woensdag 19 januari 2005 10:22
Ze kwam als asielzoeker naar Nederland, leerde fietsen in een azc. Als ondergedoken politicus strijdt ze voor de modernisering van de islam. Vrienden en critici over hét politieke fenomeen van 2004.
Drie jaar geleden had bijna niemand gehoord van de Somalische Ayaan Hirsi Ali. Inmiddels weet iedereen in Nederland wie ze is. Ze is een moslim die van haar geloof is gevallen en de islam genadeloos bekritiseert. Ze is de bekendste politicus van het land, een Tweede-Kamerlid dat de status heeft gekregen van een ster, omstreden, geliefd, bewonderd en gehaat.
Hoe heeft die 35-jarige vluchteling uit Afrika dat zo snel voor elkaar gekregen? Hoe paradoxaal het ook klinkt, Hirsi Ali had de tijd mee. De laatste jaren, na de aanslagen in de Verenigde Staten van 11 september 2001, na de inval in Irak, na de moord op cineast Theo van Gogh, is het wel duidelijk geworden dat het in deze tijd gaat om moslimterrorisme en de noodzaak tot modernisering van de islam.
Barbaarse gewoontes
En toevallig is dat nou net het punt van Ayaan Hirsi Ali. Ze trekt ten strijde tegen het islamfundamentalisme, tegen de achtergestelde positie van de vrouw, tegen in haar ogen barbaarse gewoontes als besnijdenis, zelfs tegen het hoofddoekje, dat niet altijd uit vrije keus wordt gedragen.
In haar strijd voldoet ze bepaald niet aan het beeld dat westerlingen hebben van Afrikaanse vrouwen; zo’n uitgemergelde, halfdode vrouw die voor een lemen hutje zit. Dat is Hirsi Ali niet. Ze is mooi, zelfbewust, helemaal geen slachtoffer. Gracieus, bijna koninklijk beweegt ze zich door de politiek.
De PvdA, waar ze aanvankelijk lid van was, handelde naar haar zin niet snel genoeg, dus stapte ze over naar het andere uiterste, de VVD. De film Submission leidde tot een woede-explosie onder moslims, en tot de moord op Theo van Gogh, die de film regisseerde.
Die moord was een waarschuwing aan Hirsi Ali. En wat doet ze? Ze kondigt aan dat ze nadenkt over Submission, deel twee. Hirsi Ali heeft haast. Ze ziet precies wat mis is, ze denkt dat ze weet wat moet gebeuren, en lijkt korzelig te worden van de traagheid en het onbegrip om haar heen.
Onvermoeibaar
Polderen, pappen en nathouden, de boel bij elkaar houden, bruggen bouwen: dat is niet de stijl van deze Somalische vechtersbaas. Ayaan Hirsi Ali is een single issue-politicus die de confrontatie zoekt, een slagschip met opgestreken zeilen, bewonderenswaardig en onvermoeibaar in de strijd, die ze netjes en goed geargumenteerd voert.
De bevrijding van de vrouw is volgens Hirsi Ali de sleutel tot de modernisering van moslims en islamitische landen. Hoe dat gebeurt, en of dat gebeurt, is volgens haar het grote vraagstuk van onze tijd. Grote mond Ayaan Hirsi Ali werd geboren op 13 november 1969 in Mogadishu, de hoofdstad van Somalië in Oost-Afrika.
Ze komt uit een vooraanstaande clan, waar ze, zegt een verre verwant, heeft geleerd een grote mond te hebben. In haar geboorteland hoort Hirsi Ali bij de elite en vinden ze haar behoorlijk arrogant. Haar vader, dr. Hirsi Magan, verzette zich tegen het bewind van dictator Mohamed Siad Barre en moest het land ontvluchten. Zijn gezin – vrouw en twee dochters, Ayaan en Haweya – volgde hem.
Hirsi Ali heeft haar vader niet veel gezien toen ze klein was. Somalië is een instabiel land, waar de bewoners snel naar de wapens grijpen, waar warlords de dienst uitmaken en waar sinds het vertrek van dictator Siad Barre in 1991, de rust niet is weergekeerd.
Hirsi Ali speelde toen ze klein was niet met poppen , ze heeft geen onbekommerde jeugd gekend. In plaats daarvan moest ze met haar moeder en haar twee jaar jongere zusje Haweya steeds weer verhuizen, van het ene land naar het andere, omdat haar vader een dissident was die zijn geboorteland moest ontvluchten.
Hirsi Ali is opgegroeid in meest islamitische landen: Kenia, Ethiopië, Saudi-Arabië. Van vrouwen werd niet veel verwacht: een opleiding was eigenlijk zonde van de tijd, de zusjes waren voorbestemd tot het produceren van kinderen, en dan liefst jongens. Zoontjesfabrieken dus, de titel van Hirsi Ali’s eerste boek.
Tweederangs
Hirsi Ali heeft zelf meegemaakt hoe vrouwen in islamitische landen worden onderdrukt. Vrouwen zijn in die landen, en onder de moslimgemeenschappen in het Westen, tweederangs burgers.
Dat is een positie die de trotse Hirsi Ali voor zichzelf niet zag weggelegd, en het is een positie die ze geen enkele andere vrouw gunt. Toen Hirsi Ali door haar vader zeer tegen haar zin werd uitgehuwelijkt aan een verre Somalische neef in Canada, besloot ze haar leven in eigen hand te nemen.
Ze vluchtte van Kenia naar Duitsland en nam de trein naar het onbekende Nederland. Daar kwam ze terecht in een asielzoekerscentrum in Lunteren. Stel je voor: een keurig Somalisch meisje, uit een grote, vooraanstaande familie, helemaal alleen in Lunteren. Het moet een cultuurschok zijn geweest.
Maar Hirsi Ali, al haar vrienden zeggen het, is van ijzer en beton. Zo frêle als ze eruit ziet, zo bikkelhard is ze voor zichzelf. Ze heeft op een gegeven moment besloten dat Nederland haar land was, en dat ze daar haar strijd voor de bevrijding van de moslimvrouw zou voeren.
In het asielzoekerscentrum leerde Hirsi Ali fietsen, ze ging broeken dragen, leerde razendsnel Nederlands. Ze werkte als tolk in Blijf-van-m’n-lijfhuizen, waar ook toen al veel allochtone vrouwen zaten, ze tolkte in de rechtbank, in abortusklinieken. Treurige verhalen genoeg. En voor zover ze het nog niet wist, werd het haar door dat werk wel duidelijk.
De positie van de vrouw in de islam is rampzalig. In haar overtuiging en haar radicale afwijzing van de islam werd Hirsi Ali gesterkt door het drama van haar zusje Haweya. Zij was Hirsi Ali’s beste vriendin en een voorbeeld. Ze was brutaal, dapper, kritisch over het geloof. Ze koos haar eigen koers.
Toen Hirsi Ali in Nederland woonde, kwam haar zusje bij haar wonen. Na een voorspoedige start ging het snel mis. Haweya, die heel snel Nederlands leerde en rechten zou studeren, werd depressief, ten slotte zelfs psychotisch. Alleen het geloof, dacht ze, zou soelaas bieden.
Ze keerde terug naar de islam, en ging in Kenia wonen, waar ze uiteindelijk begin 1998 onder erbarmelijke omstandigheden stierf. Haar behandeling bestond uit stokslagen: dat zou de boze geesten die in haar huisden, tot zwijgen brengen. 'Haar dood was het allermoeilijkste moment in mijn leven,’ zei Hirsi Ali in een interview in Opzij.
Daarna was ze woedend op alles wat met de islam te maken had. Bovendien: als de islam zo vredelieved is, waar komt die terreur dan vandaan? In haar afwijzing van de islam is Hirsi Ali misschien wel net zo fanatiek als gelovige fundamentalisten dat zijn. Ze kent haar eigen fanatisme.
Toen die vliegtuigen zich in de torens van het New Yorkse World Trade Center boorden, dacht Hirsi Ali dat zij ook wel zo’n kaper had kunnen zijn. Dat fanatisme, inherent aan de islam, herkende ze. 'Tot het uiterste gaan…dat had ik kunnen zijn,’ zei ze in het KRO-tvprogramma Reporter.
Laatste zetje
Ze is de andere kant opgegaan. Het lezen van het boek Het atheïstisch manifest (1995) van de Utrechtse filosoof Herman Philipse, met wie ze later een verhouding zou krijgen, heeft het laatste zetje gegeven. Dat boek had ze al een tijd in huis, maar ze draaide eromheen.
Toen ze het las, wist ze zeker: God bestaat niet, en wie in hem gelooft, onderwerpt zich aan de wil van de sterkste. Hirsi Ali, met slechts een paar jaar middelbaar onderwijs, deed van 1994 tot 1995 een hbo-opleiding maatschappelijk werk en dienstverlening aan Hogeschool De Horst in Driebergen.
Daarna ging ze in Leiden politicologie studeren, van 1995 tot 2000. In 2001 solliciteerde ze met vele honderden anderen naar een baan bij het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman Stichting. Directeur Paul Kalma koos haar. Ze maakte een goede, slimme, generalistische indruk.
Hirsi Ali zou zich bezighouden met vraagstukken rond de moslimgemeenschappen. Ze zou ruim een jaar blijven, van september 2001 tot november 2002. 'In dat jaar is ze geradicaliseerd,’zegt Paul Kalma. 'Vooral na 11 september. Daarna hebben we gezegd: we moeten een groot onderzoek gaan doen naar immigratie en integratie. Ze is op pad gegaan, heeft veel mensen gesproken.
Dat onderzoek zou uitmonden in een project naar de positie van vrouwen in migrantengemeenschappen en dan vooral de moslimgemeenschappen. Daar zou ze mee beginnen toen ze moest onderduiken.’
Ook schreef Hirsi Ali een aantal artikelen in dagblad Trouw die, zegt Kalma, 'grote indruk maakten’. De connectie met Trouw werd gelegd in november 2001. Er was een discussie belegd in De Balie in Amsterdam, met als titel 'Voltaire en de islam’.
Een van de sprekers was Afshin Ellian, Iraniër van geboorte, rechtsgeleerde en dichter. Hij hield een vurig pleidooi voor een islamitische verlichting.
Hij herinnert zich die avond goed. 'Toen stond iemand in de zaal op, een Afrikaans meisje, en ze hield een prachtig betoog waarin ze mijn kant koos. Dat was Ayaan. Ik heb haar later, aan de bar, in contact gebracht met Frits van Exter, hoofdredacteur van Trouw.
Toen is ze stukken voor hem gaan schrijven.’ Dat eerste stuk, met de treffende titel 'Gun ons een Voltaire’, verscheen eind 2001 in Trouw. Maar de islam bekritiseren, het geloof verlaten, dat gaat niet zomaar. Daar worden moslims woedend over.
Dat bleek na een uitzending op 12 september 2002 van praatprogramma Rondom Tien. Daarin vertelde Hirsi Ali rustig en vastberaden dat ze van haar geloof was gevallen. Er werd furieus op gereageerd.
Haar gesprekspartner Ali Eddaoudi, imam in de gevangenis in Breda, liep woedend weg uit de uitzending. En na die uitzending kreeg Hirsi Ali de eerste bedreigingen binnen, van moslims. Dat was een schok voor de veilige intellectuele wereld van de Wiardi Beckman Stichting. Daar hadden ze met Hirsi Ali zowaar een gigantisch twistpunt in huis gehaald. Kalma: 'Ik merkte dat er weerstand was, ook binnen de partij. Ze moest worden beveiligd, dat hebben we op ons genomen samen met de politie en de AIVD.’
Hirsi Ali nam in de loop van dat jaar duidelijkere, hardere standpunten in. De discussies binnen de Wiardi Beckman Stichting – en ook daarbuiten – liepen hoog op. 'Een raar jaar, dat veel overhoop heeft gehaald,’ zegt Kalma.
De steeds grotere kloof tussen Hirsi Ali en de islam blijkt heel subtiel uit haar boeken. In De zoontjesfabriek (2002) heeft de schrijfster het nog over 'wij moslims’, twee jaar later in De maagdenkooi is daar geen sprake meer van.
Strijdlust
Kalma kon zich goed vinden in Hirsi Ali’s betoog, maar dat gold en geldt zeker niet voor veel anderen. 'Zij zei: 'Een partij die in de jaren zeventig en tachtig, en ook daarvoor, zo veel heeft gedaan voor de emancipatie van de vrouw, die heeft het voor moslimvrouwen behoorlijk laten afweten.' Maar hoe dat werd aangekaart… laten we zeggen dat ik het over de inhoud met haar eens ben.’
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement