woensdag 21 februari 2007 17:07
Verzekeraars moeten vrezen voor hun financiën en reputatie nu consumenten massaal hun beklag doen over de beleggingspolis. De kosten blijken veel hoger dan was verteld. Minister Gerrit Zalm van Financiën doet alles om een affaire zoals die rond aandelenlease te voorkomen. Wat ging er mis met de zo populaire polis?
De messen worden geslepen. Dure en ondoorzichtige beleggingsverzekeringen liggen al enkele maanden zwaar onder vuur. De eerste stichtingen van 'gedupeerden' maken zich op om de verzekeraars aansprakelijk te stellen. De affaires rond aandelenleaseproducten verbleken bij de omvang van deze zaak: circa 6,5 miljoen verkochte polissen, en meer dan 6 miljard euro aan ingelegde premies.
Er is niets nieuws onder de zon als het gaat om kritiek op de beleggingspolissen, die vermogensopbouw voor extra pensioen of aflossing van de hypotheek combineren met verzekeringen tegen overlijden en arbeidsongeschiktheid. Experts wijzen er al jaren op dat verzekeraars en tussenpersonen te weinig informatie geven over de kosten van de polissen. Consumenten kunnen aanbiedingen van verschillende verzekeraars niet of nauwelijks vergelijken. En dus kunnen ze ook niet beoordelen welke goedkoop of te duur zijn.Komen de verzekeraars en tussenpersonen te eenvoudig weg met hun ondoorzichtige praktijken? Is het wettelijk toezicht op deze praktijken te slap? Of hadden consumenten zelf beter moeten opletten? De 'woekerpolis' verklaard in zeven vragen.
1 Waar gaat het om?
Begin jaren negentig nam de populariteit van beleggingsverzekeringen een hoge vlucht. Britse verzekeraars zoals Royal Leven, Prudential en Falcon brachten moderne varianten van pensioenvoorzieningen als koopsompolissen en lijfrenteverzekeringen op de Nederlandse markt. Die verschilden wezenlijk van de traditionele levensverzekeringen. De nieuwe beleggingspolissen boden geen zeker eindkapitaal, maar oogden aanlokkelijk door het uitzicht op vette beursrendementen. Die zouden fors hoger kunnen uitpakken dan de 4 procent standaardrente van traditionele levensverzekeringen (zie 'Het ABC van de belegginspolissen?' op pagina 56). Extra voordeel gaf de fiscaal gunstige behandeling van de lijfrentes, waarmee de staat burgers wilde stimuleren hun eigen reservepot op te bouwen voor de oude dag.
Wel kwam er vanaf midden jaren negentig felle kritiek op de beperkte informatie van verzekeraars over de kosten van deze beleggingspolissen. De discussie duurt voort tot op de dag van vandaag en kent een duidelijke rode draad: wat moeten consumenten vóór aanschaf van een beleggingspolis over de kosten weten om aanbiedingen met elkaar te kunnen vergelijken?
Drie knelpunten keren steevast terug. Eén: het drukkende effect dat kosten hebben op het verwachte eindkapitaal. Ofwel: wat vertellen verzekeraars en tussenpersonen over het verschil tussen het bruto- en het nettorendement van een polis. Twee: de hoogte van uiteenlopende vergoedingen, zoals de overlijdensrisicopremie, provisie voor de tussenpersoon en beleggingskosten. En drie: de spreiding van deze kosten over de looptijd van een beleggingspolis (zie 'Kosten, kosten, nog eens kosten' op pagina 57).
Ondanks wettelijke bepalingen uit 1994 over informatieverstrekking aan consumenten en aanvullende regelingen, hebben verzekeraars individuele kopers van beleggingsverzekeringen nooit eenduidig inzicht geboden in de kostenstructuur van deze producten. Steeds zijn consumenten bij de voorlichting over kosten afhankelijk gebleven van de goede wil van individuele verzekeraars en tussenpersonen.
Afgelopen december viel er een hard oordeel over de gangbare praktijk. Dat deed een commissie onder leiding van oud-minister van Justitie Job de Ruiter. Het Verbond van Verzekeraars riep deze commissie zelf in het leven. De conclusie van De Ruiter en de zijnen: de informatie van verzekeraars schiet te kort en is versnipperd, 'waardoor de consument een totaalbeeld van het product en de daaraan verbonden kenmerken (inclusief kosten en risico's) ontbeert'.
Kort voor het verschijnen van De Ruiters rapport veroorzaakte het Verbond van Verzekeraars ophef met een eigen onderzoek. Daaruit bleek dat bij beleggingsverzekeringen van elke ingelegde euro gemiddeld 40 cent opgaat aan premies en kosten. Die analyse kwam bovenop bevindingen van de toezichthouder Autoriteit Financiële Markten (AFM), die VVD-minister Gerrit Zalm van Financiën in oktober vrijgaf. De AFM noemt beleggingsverzekeringen onder meer complex en ondoorzichtig. Ofwel: geen producten die zich simpel laten vergelijken.
2 Hoe oud is de kritiek?
Opzienbarende feiten. Maar zijn ze echt nieuw? Niet voor Ivo Valkenburg, die als adviseur al jaren de ontwikkelingen in de financiële dienstverlening volgt. 'In de kern is er weinig veranderd de afgelopen twaalf jaar. Verzekeraars, politici, adviseurs en toezichthouders zijn al meer dan tien jaar goed op de hoogte van het probleem.' Valkenburg publiceerde samen met zijn broer Falco, partner bij adviesbureau Towers Perrin, tussen 1995 en 2000 viermaal de studie 'Marktverkenning Beleggingsverzekeringen'. Twaalf jaar geleden luidde hun conclusie al dat het onmogelijk was beleggingsverzekeringen 'zelfs maar op prijs te vergelijken'. Twee jaar later bleek dat verzekeraars stevig goochelden met begrippen als bruto- en nettorendement. 'Het is triest, maar zelfs een vakman kan deze producten niet goed vergelijken,' stelden de gebroeders Valkenburg destijds.
Ook econoom Arnoud Boot, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en mede-auteur van het rapport van de commissie-De Ruiter, wijst al jaren op de manco's van beleggingsverzekeringen. In 1995 onderzocht Boot de kostenstructuur van koopsompolissen. Hij kwam tot de slotsom dat het 'volstrekt onduidelijk' was welk deel van ingelegde gelden werd belegd en welk deel als kosten en winstopslag naar verzekeraars ging, zodat producten 'in beginsel moeilijk vergelijkbaar' waren. Terugblikkend zegt Boot: 'In het rapport van De Ruiter komen dezelfde punten aan de orde.' Kortom, oude gebreken keren terug in een nieuw jasje.
3 Wat valt de verzekeraars te verwijten?
De hardnekkigheid van de kritiek roept de vraag op of de branche jarenlang heeft zitten slapen. Directeur Richard Weurding van het Verbond van Verzekeraars vindt van niet: 'Ik bestrijd het beeld dat verzekeraars hebben zitten snurken tot De Ruiter langskwam. We hebben die commissie nota bene zelf ingesteld. De sector handelt pro-actief via zelfregulering en intensieve samenwerking met de AFM. Maar transparantie blijft een dynamisch proces. Naarmate de groep van beleggende consumenten groeit, neemt ook de behoefte aan voorlichting toe. Ik sluit niet uit dat we over tien jaar weer nieuwe inzichten hebben.'
Toch leidden de inspanningen van verzekeraars nooit tot ondubbelzinnige afspraken over de presentatie van kosten van beleggingsverzekeringen. In 1998 suggereerde de Verzekeringskamer, een van de voorgangers van de AFM, dat verzekeraars een 'kerndocument' moesten opstellen met een uniform kostenoverzicht. Maar nog altijd zijn offertes van beleggingsverzekeringen niet zo ingericht dat ze een eenvoudig overzicht van alle relevante kosten bieden.
Critici verwijten verzekeraars een lakse houding. 'Verzekeraars hebben te lang gewacht toen de discussie over transparantie losbrak. Ze staken hun kop in het zand. Als er vooruitgang was, dan ging dat voetje voor voetje,' zei Ombudsman Verzekeringen Jan Wolter Wabeke onlangs in het AD. Wabeke geeft geen nader commentaar, omdat minister Zalm hem half januari aanstelde als bemiddelaar tussen verzekeraars en ontevreden houders van beleggingspolissen.
Hoogleraar Boot heeft wel een verklaring voor de terughoudendheid van verzekeraars. 'Het doel was producten zo ingewikkeld te maken dat consumenten er niet achter konden komen hoe duur ze eigenlijk waren. Als consumenten geweten hadden wat ze kochten, hadden velen nooit een beleggingspolis aangeschaft.'
Weurding werpt deze kritiek van zich af: 'Wij zijn een integere bedrijfstak. Wij zetten niet met opzet ondoorzichtige producten in de markt.' Hoe dan ook, de reputatie van verzekeraars kreeg een flinke knauw.
4 Hoe zuiver op de graat is de tussenpersoon eigenlijk?
Niet alleen verzekeraars krijgen de wind van voren, ook tussenpersonen staan onder druk. De commissie-De Ruiter sneed een voor insiders vertrouwd thema aan: de onafhankelijkheid van tussenpersonen. Zijn deze intermediairs, die door verzekeraars worden beloond, wel neutrale adviseurs? Of treden ze primair op als verkoopagent van diezelfde verzekeraar?
Belangrijk pijnpunt is de afsluitprovisie, het bedrag dat tussenpersonen ineens ontvangen bij het afsluiten van verzekeringspolissen. 'Die praktijk zou verboden moeten worden,' is de mening van beleidsmedewerker Rob Goedhart van de Consumentenbond. De afsluitprovisies zijn deels gebaseerd op de hoogte van het verzekerde bedrag. Voor intermediairs kan daardoor een prikkel ontstaan om beleggingsplannen standaard te combineren met bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering. 'Maar het is niet altijd in het belang van consumenten om beleggen en verzekeren te koppelen. Bovendien, na zo'n grote smak geld ineens, interesseert het tussenpersonen minder wat er daarna met zo'n verzekering gebeurt,' zegt Goedhart.
Voorzitter Bob Veldhuis van de branchevereniging voor tussenpersonen NVA, wijst erop dat tussenpersonen tegemoet zijn gekomen aan de kritiek op de afsluitprovisie. 'Sinds 1 januari 2007 wordt de beloning duidelijker gekoppeld aan de tijdsbesteding van tussenpersonen. Het ene deel van de beloning komt ineens als adviesvergoeding, het andere deel wordt uitgesmeerd over de looptijd van een polis. Vanaf 2009 in een fifty-fiftyverhouding. Dan komt er ook volledige transparantie over de hoogte van de vergoeding.'
Tot 2009 hoeven tussenpersonen nog niet te melden wat ze bij verschillende verzekeraars verdienen. Volgens Valkenburg van Adviesklimaat ligt daar de kern van het probleem. 'De beloning van intermediairs moet volledig duidelijk zijn, liefst eerder dan 2009. Dan kan de consument zelf bepalen in hoeverre tussenpersonen van toegevoegde waarde zijn.'
De vraag is of consumenten kwaliteitsverschillen makkelijk herkennen. Directeur Anton vanden Bol van intermediair Hypotheek Visie, twijfelt daaraan: 'Een specialist en de huisarts mogen beiden een aspirientje voorschrijven, voor dezelfde prijs. Maar de diagnose erachter kan sterk verschillen. Bij financiële intermediairs ziet de consument het verschil in kwaliteit niet af aan de voorgevel van het kantoor. Alleen verzekeraars hebben daar zicht op.' Zijn oplossing: strengere selectie van tussenpersonen door verzekeraars, desnoods met openbare ranglijsten van goede en minder goede intermediairs.
5 Heeft de consument zelf ook boter op zijn hoofd?
Heikele kwestie blijft of consumenten zichzelf soms ook voor de gek hebben gehouden door te kiezen voor 'gratis' advies, fiscale voordeeltjes en risicovolle aandelen. In de jaren negentig, toen de beurs omhoog schoot, kregen kritische rapporten over ondoorzichtige beleggingspolissen regelmatig media-aandacht, onder meer in Elsevier. Maar de interesse voor kosten van beleggingspolissen was destijds gering, stelt Vanden Bol: 'Mensen keken naar mogelijke opbrengsten, niet naar kosten.' NVA-voorzitter Veldhuis wijst erop dat de kritiek van toen geen massale weerklank vond. 'De kopers staakten niet in de jaren negentig. Vergeleken met de traditionele levensverzekering was de beleggingspolis ook een vernieuwend product met een op dat moment ongekende openheid. Ze zag er uit als een meisje in minirokje naast een vrouw in een boerka.'
Toch ontslaat een flitsende verpakking verzekeraars en tussenpersonen nooit van de plicht tot heldere informatieverstrekking, vindt Valkenburg. 'Opbrengsten zijn in de offerte vaak hoger weergegeven dan feitelijk het geval was. Het extreemste voorbeeld dat ik ken, bij een gerenommeerde verzekeraar, is een brutokapitaal in een offerte van 5 ton, terwijl er na aftrek van kosten in werkelijkheid slechts 380.000 euro overbleef.'
Cijfermatige voorlichting kan de consument best aan, als de getallen een duidelijke boodschap hebben.
6 Is het toezicht te slap?
Dan is er de vraag of de Tweede Kamer en de minister van Financiën beter hun best hadden moeten doen om verzekeraars te dwingen tot openheid over kosten. Staf Depla, financieel woordvoerder van de PvdA in de Tweede Kamer, constateert dat Nederland lang talmde met verscherping van het toezicht. 'We kennen een zwakke traditie bij het beschermen van consumenten. In jaren negentig was daar nauwelijks aandacht voor.'
De Tweede Kamer kreeg midden jaren negentig al signalen dat het niet goed zat met de inzichtelijkheid van beleggingsverzekeringen. Hoogleraar Boot: 'Naar aanleiding van mijn onderzoek in 1995 zijn kamervragen gesteld. Minister Zalm van Financiën was toen te afwachtend.' Wel droeg de kritiek volgens Boot bij aan het aanpakken van de ruime fiscale stimulans voor aanvullende pensioenregelingen. Bij de belastinghervorming van 2001 beperkte het kabinet-Kok II de fiscale aftrekbaarheid van lijfrentepremies sterk. 'Door onvoldoende openheid over kosten hebben verzekeraars hun eigen markt om zeep geholpen,' concludeert Boot. Als verzekeraars gekozen hadden voor goedkopere en heldere producten, dan was dat hun afzet alleen maar ten goede gekomen.
In 2002 kreeg verscherping van het toezicht op banken en verzekeraars een serieuze impuls met de oprichting van de AFM. Die nam het gedragstoezicht op financiële dienstverleners over van De Nederlandsche Bank en de Pensioen- en Verzekeringskamer. In dat jaar vond ook de introductie plaats van de Financiële Bijsluiter, die meer inzicht moest bieden in de risico's en kosten van spaar- en beleggingsproducten. Maar in het najaar van 2002 bleken AFM en verzekeraars verschillend te denken over het hanteren van de begrippen bruto- en nettorendement in bijsluiters. De AFM zegde toe een brief te zullen sturen naar verzekeraars om eenduidigheid te scheppen, maar liet dat na. 'Teleurstellend,' zegt adviseur Valkenburg. Verzekeraars die kosten wél vermeldden in offertes overwogen daarna terug te keren naar de oude praktijk. 'Anders kostte het te veel omzet.'
De Consumentenbond oordeelt positiever over het optreden van de AFM. 'Een onafhankelijke toezichthouder,' vindt Rob Goedhart. 'Het afgelopen jaar maakte het AFM-onderzoek naar beleggingspolissen veel los.' Het Verbond van Verzekeraars beloofde de verbeteringsvoorstellen van de commissie-De Ruiter over te nemen. 'De meeste suggesties van de commissie, zoals de verplichte uitsplitsing van kostensoorten en helderheid over de beloning van tussenpersonen, vinden wij uitstekend. Daar pleiten we al jaren voor', zegt Goedhart.
7 Komt er een oplossing?
Na meer dan tien jaar steggelen, lijkt het er eindelijk van te komen. Verzekeraars zullen vanaf volgend jaar, voor oude en nieuwe polissen, een kerndocument hanteren dat eenduidig inzicht biedt in de kosten van beleggingsverzekeringen.
Er komt meer openheid over kosten er ook meer concurrentie voor verzekeraars. In maart stemt de Tweede Kamer waarschijnlijk in met een wetsvoorstel van Staf Depla en voormalig VVD-kamerlid Bibi de Vries. Het exclusieve fiscale voordeel van beleggingspolissen wordt opengebroken. Het idee is dat consumenten vanaf 2008 ook bij banken fiscaal voordelig mogen sparen of beleggen voor de oude dag of hypotheekaflossing, al dan niet met een overlijdensrisicoverzekering erbij.
Blijft over: de dreiging van een tweede aandelenlease-affaire. Twee stichtingen, Verliespolis en Woekerpolis Claim, hebben sinds december zo'n 100.000 aanmeldingen binnen van houders van beleggingspolissen (zie 'Claim als stok achter de deur' op pagina 58) Analisten van de Rabobank schatten begin januari dat de individuele verzekeraars bij elkaar ruwweg 1 miljard euro zullen reserveren voor compensatie.
Van collectieve vergoedingen wil het Verbond van Verzekeraars niets weten. 'Maar het is in ons belang, en dat van consumenten dat deze zaak niet jaren voortsleept,' zegt directeur Weurding. Hij heeft vertrouwen in de aanpak van minister Zalm. Die vroeg Ombudsman Jan Wolter Wabeke en hoogleraar privaatrecht Edgar du Perron te bemiddelen bij de afwikkeling van de klachten over beleggingspolissen, zonder dat dit tot een stroom van procedures leidt.
Mogelijk blijft Nederland daarmee een tweede leaseaffaire bespaard. Maar schadevrij zullen de verzekeraars zeker niet uit deze affaires tevoorschijn komen.
Kaders bij artikel:
HET ABC VAN DE BELEGGINGSPOLIS
Verzekering hoeft niet slecht te zijn, als de voorlichting goed is
De beleggingsverzekering kent vele varianten, maar in essentie gaat het om een pot waarin premies worden gestort. Die worden belegd in aandelen en obligaties, na aftrek van diverse kosten. Groot verschil met traditionele levensverzekeringen is dat de verzekeraar niet rekent met een vaste jaarlijkse rente-opbrengst en geen harde toezegging doet over het eindkapitaal. Die is bij beleggingsverzekeringen afhankelijk van het beursrendement.
Beleggingsverzekeringen combineren de opbouw van vermogen, voor aanvullend pensioen of aflossing van de hypotheekschuld, met een overlijdensrisico- of arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vormen die zich richten op aanvullend pensioen zijn lijfrentepolissen met periodieke premiebetalingen en koopsommen die een eenmalige inleg kennen. Voor de eigen woning is er de beleggingshypotheek.
Bij veel verzekeringen wordt het beleggingsdeel omgerekend in standaardeenheden die een aandeel in beleggingsfondsen vertegenwoordigen. Dit zijn unit linked-verzekeringen. In de jaren negentig kwamen er ook universal life-verzekeringen. Die hebben als voordeel dat in de loop van de tijd dat deel van de inleg dat opgaat aan de overlijdensrisicopremie kan worden verlaagd. 'Het is een prachtige financiële uitvinding geweest, die alle mogelijkheden biedt tot volledige kostentransparantie,' zegt adviseur Ivo Valkenburg. Maar verzekeraar en tussenpersoon moeten wel helder voorlichten bij de verkoop van polissen.
KOSTEN, KOSTEN, NOG EENS KOSTEN
Wie goed wil vergelijken, heeft veel informatie over polis nodig
Bij de kosten van beleggingsverzekeringen moeten consumenten op drie dingen scherp letten. Om te beginnen hebben kosten een drukkend effect op het uiteindelijke beleggingsresultaat. Aanbieders moeten duidelijk maken hoe hoog het verwachte eindkapitaal is bij een bepaalde maandelijkse inleg zonder rekening te houden met verzekeringspremies en kosten (het brutorendement) en welk eindbedrag resteert na aftrek van alle kosten (het nettorendement).
Punt twee betreft het onderscheid tussen kostensoorten. Bij beleggingspolissen houden verzekeraars premie in voor de overlijdensrisicoverzekering, tussenpersonen krijgen provisie en vermogensbeheerders rekenen beleggingskosten. Die deelkosten zijn belangrijk omdat bijvoorbeeld overlijdensrisicoverzekeringen en beleggingsfondsen ook los verkrijgbaar zijn. Om te weten of de ene overlijdensrisicoverzekering goedkoper is dan de andere, of de ene tussenpersoon meer verdient op een polis dan de andere, moeten deelkosten helder zijn.
Derde punt is de spreiding van kosten over de looptijd van polissen, die vaak voor twintig jaar of meer worden afgesloten. Als een klant eerder, bijvoorbeeld na zeven jaar, de polis wil afkopen of wil stoppen met premie betalen, brengt de verzekeraar kosten in rekening die oorspronkelijk over de hele looptijd van de beleggingspolis zouden zijn uitgesmeerd. Deze verrekening ineens drukt de waarde van de beleggingspot. Polishouders moeten vooraf weten hoe de kosten over de looptijd zijn verdeeld en wat de geschatte poliswaarde is bij eerdere afkoop.
CLAIMS ALS STOK ACHTER DE DEUR
Twee stichtingen zijn actief voor ontevreden polishouders
Sinds december 2006 zijn twee organisaties actief die de belangen van polishouders van beleggingsverzekeringen behartigen: de Stichting Verliespolis en de Stichting Woeker Polis Claim. Deze laatste voert al juridische actie tegen individuele verzekeraars.
Bij Woeker Polis Claim hebben zich ruim 30.000 personen aangemeld. Bij verzekeraar Fortis heeft deze stichting een claim ingediend tegen het Variabel Investeringsplan. Dit product zou polishouders onder meer benadelen doordat aan vermogen dat al is belegd, achteraf kosten zijn onttrokken.
Een tweede claim is ingediend bij verzekeraar Nationale-Nederlanden. Woeker Polis Claim eist dat gedupeerde polishouders verzekeringen kosteloos kunnen opzeggen en mikt op aanvullende schadevergoeding.
Advocaat Jeroen Wendelgelst van Woekerpolis Claim ziet mogelijkheden om individuele verzekeraars aansprakelijk te stellen door de rechter te laten toetsen of sprake is van het verzaken van de algemene zorgplicht en misleidende reclame.
Anders is de aanpak van de Stichting Verliespolis, opgericht door de Vereniging van Effectenbezitters, de Vereniging Eigen Huis en de financiële vergelijkingssite Independer. Verliespolis heeft zo'n 64.000 aanmeldingen van polishouders binnen. De stichting verzamelt klachten en mikt in eerste instantie op bemiddeling door Ombudsman Verzekeringen Jan Wolter Wabeke.
WAT STAAT ER TE GEBEUREN?
Gepoogd wordt om stroom rechtszaken te vermijden
Op donderdag 8 februari debatteerde de Tweede Kamer met VVD-minister van Financiën Gerrit Zalm over de 'woekerpolis'-affaire. Uitkomst van het debat was dat ombudsman Jan Wolter Wabeke samen met hoogleraar privaatrecht Edgar Du Perron klachten gaat beoordelen. Beiden werken voor het op 1 januari opgerichte Klachteninstituut Financiële Diensten (Kifid).
Per 31 maart kunnen consumenten bij het Kifid aankloppen met individuele grieven. Maar Wabeke en Du Perron gaan voordien al aan de slag met het dossier van de beleggingspolissen. Via een 'categorale aanpak' zullen zij manco's bij vergelijkbare producten van verzekeraars onder de loep nemen. Dit om een veelheid aan rechtszaken te voorkomen. Sinds 1993 zijn zo'n 6,5 miljoen beleggingsverzekeringen afgesloten, waarbij het naar schatting om ongeveer duizend verschillende producten gaat. Totaal is dik 6 miljard euro premie ingelegd.
Minister Zalm overweegt de door Stichting Verliespolis aangetrokken oud-hoogleraar Alfred Oosenbrug financiële en personele ondersteuning te geven voor extra feitenonderzoek. Dit als alternatief voor de instelling van een staatscommissie. Idee is dat Oosenbrug klachten rangschikt en voorlegt bij het Klachteninstituut.
Bemiddeling door het duo Wabeke en Du Perron levert alleen resultaat op als klagers en verzekeraars akkoord gaan met een door de Ombudsman voorgestelde oplossing. Lukt dat niet, dan hebben ontevreden polishouders alsnog de mogelijkheid om naar de rechter te stappen.
ZET POLIS NIET STOP!
Ontevreden polishouders moeten geduld betrachten. Direct afkopen of stopzetten van de premiebetaling kan wel, maar is onvoordelig, want dit brengt extra kosten mee. Beter is het om eerst uit te zoeken hoe hoog de werkelijke kosten van uw polis zijn. Verzekeraars hebben toegezegd hierover uiterlijk begin 2008 helderheid te verschaffen. Dure polissen komen mogelijk in aanmerking voor compensatie.
Op zoek naar compensatie? www.elsevier.nl/beleggingspolis
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement