woensdag 27 mei 2009 12:16
Vrijheid van meningsuiting
Fundament
De vrijheid van meningsuiting is het fundament van een democratische rechtstaat. De democratische rechtstaat vergt een open samenleving waarbinnen mensen zich vrij kunnen bewegen en zich vrij kunnen uiten; vrij kunnen leven dus.
Vehikel
Het vrije woord is een vehikel voor de evolutie van een open samenleving; de methode aan de hand waarvan deze zich ontwikkelt. Door de vrijheid van meningsuiting kan het gezag worden bekritiseerd en gecontroleerd. De persvrijheid is in dit kader een belangrijke waarborg. Niet alleen het gezag, maar eveneens andermans mening kan in een open samenleving worden bekritiseerd, door middel van publieke discussie. Het maatschappelijk debat is een proeftuin voor nieuwe ideeën, die voortdurend kunnen worden getest en beproefd. Alleen dan kan er sprake zijn van ontwikkeling en vooruitgang.
Emancipatie
Nieuwkomers verwerven een plek in de maatschappij juist door te participeren in het publieke debat door middel van het vrije woord. Daarmee is de vrijheid van meningsuiting ook een vehikel voor de emancipatie van groepen binnen een samenleving.
Als spanningen en tegenstellingen in een samenleving toenemen is het onder het tapijt schuiven van tegenstellingen niet de oplossing, maar juist het in alle openheid op tafel krijgen hiervan. Daarmee worden de tegenstellingen tussen groepen binnen een samenleving ook voor discussie vatbaar gemaakt en kan wederzijds begrip ontstaan.
Cohesie
Het vrije woord is van belang voor de stabiliteit en leefbaarheid van een maatschappij: de sociale cohesie. Voor een open samenleving is het essentieel dat mensen een vrije discussie kunnen voeren. Juist dan kan een gemeenschappelijk referentiekader worden ontwikkeld. In gesprek zijn met elkaar is de enige manier om elkaar werkelijk te begrijpen.
De vrijheid van meningsuiting is geen bron van tegenstellingen, maar een brug ertussen.
Codificatie
De vrijheid van meningsuiting is verankerd in de Nederlandse grondwet en internationale verdragen (VN en Europees). Dit grondrecht betreft primair de bescherming van de burger tegen de beperking daarvan door ‘het gezag’, evenals de bescherming van minderheden tegen de ‘tirannie van de meerderheid’.
Dit geldt ook voor verdragen op het gebied van de bestrijding van rassendiscriminatie en de bescherming van de godsdienstvrijheid.
Verantwoordelijkheid
Binnen wettelijke bepalingen die het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting beschermen en van een kader voorzien, hebben de burgers een eigen verantwoordelijkheid. De wettelijke kaders bepalen de grenzen. De wijze waarop het vrije woord wordt gebezigd in het gebied daartussen, is een zaak van beschaving en individuele verantwoordelijkheid.
Respect en fatsoen zijn van het grootste belang in een open samenleving. Juist wanneer daarin tegenstellingen en onbegrip toenemen. Dit is echter niet bij wet af te dwingen. De staat is ook niet de instantie die invulling dient te geven aan wat respectvol of fatsoenlijk is. Juist dat moet in een open dialoog in de samenleving worden ontwikkeld. Wanneer sentimenten leiden tot onfatsoenlijke of onrespectvolle uitingen moet dat met woorden worden bestreden. Botsingen moeten niet verboden worden, maar worden gebruikt om verder te komen.
Problematiek
Vrijheid onder druk
De vrijheid van meningsuiting staat in toenemende mate onder druk. Steeds meer mensen in uiteenlopende posities durven niet meer te zeggen wat ze zouden willen zeggen. Een aantal factoren verklaart deze ontwikkeling.
Toename van tegenstellingen
In de Nederlandse samenleving heeft de afgelopen decennia een grote toestroom van niet westerse allochtonen plaatsgevonden. Deze toestroom leidt soms tot maatschappelijke spanningen tussen bevolkingsgroepen. De spanningen die zijn ontstaan hebben te maken met verschillen van achtergrond wat betreft religieuze en culturele aard.
Toename van intolerantie jegens het vrije woord
Veel migranten komen uit islamitische landen waar het vrije woord een minder sterke positie heeft dan in een land als Nederland. Grote groepen nieuwkomers ervaren moeite om een plek te vinden in onze maatschappij. Er zijn grote verschillen tussen sommige gebruiken, normen en waarden. Inclusief de gewoonte om verschillen van inzicht niet met het zwaard maar met het woord te beslechten.
De scherpte van het Nederlandse maatschappelijk debat lijkt niet meer te worden getolereerd. De grondhouding dat de meeste als beledigend ervaren opmerkingen kunnen worden weersproken of genegeerd lijkt te vervagen.
Toename van bedreiging
Met name de radicale Islam en haar democratie ondermijnende karakter zorgen ervoor dat het vrije woord ernstig onder druk staat. De levensovertuiging die verbonden is met de radicale Islam leidt tot intolerant gedrag. Steeds vaker krijgt Nederland te maken met een bepaalde censuur die met bedreiging wordt afgedwongen. Zo ontstaat een sfeer van bedreiging en onbegrip in plaats van een sfeer van debat.
Binnen de publieke discussie zijn de gevolgen van de bedreigende intolerantie merkbaar. Theaters voeren stukken niet op uit angst voor represailles. Cabaretiers en opiniemakers geven openlijk toe niet alles meer te durven zeggen. Nog velen meer zullen dit niet openlijk verklaren maar doen ondertussen ook aan zelfcensuur, misschien zelfs onbewust. Helaas zijn er voorbeelden te over waar de bedreiging ook feitelijk is geëffectueerd, met de moord op Theo van Gogh als absoluut dieptepunt.
Toename van toegeeflijkheid
De reacties van politiek en samenleving op deze zorgelijke ontwikkeling zijn soms averechts. Het eerste type reactie dat valt te bespeuren is die van het indammen van het vrije woord. Na de moord op van Gogh wilde de regering godslastering sneller strafbaar stellen.
Nog voordat Geert Wilders een film had gemaakt riep de regering hem al op hiervan af te zien. Tevens werd een cartoonist van zijn bed gelicht door een arrestatieteam vanwege het beledigende karakter van zijn cartoons.
Het huidige kabinet wil de wet verduidelijken door naast directe belediging eveneens indirecte belediging strafbaar te stellen. Het Amsterdamse Hof heeft onlangs bepaald dat Geert Wilders, tegen de aanvankelijke wens van het Openbaar Ministerie in, strafrechtelijk moet worden vervolgd. Eén van de overwegingen uit het arrest is dat de heer Wilders door constant de Islam te beledigen eveneens de aanhangers van de Islam beledigt: indirecte belediging dus.
Toename van intolerantie jegens Islam
Doordat de radicale Islam de vrijheid van meningsuiting onder druk zet zien we ook een andere tegenreactie ontstaan. Er is een toenemende wens de Islam te onderdrukken in Nederland. De wijze waarop dit gebeurt, en de wens om de Islam aan banden te leggen, zijn eveneens inperkingen van het vrije woord.
Negatieve spiraal
De druk op de vrijheid van meningsuiting komt dus van twee kanten. Enerzijds wordt de vrijheid van meningsuiting bedreigd als gevolg van een toename van intolerantie jegens het vrije woord. Anderzijds werkt de reactie daaraan toe te geven, of intolerantie tegen de islam te bevorderen, averechts. Zo ontstaat een negatieve spiraal die een directe bedreiging is van de democratische rechtstaat. Het vertrouwen dat woorden met woorden kunnen worden bestreden, lijkt weg.
Fatsoen
Wanneer mensen zich inhouden in het openbare debat uit overwegingen van fatsoen en respect is dit alleen maar toe te juichen. Sterker nog: respect voor de ander bevordert op zichzelf alleen maar het kunnen omgaan met tegenstellingen.
Maar als iemand in een maatschappelijke discussie uitspraken zou willen doen die wellicht tegen de algemene fatsoennormen ingaan, maar besluit daarvan af te zien uit angst voor reële bedreigingen, is dat de bijl aan de wortel van sociale cohesie. Fatsoenlijke omgangsvormen zijn een groot goed, maar mensen mogen hier niet toe worden gehouden onder druk van bedreiging met geweld.
Bescherming
Dit geldt evenzeer voor de dreiging met strafrechtelijke vervolging. Wanneer een groep zich relatief snel een beroep kan doen op het strafrecht, brengt dit een gevaarlijke onbalans in de discussie teweeg en wordt de ene groep weliswaar beschermd, maar ten koste van de andere groep. Een open democratische samenleving dient altijd zwakke groepen te beschermen, maar evenzeer -waar mogelijk- weerbaar te maken (zelfbescherming). Juist daarom is het van belang dat deze groeperingen duidelijk wordt gemaakt wat het belang is van het vrije woord, en welke kansen dit hen biedt. Als je in een discussie bekritiseerd of beledigd wordt, zijn er twee mogelijke reacties: weerleggen of negeren.
In een vrije samenleving zijn harde woorden geen opmaat voor harde daden; dit besef moet worden bevorderd.
Waarborg
Wanneer de druk op de vrijheid van meningsuiting toeneemt, is het juist belangrijk om te garanderen dat de vrijheid van meningsuiting wettelijk voldoende is geborgd. Dit is een taak van de wetgever.
Wetgeving
Vrijheid onder druk
De vrijheid van meningsuiting staat in toenemende mate onder druk. Steeds meer mensen in uiteenlopende posities durven niet meer te zeggen wat ze zouden willen zeggen. Een aantal factoren verklaart deze ontwikkeling.
Toename van tegenstellingen
In de Nederlandse samenleving heeft de afgelopen decennia een grote toestroom van niet westerse allochtonen plaatsgevonden. Deze toestroom leidt soms tot maatschappelijke spanningen tussen bevolkingsgroepen. De spanningen die zijn ontstaan hebben te maken met verschillen van achtergrond wat betreft religieuze en culturele aard.
Toename van intolerantie jegens het vrije woord
Veel migranten komen uit islamitische landen waar het vrije woord een minder sterke positie heeft dan in een land als Nederland. Grote groepen nieuwkomers ervaren moeite om een plek te vinden in onze maatschappij. Er zijn grote verschillen tussen sommige gebruiken, normen en waarden. Inclusief de gewoonte om verschillen van inzicht niet met het zwaard maar met het woord te beslechten.
De scherpte van het Nederlandse maatschappelijk debat lijkt niet meer te worden getolereerd. De grondhouding dat de meeste als beledigend ervaren opmerkingen kunnen worden weersproken of genegeerd lijkt te vervagen.
Toename van bedreiging
Met name de radicale Islam en haar democratie ondermijnende karakter zorgen ervoor dat het vrije woord ernstig onder druk staat. De levensovertuiging die verbonden is met de radicale Islam leidt tot intolerant gedrag. Steeds vaker krijgt Nederland te maken met een bepaalde censuur die met bedreiging wordt afgedwongen. Zo ontstaat een sfeer van bedreiging en onbegrip in plaats van een sfeer van debat.
Binnen de publieke discussie zijn de gevolgen van de bedreigende intolerantie merkbaar. Theaters voeren stukken niet op uit angst voor represailles. Cabaretiers en opiniemakers geven openlijk toe niet alles meer te durven zeggen. Nog velen meer zullen dit niet openlijk verklaren maar doen ondertussen ook aan zelfcensuur, misschien zelfs onbewust. Helaas zijn er voorbeelden te over waar de bedreiging ook feitelijk is geëffectueerd, met de moord op Theo van Gogh als absoluut dieptepunt.
Toename van toegeeflijkheid
De reacties van politiek en samenleving op deze zorgelijke ontwikkeling zijn soms averechts. Het eerste type reactie dat valt te bespeuren is die van het indammen van het vrije woord. Na de moord op van Gogh wilde de regering godslastering sneller strafbaar stellen.
Nog voordat Geert Wilders een film had gemaakt riep de regering hem al op hiervan af te zien. Tevens werd een cartoonist van zijn bed gelicht door een arrestatieteam vanwege het beledigende karakter van zijn cartoons.
Het huidige kabinet wil de wet verduidelijken door naast directe belediging eveneens indirecte belediging strafbaar te stellen. Het Amsterdamse Hof heeft onlangs bepaald dat Geert Wilders, tegen de aanvankelijke wens van het Openbaar Ministerie in, strafrechtelijk moet worden vervolgd. Eén van de overwegingen uit het arrest is dat de heer Wilders door constant de Islam te beledigen eveneens de aanhangers van de Islam beledigt: indirecte belediging dus.
Toename van intolerantie jegens Islam
Doordat de radicale Islam de vrijheid van meningsuiting onder druk zet zien we ook een andere tegenreactie ontstaan. Er is een toenemende wens de Islam te onderdrukken in Nederland. De wijze waarop dit gebeurt, en de wens om de Islam aan banden te leggen, zijn eveneens inperkingen van het vrije woord.
Negatieve spiraal
De druk op de vrijheid van meningsuiting komt dus van twee kanten. Enerzijds wordt de vrijheid van meningsuiting bedreigd als gevolg van een toename van intolerantie jegens het vrije woord. Anderzijds werkt de reactie daaraan toe te geven, of intolerantie tegen de islam te bevorderen, averechts. Zo ontstaat een negatieve spiraal die een directe bedreiging is van de democratische rechtstaat. Het vertrouwen dat woorden met woorden kunnen worden bestreden, lijkt weg.
Fatsoen
Wanneer mensen zich inhouden in het openbare debat uit overwegingen van fatsoen en respect is dit alleen maar toe te juichen. Sterker nog: respect voor de ander bevordert op zichzelf alleen maar het kunnen omgaan met tegenstellingen.
Maar als iemand in een maatschappelijke discussie uitspraken zou willen doen die wellicht tegen de algemene fatsoennormen ingaan, maar besluit daarvan af te zien uit angst voor reële bedreigingen, is dat de bijl aan de wortel van sociale cohesie. Fatsoenlijke omgangsvormen zijn een groot goed, maar mensen mogen hier niet toe worden gehouden onder druk van bedreiging met geweld.
Bescherming
Dit geldt evenzeer voor de dreiging met strafrechtelijke vervolging. Wanneer een groep zich relatief snel een beroep kan doen op het strafrecht, brengt dit een gevaarlijke onbalans in de discussie teweeg en wordt de ene groep weliswaar beschermd, maar ten koste van de andere groep. Een open democratische samenleving dient altijd zwakke groepen te beschermen, maar evenzeer -waar mogelijk- weerbaar te maken (zelfbescherming). Juist daarom is het van belang dat deze groeperingen duidelijk wordt gemaakt wat het belang is van het vrije woord, en welke kansen dit hen biedt. Als je in een discussie bekritiseerd of beledigd wordt, zijn er twee mogelijke reacties: weerleggen of negeren.
In een vrije samenleving zijn harde woorden geen opmaat voor harde daden; dit besef moet worden bevorderd.
Waarborg
Wanneer de druk op de vrijheid van meningsuiting toeneemt, is het juist belangrijk om te garanderen dat de vrijheid van meningsuiting wettelijk voldoende is geborgd. Dit is een taak van de wetgever.
Wetgeving
Wetgeving
Wetgeving
De Nederlandse wetgeving kent teveel onduidelijkheden met betrekking tot vrijheid van meningsuiting. Daardoor is deze onvoldoende geborgd, terwijl –gezien de ontwikkelingen zoals hierboven geschetst- juist extra garanties nodig zijn. Met de onderstaande voorstellen zal eerder meer dan minder aansluiting gevonden kunnen worden bij het EVRM, het Hof voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Strafrecht
Het wetboek van strafrecht bevat enkele bepalingen die aanleiding geven tot onduidelijkheid. En bepalingen gericht op het beperken van de meningsuiting die verder gaan dan minimaal noodzakelijk volgens internationale verdragen en Europese jurisprudentie .
Bovendien kent het strafrecht geen strafverzwaring wanneer iemand een ander bedreigt of geweld aandoet vanwege het gebruik dat diegene maakt van zijn vrijheid van meningsuiting.
Godslastering
De huidige strafwet biedt ruimte aan een voorkeursbehandeling voor meningen geuit op basis van een (godsdienstige) levensovertuiging ten opzichte van andere overtuigingen. Zoals de uitspraak van de lagere rechter in een zaak waarin een dominee werd vrijgesproken die had betoogd dat homofilie een vieze vuile zonde is vanwege de vrijheid van godsdienst. De Hoge Raad heeft dit overigens gecorrigeerd door vrij te spreken op grond van de vrijheid van meningsuiting.
Een (historisch verklaarbare) voorkeursbehandeling blijkt ook uit art. 147 Sr: godslastering. Voor het belang van de vrijheid van meningsuiting dient duidelijk te zijn dat een religieuze levensovertuiging geen excuus mag zijn bij de vrijheid van meningsuiting, maar ook geen bijzondere bescherming verdient ten opzichte van andere overtuigingen. Daarom dient het artikel godslastering art. 147 Sr geschrapt te worden.
Aangezien in de Tweede Kamer een wetsvoorstel in de maak is dat hiertoe strekt, valt dit niet onder dit voorstel voor een initiatiefwet.
Middellijk en onmiddellijk
Er bestaat onduidelijkheid over of het beledigen van opvattingen strafrechtelijk ook gezien kan worden als het beledigen van mensen die deze opvatting hebben.
Onlangs is er door het Amsterdamse Hof in de zaak omtrent de strafvervolging van Geert Wilders beredeneerd dat het artikel inzake groepsbelediging -art 137c Sr- ook indirect (‘middellijk’) kan worden uitgelegd. Door symbolen of overtuigingen van een groep te beledigen, beledig je daarmee ook de groep zelf en zou men dus strafbaar kunnen zijn.
Daar staat een arrest van de Hoge Raad tegenover in de zaak ‘Stop het gezwel dat Islam heet’, hierin wordt geoordeeld dat art. 137c Sr geen ruimte biedt voor bestraffing van indirecte belediging.
De onduidelijkheid omtrent art 137c Sr moet worden weggenomen. Hier ligt een taak voor de wetgever. De wet zou zo moeten worden verduidelijkt dat alleen directe belediging (‘onmiddellijke’ belediging) onder de strafbaarstelling van artikel 137c Sr valt.
Logischerwijs kun je geen zaken, maar alleen mensen beledigen. Bovendien, als ook indirecte belediging (middellijke belediging) strafbaar zou blijven, wordt het maatschappelijk debat te zeer afhankelijk van waar iemand zelf zijn gevoeligheden heeft of ziet.
De verduidelijking in deze zin past ook beter in de systematiek van het strafrecht, waar altijd een zo nauw mogelijke delictsomschrijving gewenst is, omdat niets strafbaar is wat niet in de strafwet als zodanig is omschreven.
Strafverzwaring bedreiging wegens vrijheid van meningsuiting
Enerzijds moet de vrijheid van meningsuiting meer ruimte krijgen en dus minder makkelijk kunnen worden ingeperkt door strafwetgeving. Anderzijds is het noodzakelijk om de dreiging met geweld stellig af te wijzen en dus hard aan te pakken. Wanneer mensen die participeren in een openbare discussie niet langer hun vrije mening durven te uiten onder dreiging van geweld, dient die specifieke bedreiging harder te worden bestraft. De frustratie van een open maatschappelijk debat moet een wettelijke grond zijn voor strafverzwaring. Het belang van de openbare discussie is dermate groot dat hier een hogere strafmaat legitiem is.
Groepsbelediging, haat zaaien, discriminatie en geweld
Op dit moment kan te makkelijk naar de strafrechter worden gestapt wanneer men zich gekwetst of beledigd voelt. Dit gaat ten koste van de weerbaarheid van mensen binnen een democratische samenleving. Bovendien is de gang naar een rechter een vorm van ontduiking, en daarmee frustratie, van het openbaar debat. De Rechtszaal (strafrechter) zou de laatste plek moeten zijn waar je een maatschappelijke discussie beslecht wil zien.
De bepalingen over de vrijheid van meningsuiting en de inperking daarvan die van origine primair ten behoeve van de verticale werking in het leven zijn geroepen (voor het verkeer tussen burgers en staat), worden steeds vaker horizontaal gebruikt (tussen burgers onderling). Men beroept zich op belediging om iemand anders de mond te snoeren.
Om deze redenen dient het strafrecht verder gewijzigd te worden om de vrijheid van meningsuiting beter te garanderen. Hiervoor zijn wetstechnisch twee methoden: schrappen of toevoegen.
Methode 1: elementen schrappen
De voornaamste inperking van de vrijheid van meningsuiting binnen het stafrecht is gelegen in de artikelen 137 c tot en met 137 e. (Art. 266 Sr, de eenvoudige belediging, wordt buiten beschouwing en blijft dus ongemoeid). In deze artikelen worden belediging en aanzetten tot haat, discriminatie en/of geweld strafbaar gesteld.
Groepsbelediging schrappen
Artikel 137 c Sr, groepsbelediging, dient te worden geschrapt. Binnen het maatschappelijk debat is het juist van belang dat tegenstellingen die tussen groepen bestaan overbrugd kunnen worden. Dit kan ook gepaard gaan met belediging van groepen. In de hitte van de openbare discussie zou dit geoorloofd moeten zijn.
De eenvoudige belediging (art. 266 Sr, belediging van een individu, niet van een groep) blijft strafbaar. Mensen die persoonlijk diep beledigd worden kunnen daardoor evenzeer als nu bescherming van de strafrechter krijgen.
Haatzaaien schrappen
Een onduidelijk element in deze artikelen is het begrip haat zaaien, preciezer gezegd: aanzetten tot haat. Haat is als zodanig niet strafbaar, en ook een erg diffuus begrip voor een strafbepaling. Aanzetten tot wat is dan precies strafbaar als haat zelf niet strafbaar is?
Als wordt bedoeld haat in de zin van discriminatie en/of geweld, wordt dit ondervangen doordat dit ook in die artikelen wordt genoemd.
Wanneer haat niet direct aanzet tot discriminatie of gevaar in de zin van geweld of geweldpleging, is het beter dit vrij te laten binnen de context van het maatschappelijk debat. Daarom is het wenselijk het element haar uit de desbetreffende artikelen te schrappen.
Eventueel aanzetten tot discriminatie schrappen
De meest vergaande mogelijkheid is dat -naast haat zaaien en groepsbelediging- ook het element ‘aanzetten tot discriminatie’ wordt geschrapt uit artikel 137d Sr. Het is de vraag of discriminerende opmerkingen strafbaar moeten zijn indien zij in het vrije debat worden gedaan, en deze bovendien niet direct aanzetten tot daden.
Aan de strafbaarheid van discriminatie mag absoluut niet worden getornd. Juist in een samenleving van toenemende tegenstellingen is het van fundamenteel belang dit met grote alertheid te bestrijden.
Dan gaat het echter om handelingen. Voor zover het bij woorden blijft kan worden betoogd dat dit alleen strafbaar is als het aanzet tot gewelddadig gedrag jegens gediscrimineerde groepen.
Een dergelijke benadering is een logische, die ook het meest aansluit bij het Amerikaanse model. Het is echter de vraag of deze benadering de meest wenselijke is. Bovendien is Nederland gehouden aan internationale verdragen en Europese jurisprudentie.
Als ervoor wordt gekozen om het aanzetten tot discriminatie wel strafbaar te laten blijven, moet het juridische begrip discriminatie worden teruggebracht tot de primaire betekenis die het oorspronkelijk als grondrecht en in verdragen heeft.
Daarbij gaat het om het beschermen van minderheden tegen het gezag of tegen meerderheden, wanneer zij, op grond van kenmerken die niet vrijelijk zijn te kiezen, reëel worden bedreigd in hun maatschappelijk functioneren.
Het direct aanzetten tot dergelijk gedrag zou dan strafbaar blijven.
Nader onderzoek is nodig om de wenselijkheid en mogelijkheid van eventueel schrappen van aanzetten tot discriminatie te bepalen.
Het schrappen van bovenstaande elementen heeft uiteraard directe consequenties voor het verspreidingsdelict 137 e Sr.
Aanzetten tot geweld handhaven
In elk geval dient het element aanzetten tot geweld strafbaar te blijven zoals het nu is omschreven. Natuurlijk geldt ook hier dat vooral de daad strafbaar is en niemand zich mag verschuilen achter het feit dat hij daartoe aangezet zou zijn. Maar als iemand wist of had moeten weten dat zijn woorden direct tot geweldsdaden zouden aanzetten moet dat uiteraard strafbaar blijven.
Als in feite de enige beperking van het vrije woord gelegen ligt in de strafbaarstelling van het aanzetten tot geweld, of het dreigen met geweld, wordt het nauwst aangesloten bij het Amerikaanse model. In de Verenigde Staten wordt ‘the freedom of speech’ als eerste grondrecht beschouwd, en kan de strafrechter alleen ingrijpen als er sprake is van ‘imminent danger’.
De Amerikaanse samenleving kent grote tegenstellingen en een bevolkingssamenstelling van groepen die zeer variëren in religieuze en etnische achtergrond. Daar blijkt deze grote mate van vrijheid juist een adequate manier hoe om te gaan met uiteenlopende en extreme opvattingen.
Methode 2: elementen toevoegen
Een andere mogelijkheid is het toevoegen van een bepaling binnen het strafrecht waardoor de vrijheid van meningsuiting extra bescherming geniet.
Immuniteitsclausule
Het doel van deze wetswijziging is meer garantie te bieden voor de vrijheid van meningsuiting. Daarbij gaat het dan uitdrukkelijk om meningen geuit in het openbaar debat, met een publieke functie. Het gaat dus niet om meningen gedaan in de privésfeer of met een privéoogmerk. Dit onderscheid sluit aan bij het Amerikaanse model waarin verschil wordt gemaakt tussen "public speech" en " private speech". De eerste is gericht op een algemeen belang, de tweede op een eigen belang.
In het geval van een toevoeging zou het moeten gaan om het vrijwaren van de straffen die worden gesteld op ‘groepsbelediging’ (artikel 137 c Sr) en ‘aanzetten tot haat’ uit artikel 137 d. En eventueel ook om het te vrijwaren van het ‘aanzetten tot discriminatie’.
Deze toevoeging zou ertoe leiden dat de elementen –groepsbelediging, aanzetten tot haat en eventueel aanzetten tot discriminatie- strafbaar blijven indien de uitingen buiten de openbare discussie worden gedaan. Alleen als participant aan de openbare discussie word je beschermd tegen strafvervolging. Daardoor is duidelijk dat tegenstellingen binnen het debat moeten worden opgelost.
Deze toevoeging zou ertoe moeten leiden dat een vrije mening geuit binnen de publieke discussie, niet kan worden ingeperkt door een aantal strafrechtelijke bepalingen. Een soort van immuniteitsclausule voor de gebruiker van het vrije woord derhalve, mits hij dit aanwendt in het kader van de openbare discussie, en hij niet aanzet tot geweld of eventueel ook tot discriminatie, maar dan in beperkte zin zoals hierboven omschreven.
Rechter
Op bovenstaande wijzen kan de wet verduidelijkt en aangescherpt worden. Daardoor zal de strafrechter minder snel de instantie zijn die maatschappelijke conflicten dient te beslechten. De rol van de rechter wordt echter niet minder belangrijk. Uiteraard kan elk geval van gebruik van het vrije woord alleen maar in zijn context worden beoordeeld. In het bijzonder kan alleen de rechter in het desbetreffende geval beoordelen wanneer er sprake is van direct aanzetten tot discriminatie of geweld.
Wanneer een cabaretier in Nederland zegt dat kaaskoppen vermalen moeten worden tot geraspte kaas, heeft dat een andere betekenis dan wanneer een Hutu-zanger in Rwanda tijdens de burgeroorlog zingt dat tutsi’s kakkerlakken zijn die vertrapt moeten worden.
Civiel recht
Civielrechtelijk kan de rechter ingeroepen blijven worden zoals nu het geval is. Mogelijkheden die het civiel recht kent voor burgers om elkaar aan te spreken wanneer men zich geschaad voelt door de uiting van een ander, blijven onverkort gehandhaafd. Deze mogelijkheden leveren geen probleem op voor het borgen van de vrijheid van meningsuiting.
Grondwet
Wat betreft de grondwet is er discussie over de plaats van het grondrecht van vrijheid van meningsuiting ten opzichte van andere grondrechten. Vrijheid van meningsuiting kan gezien worden als fundamenteler of overkoepelender dan andere grondrechten (in analogie van de Amerikaanse grondwet). Zo zou de vrijheid van godsdienst gezien kunnen worden als een vorm van de vrijheid van meningsuiting (in combinatie met de vrijheid van vereniging en vergadering).
Het is echter voor betere borging van de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk om deze grondwettelijke discussie aan te gaan. In de praktijk en in de jurisprudentie leidt eventuele onduidelijkheid over de verhouding tussen grondrechten niet tot problemen. Grondwetswijziging is bovendien de zwaarste en meest langdurige weg. De beoogde betere borging van de vrijheid van meningsuiting kan worden bereikt door wijziging van het wetboek van strafrecht.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement