dinsdag 26 oktober 2004 15:57
Met de nieuwe GT is er eindelijk een Alfa Romeo zoals die is vastgelegd in het collectieve geheugen. Wat hebben babyboomers gemeen met Enzo Ferrari?
Alfa-rijders zijn als jongens die op hun zestiende hun grote liefde vonden en daarmee nog steeds zijn getrouwd. En als ze pas op latere leeftijd hun eerste Alfa Romeo kochten, dan zijn ze van het type dat hun eerste huwelijk verruilde voor een eeuwige jeugd.
Kijk maar eens hoe vaak je achter de voorruit van een 156 de grijze slapen van een babyboomer ziet. Zo rijden Alfa-boys er de laatste restjes passie uit. Het scheelt niet veel of ze hadden dat op een tractor moeten doen. Dat komt zo. In de oerjaren van de automobielindustrie, rond 1910, stonden fabrikant Ugo Stella en constructeur Giuseppi Moresi aan de wieg van de eerste Alfa’s. De naam, zo is te lezen in het pas verschenen Alfa Romeo 1910-2004 (uitgeverij Haakman), stond voor: Società Anonima Lombarda Fabrica Automobili.
Ferrari werkte van 1929 tot 1939 voor Alfa Romeo, hij had er een eigen renstal voor sportwagens. Pas na de Tweede Wereldoorlog begon hij zijn roemrijke fabriek. De eerste overwinning in de Formule-1 als fabrikant boekte hij in 1951 op Silverstone. Naar verluidt, zo schrijft Marcel Grauls in Het paard van Ferrari en andere auto -biografieën (uitgeverij Balans) kreeg Enzo het bericht van de overwinning op de tot dan superieure Alfa’s thuis in Modena, en zei: ‘Ik ben dolgelukkig, maar het is net of ik mijn moeder heb vermoord.’ Een jaar later leverde Ferrari zijn eerste wereldkampioen.
Die verwantschap schept verplichtingen met gas en stuur. Staan gewone mensen ’s ochtends op om per auto naar het werk te gaan, de Alfa- boy gaat uit rijden. Kantoor is bijzaak, straks mag hij nog een keer – naar huis. En morgen weer.
Logisch vervolgMaar de GT is veeleer een logisch vervolg op de historie, dan modieuze, valse nostalgie. Daar wilden we wel in rijden, des te vrolijker omdat er een zescilinder, 3.2-liter motor in lag. De GT kan dus hard en trekt ook razendsnel op. Daar heb je vrij weinig aan in het Nederlandse verkeer, maar af en toe een tussensprintje met het raam open om naar de uitlaat te luisteren, doet je snel vergeten dat je op weg bent naar de zaak.
Van alles hebben we uitgeprobeerd – behalve de topsnelheid, dat werd te duur – en snel bleek dat er twee auto’s in de GT huizen. Eentje voor mensen die rustig willen toeren, en toch sportief willen ogen. Waarbij je je mag afvragen of een litertje motorinhoud en wat pk’s minder niet een hoop geld scheelt. En er is de tweede GT, laten we zeggen voor de gepassioneerden. Maar áls je hem op zijn staart trapt, dan mag je het stuur wel goed vasthouden, want er komt heel wat kracht vrij. Het stuur heeft een korte slag; even niet opletten en je bent ongewild aan het inhalen. En snel schakelen luistert ook nauw.
ZeurenTwee ergernissen: de helrode cijfertjes en berichten op het dashboard. En de juffrouw in het navigatiesysteem. Die bleef maar doorzeuren over ‘bij splitsing links aanblijven’ als je op de snelweg rechtdoor moest, en ook zei ze ‘uitrit nemen’ als ze de afslag bedoelde. Uitgezet. Kregen we als babyboomer het Ferrari-gevoel? Zeker, maar dan als Enzo. Hij won wel wedstrijden, maar nooit verwierf hij faam als een waarlijk groot en moedig coureur. Daarvoor, zo wil het verhaal, hield hij te veel van auto ’s. Dat dubbele karakter is ook het wezen van de Alfa GT. En van de Alfa-boy.
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement