit ervan niet zien.

Maar uiteindelijk zien mensen de politiek altijd scherper dan wij. Precies omdat ze er niet dagelijks door worden geobsedeerd.

Het gaat niet om het idee van de Europese Unie. Het gaat om vernieuwing. Het gaat om beleid. Het is geen debat over hoe we Europa in de steek gaan laten, maar over hoe we ervoor zorgen dat Europa doet waartoe het in het leven is geroepen: het leven van mensen verbeteren.

En op dit moment zijn ze daar niet van overtuigd. Denk daaraan.

Vier jaar lang, waarvan twee in de Conventie, heeft Europa een debat gevoerd over onze nieuwe Grondwet. Dat was een gedetailleerd en zorgvuldig werkstuk dat nieuwe regels geeft om een Europa van 25 en later 27, 28 en meer lidstaten te besturen.

Het werd bekrachtigd door alle regeringen. Het werd gesteund door alle leiders. Het werd toen totaal verworpen in referenda in twee van de landen die de EU hebben opgericht, in het geval van Nederland met meer dan 60 procent.

De werkelijkheid is dat het in de meeste lidstaten vandaag moeilijk zou zijn een ‘ja’-stem te krijgen in een referendum. Er zijn twee mogelijke verklaringen.

De ene is dat de mensen de Grondwet hebben bestudeerd en het oneens zijn met specifieke artikelen. Ik betwijfel of dat aan de basis lag van de meerderheidsstem tegen.

Dit ging niet om een slecht opgestelde wet of onenigheid over specifieke teksten. De andere verklaring is dat de Grondwet alleen een manier was voor mensen om een groter en diepgaander ongenoegen over de stand van zaken in Europa te uiten.

Ik geloof dat dat de juiste uitleg is. Als dat zo is, is het geen crisis van politieke instituten, maar een crisis van politiek leiderschap.

Mensen in Europa stellen ons moeilijke vragen. Ze maken zich zorgen over globalisering, de zekerheid van werk, over pensioenen en de levensstandaard. Ze zien niet alleen de economie om zich heen veranderen, maar ook de maatschappij.

Traditionele gemeenschappen gaan kapot, etnische patronen veranderen, het gezinsleven staat onder druk terwijl gezinnen worstelen om een evenwicht te vinden tussen werk en thuis. We leven in een periode van diepgaande veranderingen en omwentelingen.

Kijk eens naar onze kinderen en de technologie die zij gebruiken, en de arbeidsmarkt die hun wacht. De wereld is onherkenbaar veranderd sinds wij twintig, dertig jaar geleden studeerden.

Als zulke veranderingen zich voordoen, moeten gematigden leiding geven. Doen ze dat niet, dan nemen de extremen het voortouw in het politieke proces. Zo gebeurt dat in een land. Het gebeurt nu in Europa.

Bedenk dat de Declaratie van Laken, die de aftrap was voor de Grondwet, was bedoeld om ‘Europa dichter bij de mensen’ te brengen.

Is dat gebeurd? De Lissabon-agenda werd in het jaar 2000 gepresenteerd met de ambitie om van Europa in 2010 voor het bedrijfsleven de ‘meest competitieve plek ter wereld’ te maken. We zijn halverwege.

Is dat gelukt? Ik heb erbij gezeten toen we in raadsconclusie na raadsconclusie beschreven hoe we ‘Europa opnieuw verbinden met de mensen’.

Doen we dat? Het is tijd voor een reality check. Tijd om wakker te worden. De mensen blazen op de hoorn rond de stadsmuren.

Luisteren we? Hebben we de politieke wil om naar buiten te gaan en hen te ontmoeten, zodat ze ons leiderschap zien als deel van de oplossing en niet als het probleem?

Dat is de context waarin het begrotingsdebat moet worden gezet. Er wordt gezegd: we hebben de begroting nodig om de geloofwaardigheid van Europa te herstellen.

Natuurlijk. Maar dan moet het wel de juiste begroting zijn. Die moet niet worden losgemaakt van het debat over de crisis in Europa. Die moet deel uitmaken van het antwoord daarop. Ik wil iets zeggen over de top van afgelopen vrijdag.

Er is gesuggereerd dat ik niet zou willen onderhandelen over de Britse korting; dat ik pas op het laatste moment begon over hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; dat ik verwachtte opnieuw over dat beleid te kunnen onderhandelen op vrijdagavond.

In werkelijkheid ben ik de enige Britse leider die ooit heeft gezegd dat hij de korting ter discussie zou stellen. Ik heb nooit gezegd dat we het landbouwbeleid nu moeten beeïndigen of van de ene op de andere dag veranderen. Dat zou absurd zijn. E

lke verandering moet rekening houden met de gewettigde eisen van agrarische gemeenschappen, en geleidelijk zijn.

Ik heb eenvoudig twee dingen gezegd: dat we niet kunnen instemmen met nieuwe financiële perspectieven als die niet op zijn minst een proces schetsen dat leidt tot een rationelere begroting; en dat we daar tot 2013 de tijd voor moeten nemen. Anders wordt het 2014 zonder dat er overeenstemming is over enige fundamentele verandering, laat staan dat die is doorgevoerd.

Nogmaals, uiteraard zal Groot-Brittannië in de tussentijd zijn eerlijke aandeel in de kosten van de uitbreiding betalen.

Ik wil er graag op wijzen dat we hoe dan ook de op een na grootste nettobetaler zijn van de EU, en zo bezien miljarden meer hebben betaald dan landen van vergelijkbare omvang.

Dat, dus, is de context. Hoe ziet een andere beleidsagenda voor Europa eruit?

Ten eerste zou die ons sociale model moderniseren.

Ook hier is gesuggereerd dat ik afstand zou willen doen van het sociale model van Europa.

Maar zeg mij eens: wat voor sociaal model is het dat in Europa twintig miljoen werklozen heeft, met een productiviteit die achterloopt bij die van de Verenigde Staten, dat het mogelijk maakt dat er meer afgestudeerde natuurwetenschappers uit India komen dan uit Europa; en dat, in elke vergelijkende index van een moderne economie, vaardigheden, onderzoek en ontwikkeling, octrooien, IT, terrein verliest in plaats van wint?

India zal zijn biotechnologische industrie de komende vijf jaar vervijfvoudigen. China heeft zijn uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling de afgelopen vijf jaar verdrievoudigd.

Van de twintig topuniversiteiten in de wereld staan er twee in Europa.

Ons sociale model moet ervoor zorgen dat we beter kunnen concurreren, dat de mensen leren omgaan met globalisering, dat ze daar de kansen van zien en de gevaren van vermijden.

Natuurlijk hebben we een sociaal Europa nodig. Maar het moet een sociaal Europa zijn dat werkt. En we weten al hoe het moet. Dat laat het rapport-Kok uit 2004 zien. Investeren in kennis, in vaardigheden, in een actief arbeidsmarktbeleid, in wetenschapsparken en innovatie, in hoger onderwijs, in stadsvernieuwing, in steun aan kleine ondernemingen.

Dat is modern sociaal beleid, niet regulering en bescherming van werk waarmee een tijd lang misschien een paar banen worden gered ten koste van veel banen in de toekomst.

En nu het toch een dag is om karikaturen af te breken, laat me er nog een afbreken: het idee dat Groot-Brittannië in de greep is van een of andere extreme Angelsaksische marktfilosofie waardoor de armen en benadeelden worden vertrapt.

De huidige Britse regering heeft een nieuw plan geïntroduceerd voor werklozen, het grootste banenprogramma in Europa waardoor langdurige jeugdwerkloosheid bijna helemaal is opgeheven.

We hebben gedurende de laatste vijf jaar meer geïnvesteerd in onze publieke dienstverlening dan enig ander Europees land.

Dat was nodig, het is waar, maar we deden het. We hebben voor het eerst een minimumloon ingevoerd. We hebben onze steden nieuw leven ingeblazen. We hebben bijna een miljoen kinderen uit de armoede gehaald en twee miljoen gepensioneerden uit barre omstandigheden, en we zijn begonnen met de meest ingrijpende uitbreiding van kinderopvang en ouderschapsverlof in de geschiedenis van ons land.

Het gaat erom dat we dat hebben gedaan op basis van, en niet ten koste van een sterke economie.

Ten tweede, laat de begroting een afspiegeling zijn van deze werkelijkheid.

Het Sapir-rapport laat zien hoe dat moet. Dat is gepubliceerd door de Europese Commissie in 2003 en zet helder uiteen hoe een moderne Europese begroting eruit zou moeten zien. Breng dat in praktijk.

Maar een moderne begroting voor Europa geeft niet over tien jaar nog steeds 40 procent van het geld uit aan landbouwbeleid.

Ten derde, voer de Lissabon-agenda uit.

Wat werk, arbeidsmarktparticipatie, schoolverlaters, een leven lang leren aangaat, komen we in de verste verte ook maar in de buurt van de exacte doelen die we stelden in Lissabon.

In die agenda staat wat we moeten doen. Laten we het dan ook doen.

Ten vierde, en hier ben ik voorzichtig, laten we een macro-economisch kader maken voor Europa met regels maar ook met flexibiliteit.

Het is niet aan mij om commentaar te hebben op de eurozone. Ik zeg alleen: als we het eens waren over werkelijke vooruitgang op het gebied van economische hervorming, als we structurele veranderingen echt serieus nemen, dan zouden de mensen hervormingen op het terrein van macro-economisch beleid als verstandig en rationeel zien, niet als een product van fiscale onachtzaamheid maar van gezond verstand. En als Europa moet groeien, hebben we zulke hervormingen hard nodig.

We hebben de economische en sociale uitdagingen behandeld: laten we ons nu bezighouden met andere onderling verbonden onderwerpen: misdaad, veiligheid en immigratie.

Misdaad reist nu makkelijker dan ooit. Georganiseerde misdaad kost het Verenigd Koninkrijk minstens 20 miljard pond per jaar.

Migratie is de laatste twintig jaar verdubbeld. Veel van die migratie is gezond en welkom. Maar het moet wel worden geregeld.

Illegale immigratie is een vraagstuk voor al onze landen, en een tragedie voor vele duizenden mensen.

Naar schatting 70 procent van alle illegale immigranten wordt geholpen door georganiseerde bendes.

En dan de weerzinwekkende praktijk van mensensmokkel, waar georganiseerde bendes mensen van het ene gebied naar het andere brengen om ze daar uit te buiten.

Dat gaat jaarlijks om tussen de 600.000 en 800.000 mensen. Elk jaar zijn ruim 100.000 vrouwen slachtoffer van mensenhandel in de EU.

Een relevante JBZ-agenda (Justitie en Binnenlandse Zaken) zou zich op deze onderwerpen richten:

  • het in de praktijk brengen van het EU anti-terrorisme-actieplan, dat enorme mogelijkheden biedt om de wet beter toe te passen en tegelijk de radicalisering en rekrutering van terroristen aanpakt
  • het over de grenzen heen delen van informatie over en het tegengaan van georganiseerde misdaad
  • ontwikkel plannen om mensenhandelaars en handelaars in verdovende middelen hard te treffen door hun bankrekeningen open te leggen, hun activiteiten te verstoren, hun leiders te arresteren en te berechten
  • zorg ervoor dat er terugname-overeenkomsten worden gesloten voor afgewezen asielzoekers en illegale immigranten uit buurlanden en andere landen; ontwikkel biometrische technologie om de grenzen te beveiligen.

Dan is er het hele gebied van GBVB (Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid).

  • We moeten het eens worden over praktische maatregelen om de Europese defensiecapaciteit te vergroten
  • we moeten erop voorbereid zijn meer vredesmissies te ondernemen
  • we moeten ervoor zorgen, met de Navo of zonder, als de Navo niet mee wil doen, dat we snel en doelgericht kunnen ingrijpen om conflicten te helpen oplossen.

Kijk eens naar de omvang van de Europese legers van vandaag en wat we eraan uitgeven. Bieden zij werkelijk een antwoord op de strategische behoeften van nu?

Zo’n defensiebeleid is een noodzakelijk deel van een effectief buitenlands beleid. Maar zelfs zonder dat moeten we kijken hoe we de Europese invloed kunnen laten gelden.

Toen de EU onlangs akkoord ging met een verdubbeling van de hulp aan Afrika, was dat een onmiddellijke stimulans voor dat geplaagde continent, maar ook voor Europese samenwerking.

We zijn wereldleiders op het gebied van ontwikkeling en daar zijn we trots op.

We zouden voorop moeten lopen bij het promoten van een nieuw multilateraal handelsverdrag dat handel voor alle landen doet toenemen, vooral voor de arme.

We leiden de discussie over klimaatverandering en we ontwikkelen pan-Europees beleid om dat aan te pakken.

Dankzij Xavier Solana begint Europa in het vredesproces in het Midden-Oosten van zich te doen spreken. Maar mijn punt is heel eenvoudig.

Een sterk Europa zou een actieve speler zijn in de buitenlandse politiek, natuurlijk een goede partner voor de Verenigde Staten, maar ook in staat om zijn eigen mogelijkheid te laten zien om de wereld te beïnvloeden en te ontwikkelen.

Zo’n Europa – met een economie die bezig is te moderniseren, dat de veiligheid vergroot door duidelijk optreden binnen onze grenzen en daarbuiten – zou een zelfbewust Europa zijn.

Zo’n Europa zou zelfbewust genoeg zijn om uitbreiding niet te zien als een bedreiging, alsof het lidmaatschap een spel is waarbij oude leden verliezen zodra er nieuwe bij komen, maar een uitzonderlijke, historische kans om een grotere en krachtiger unie te smeden.

Want koester geen illusies: als we uitbreiding stopzetten, of de logische gevolgen daarvan weren, dan zal dat uiteindelijk geen baan redden, geen bedrijf overeind houden, geen verplaatsing van een bedrijf tegenhouden.

Misschien even, maar niet voor lang. En in de tussentijd wordt Europa schraler, meer in zichzelf gekeerd en degenen die er steun krijgen, zullen degenen zijn die niet in de tradities staan van Europees idealisme maar in de tradities van achterhaald nationalisme en vreemdelingenhaat.

Maar ik zeg u in alle eerlijkheid: het is een contradictie om voor de liberalisering van Europees lidmaatschap te zijn, maar tegen de openstelling van de economie.

Als we die kant uitgaan, als we dat dan combineren met een Commissie – en deze, onder aanvoering van José Manuel Barroso kan dat heel goed – die bereid is wat van de onnodige regulering terug te sturen, een paar bureaucratische lagen te verwijderen en een voorstander wil worden van een mondiaal, naar buiten gericht, competitief Europa, dan zal het niet moeilijk zijn om de verbeeldingskracht aan te spreken en de steun van de mensen van Europa te krijgen.

Tijdens ons voorzitterschap zullen we proberen de discussie over de begroting te bespoedigen, om een paar van de lastige kwesties op te lossen zoals de dienstenrichtlijn en de arbeidstijdenrichtlijn; de verplichtingen van de EU nakomen ten aanzien van Turkije en Kroatië, die hoopvol wachten op een toekomst als deel van Europa; en dit debat over de toekomst van Europa leiden in een open, allesomvattende manier, waarin we onze mening duidelijk geven maar respect hebben voor de opvattingen van anderen.

Ik vraag maar één ding: laten we onszelf niet wijsmaken dat dit debat niet nodig is; dat als we maar weer doen alsof alles gewoon is, mensen vroeg of laat wel zullen inbinden en zich neerleggen bij het Europa dat is zoals het is, en niet zoals zij willen dat het is.

Tijdens mijn premierschap heb ik gemerkt dat het niet moeilijk is om een besluit te nemen: moeilijk is het moment kiezen waarop je dat doet. Het gaat erom te zien wat het verschil is tussen problemen die moeten worden beheerst en problemen die moeten worden aangepakt en overwonnen. Dit is zo’n moment van besluitname voor Europa. De volkeren van Europa richten het woord tot ons. Ze stellen vragen. Ze verlangen ons leiderschap. Het is tijd hun dat te geven.'

Vertaling Liesbeth Wytzes

Tags

zie ook

0 reacties