donderdag 23 februari 2012

Tags

Weekblad

Veiligheid: Veerkrachtige doeners

woensdag 11 mei 2005 13:45

Bij elke 'uitruk’ komen de brandweerlieden van Enschede langs de gedenkplaat voor de vier collega’s die op 13 mei 2000 stierven bij de vuurwerkramp. Veel praten over die gebeurtenis doen de mannen niet, maar de ramp is nooit ver weg. Portret van een brandweerkorps dat nu geldt als een van de veiligste van het land.

Op een donderdagochtend in april gaat in de Hoofdpost van de brandweer in Enschede het alarm af. De melding klinkt dreigend: een gaslek in de Bentrotstraat. Dat is vlak bij de plek waar vijf jaar geleden, op 13 mei 2000, bij de vuurwerkramp een complete woonwijk werd weggevaagd. Nu heeft een graafmachine in de opgebroken straat een groot gat in de gasleiding gestoten. Het gas spuit meters omhoog. Een vonk zou een ramp kunnen veroorzaken.

Bevelvoerder Johan Bosch (40) is binnen een paar minuten met de tankautospuit ter plekke. Een tweede wagen volgt even later. Wegens het explosiegevaar besluit Bosch de inzet 'op te schalen’ en het gebied meteen te laten afzetten. Aan de rand wordt een commandobak geïnstalleerd. Officier van Dienst Mark Bokdam (31) besluit na spoedoverleg met de Adviseur Gevaarlijke Stoffen en de politie alle huizen in een straal van honderd meter rond het lek te laten ontruimen.

Het gas blijft met een oorverdovend lawaai uit het lek spuiten. Het wachten is op iemand van energiebedrijf Essent die de gastoevoer afsluit. Terwijl de geschrokken bewoners uit hun huizen worden gehaald, meten brandweermannen eventuele gasophoping in de woningen. Op grondniveau is de uitslag nul, maar omdat aardgas lichter is dan lucht, kan op de eerste verdieping en zolder inmiddels een levensgevaarlijke situatie zijn ontstaan. De opluchting is groot als een medewerker van Essent eindelijk de gaskraan heeft dichtgedraaid. 'Met een beetje pech hadden we weer zo’n kale plek in de stad gehad,’ moppert brandweerman Willie Dam (54).

'Weer zo’n kale plek’ – vijf jaar na dato is de vuurwerkramp in Enschede nog steeds levende geschiedenis. Voor de bewoners van de Bentrotstraat, bij wie de gedwongen evacuatie deze donderdag herinneringen oproept aan de gebeurtenissen van destijds. En bij de brandweerlieden. Vier van de 22 doden op die zaterdag 13 mei waren brandweerman.

Naast de uitrukgarage in het centrum van Enschede hangt een bronzen gedenkplaat. Een sober stilleven van helmen en ladders. Daaronder de namen van de vier omgekomen brandweerlieden: Gerhard Oude Nijeweme, Hans van der Molen, Paul Gremmen en Theo Hesselink. In de hal een ingelijste collage van hun rouwadvertenties. Vier mannen in de kracht van hun leven, met jonge gezinnen.

In de kantine van de brandweerkazerne hangt een grote luchtfoto van het zwartgeblakerde rampgebied. De rode brandweerwagens ogen als speelgoedauto’s, machteloos tegenover het inferno.

In de tijd na de ramp kregen collega’s van de omgekomen brandweermannen nazorg, maar het werk ging uiteraard gewoon door, dag en nacht. Nieuwe, jonge mensen kwamen binnen. Over de ramp wordt onderling weinig gesproken, maar iedereen heeft zijn herinneringen. Bij de één liggen die dichter aan de oppervlakte dan bij de ander.

'Brandweerlieden zijn geen praters maar doeners,’ zegt commandant Stephan Wevers (40). 'Pragmatisch en resultaatgericht. Ik ben trots op de veerkracht die het korps na de ramp heeft getoond.’

Mascotte
Het korps van de Brandweer Enschede is opgericht in 1885. In de onderhoudsgarage symboliseert een rode open A-Ford met houten ladder en een vlasslang om een spoel de geschiedenis. De A-Ford doet alleen nog dienst bij bruiloften en partijen, maar wordt gekoesterd als mascotte. In de uitrukgarage verderop staat, strak in het gelid achter de vier roldeuren, een deel van het huidige materieel: een tankautospuit, een redvoertuig (autoladder), een hulpverleningsvoertuig en een Officier van Dienstwagen.

Aan de kapstokken hangen de brandweerpakken klaar, de witte helmen en zwarte laarzen voor het grijpen. Bij elk alarm van de Regionale Alarmcentrale in Hengelo sprinten de brandweerlieden naar de uitrukgarage, schieten in hun pakken en zijn een minuut later met gillende sirene onderweg. De huidige brandweerwagens zijn reusachtige gevaarten, voorzien van de modernste snufjes.

Als een autodealer prijst Johan Bosch 'zijn’ tankautospuit. 'Alles zit erop en eraan.’ De vlasslang is vervangen door hogedrukslangen van kunststof, de houten ladder door een uitschuifbare metalen. Aan boord bevindt zich, naast allerlei blusapparatuur, onder meer een 'knipset’ om beknelde slachtoffers te bevrijden uit verongelukte of brandende auto’s. 'Geen leuke klus, maar alles went.’

Net als de meeste collega’s heeft Johan Bosch een technische achtergrond, in zijn geval mts autotechniek. Vanaf zijn 22ste zit hij bij de Brandweer Enschede. Zijn vader – tot voor kort eigenaar van een transportbedrijf – was jarenlang vrijwilliger bij hetzelfde korps. 'Dat zie je wel vaker, ja. Het is mooi en afwisselend werk. En je hebt toch de zekerheid van een ambtenaar.’

De bemanning van een tankautospuit bestaat uit zes specialisten: een chauffeur en een bevelvoerder, twee mensen van de aanvalsploeg en twee van de waterploeg. Onderweg krijgt de bevelvoerder op een beeldscherm alle informatie over de plaats van bestemming. In een grote bak voorin zitten plastic mappen met deze aanvals- en bereikbaarheidskaarten. Wat is de beste aanrijroute? Waar bevinden zich de brandkranen? Hoe ziet het pand er van binnen uit? Zijn er gevaarlijke stoffen aanwezig? Hoeveel mensen bevinden zich normaal in het pand?

Eenmaal ter plekke begint de aanvalsploeg zo snel mogelijk met het bestrijden van het vuur. De waterploeg zorgt voor bluswater. In de tank van de brandweerauto zit 2.000 liter. Zodra de slangen zijn aangesloten op de brandkraan, begint ook de waterploeg met blussen. De bevelvoerder staat per portofoon voortdurend met beide ploegen in contact en coördineert alle werkzaamheden.

Warme organisatie
Bij de Brandweer Enschede werken zo’n 150 brandweerlieden in de 'warme organisatie’, ofwel de repressieve dienst: bluswerk en hulpverlening. Van hen zijn er zeventig in beroepsdienst, de anderen zijn vrijwilligers. Daarnaast is er de 'koude organisatie’: dienstleiding, management, administratie, controleurs, adviseurs en technici.

De beroepskrachten werken op de Hoofdpost pal achter het NS-station en op Post Zuid. Daarnaast zijn er, verspreid over de gemeente, zes vrijwilligersposten. Drie in de binnenstad (de Secties West, Oost en Zuid) en drie Buitenstadssecties (Lonneker, Glanerbrug en Boekelo). De vrijwilligers van die laatste drie posten zijn ook op kantoortijden oproepbaar. Ze verrichten tegen een onkostenvergoeding bij incidenten dezelfde taken als de beroepskrachten.

De organisatie van de brandweer doet denken aan die van het leger. De 'beroeps’ zijn verdeeld over drie uitrukploegen, die volgens een strak schema opdraven: 24 uur op en 48 uur af. De wisseling van de wacht heeft ’s ochtends om 8.00 uur plaats. De nieuwe ploeg krijgt bij het ochtendappel in de garage het rooster te horen. Iedereen is voor alle specialismen inzetbaar. Als er geen alarmmeldingen zijn, hebben alle brandweerlieden overdag een tweede functie. De één onderhoudt de wagens, de ander controleert de ademluchtapparatuur, een derde adviseert over vergunningen.

De beroepskrachten zijn vrijwel allemaal mannen van begin 20 tot eind 40, plus een paar vrouwen. De olijke Turk Mehmet is de enige migrant bij de 'warme organisatie’. Tijdens een 24-uursdienst zijn de brandweerlieden na 18.00 uur 'vrij’, maar ze mogen de kazerne niet verlaten. Er wordt geknutseld en op de binnenplaats aan auto’s en motoren gesleuteld, televisie gekeken, en ook computerspelletjes zijn populair. Tegen 23.00 uur ligt iedereen te slapen. Maar als het alarm gaat, komen ze meteen in actie. Via de glijpalen in het trapportaal roetsjen ze naar beneden, de gezichten strak en geconcentreerd.

Onderbrandmeester Tonny Spoelstra (49): 'De ene nacht gebeurt er niets, de volgende nacht zien we ons bed amper.’ De onderlinge sfeer is goed, zegt hij.

Spoelstra is bijna 25 jaar brandweerman. Op de dag van de ramp was hij thuis. 'Ik dacht eerst aan een neergestort vliegtuig, maar had al snel door dat het iets ernstigers was.’ De slachtoffers kende hij goed. 'Die tragedie blijft in je achterhoofd en gaat altijd met je mee.’

De meeste 'uitrukken’ zijn routineklussen. Een schoorsteenbrand, een uitgebrande auto of vuilniscontainer, een ontplofte televisie, een weigerende lift of een kat in de boom. In 2004 rukte de Enschedese brandweer 891 keer uit. In 30 procent van de gevallen was het loos alarm. Er waren 464 branden en 160 keer fungeerden de brandweerlieden als hulpverleners, meestal bij auto-ongelukken. Er vielen zeven dodelijke burgerslachtoffers: één bij een brand, zes bij ongelukken.

In totaal heeft de brandweer vijf hoofdtaken, die samen de zogenoemde veiligheidsketen vormen. Pro-actie: het vroegtijdig signaleren van voor de brandweer vitale veranderingen in de infrastructuur en ruimtelijke ordening. Preventie: het voorkomen van ongevallen en het beperken van de schade voor mensen, milieu en economie bij incidenten. Preparatie: opleiden en oefenen, het opstellen van aanvalsplannen en bereikbaarheidskaarten, de controle van de circa vijfduizend brandkranen binnen de gemeentegrenzen. Repressie: het daadwerkelijk bestrijden van incidenten. Nazorg: onder meer opvang van slachtoffers, evalueren van inzet en gereedmaken voor nieuwe inzet.

Veiligheid
Sinds 1990 zijn in Nederland 28 brandweermensen tijdens hun werk om het leven gekomen. Honderden lieden raakten gewond, soms ernstig. Explosies en instorting zijn de belangrijkste oorzaken van ongevallen.

De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid oordeelde eind vorig jaar, in een rapport over het veiligheidsbewustzijn bij brandweerpersoneel, dat de brandweer veel meer kan en moet leren van het eigen optreden. 'Soms wordt er te gemakkelijk geconcludeerd dat een noodlottige gebeurtenis valt onder het onvermijdelijke risico van het vak, terwijl voorop dient te staan dat alles moet worden gedaan om herhaling te voorkomen.’ Zowel het bijscholen van het personeel als het evalueren van incidenten blijkt bij vrijwel alle korpsen minimaal ontwikkeld. Twee korpsen doen het volgens de Inspectie wel goed: Amsterdam en Enschede.

Na het incident met het gaslek in de Bentrotstraat zit de complete uitrukploeg nog diezelfde dag om 15.00 uur in de kantine klaar voor een evaluatie. Stap voor stap neemt Mark Bokdam de inzet door. Hij is tevreden, maar er zijn ook dingen misgegaan. Zo hebben de chauffeurs niet de opdracht meegekregen om 'bovenwinds’ aan te rijden. Dat had wel gemoeten: zo werden ze kwetsbaar voor een eventuele ontploffing. Ook bleek niet iedereen te zijn geïnformeerd over de opvanglokatie voor de geëvacueerde bewoners.

Willie Dam vraagt waarom de elektriciteit niet meteen is afgesloten: 'Eén vonkje en de hele boel was de lucht in gegaan!’ Geduldig legt Bokdam uit dat de resultaten van de metingen geruststellend waren.

Dam kijkt alsof hij net opnieuw aan een ramp is ontsnapt. Zijn kritische houding valt goed te begrijpen. Hij had zaterdag 13 mei 2000 zijn dienst geruild met Hans van der Molen, een van de slachtoffers. 'Pas maanden later durfde ik zijn vrouw onder ogen te komen. Zij vloog mij om de hals en riep: “Willie, Willie, het is jouw schuld niet.” Dat gaslek was vlak bij de rampplek. Dan komt alles weer boven.’ Dam zegt blij te zijn dat hij op zijn 55ste kan stoppen. 'Na de ramp is alles in een stroomversnelling geraakt.’

Maarten Kruisselbrink (28) loopt voor zijn opleiding aan het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding – de brandweeracademie – stage in Enschede. Hij vindt de pluim van de Inspectie terecht. 'Brandweerkorpsen zijn van oudsher niet de meest vooruitstrevende organisaties. In Enschede is niettemin de afgelopen vijf jaar duidelijk veel verbeterd. De organisatie is erg professioneel en je ziet bij elke inzet dat de mensen voor elkaar door het vuur gaan.’

'Vóór de ramp draaide alles om de rode brandweerwagens en het blussen van branden,’ zegt beleidsadviseur veiligheid Ymko Attema (30). 'Na de ramp ligt het accent veel meer op pro-actie en preventie.’ De organisatie is de afgelopen jaren veel meer gericht op veiligheid. 'Vroeger was het na een uitruk: “Zijn we allemaal nog heel? Geen bloedspetters op het pak?” Nu is iedereen zich veel meer bewust van de risico’s. Een gedegen evaluatie is cruciaal. Je moet van je fouten leren.’

Tijdens het gesprek gaat het alarm. Oorverdovend. Niemand reageert. Er blijkt niets aan de hand: elke woensdagmiddag om 15.00 uur gaat het proefalarm om de installatie te testen. 'Soms zijn mensen al halverwege de gang als ze zich dat realiseren,’ grinnikt onderbrandmeester Tonny Spoelstra. 'De adrenaline spuit ze de oren uit.’

Zowel de beroepskrachten als de vrijwilligers oefenen geregeld, de beroeps 180 uur per jaar. Op Post Zuid zijn een speciale ademluchtruimte en een stookruimte voor hittetraining, waar allerlei soorten branden kunnen worden gesimuleerd. Rondom het gebouw kan worden geoefend met het bevrijden van 'slachtoffers’ (poppen) uit auto’s en andere lastige objecten. Geregeld zijn er oefeningen voor incidenten waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen. De brandweer beschikt over speciale chemie- en gaspakken en een rijdende 'douchecontainer’ voor ontsmetting.

Deze vrijdagmiddag oefent de bemanning van de tankautospuit van Post Zuid onder leiding van brandmeester Fred Hetterscheid (49) de Inzet Procedure Complexe Gebouwen. Tijdens de koffiepauze vooraf is de sfeer jolig. Het nieuws van 13.00 uur toont, in een item over het afscheid van burgemeester Jan Mans van Enschede, de schokkende beelden van de vuurwerkramp. Geen van de brandweermannen reageert. Vier van hen werkten nog niet bij het korps ten tijde van de ramp, maar ze komen wel allemaal uit Enschede of omstreken. Ook in de tankautospuit onderweg naar de oefenplek – een verzorgingshuis – worden grappen gemaakt.

Bij aanvang van de oefening zijn de mannen in één klap zeer geconcentreerd. In het ketelhuis en de keldergang van het verzorgingshuis liggen drie 'slachtoffers’. De mannen zijn geblinddoekt om de rook 'na te bootsen’ en dragen ademluchtmaskers. Twee aan twee zoeken ze tastend en schuifelend de rampplek af. Via een refinder – een afrolbare draad waarvan het begin aan een verwarmingsbuis voor de ingang is vastgeklikt – kunnen ze blindelings de weg terug vinden. Twee slachtoffers worden na nijver speurwerk gevonden, maar de derde – op een tafel tegen de achterwand van een stookhok – niet. Na afloop staan de mannen zwetend hun reddingsactie te evalueren. Ze zijn teleurgesteld dat ze het derde slachtoffer niet hebben gevonden. 'Jullie dachten te snel dat jullie de hele ruimte hadden gecontroleerd,’ zegt Hetterscheid. 'Let daar dus goed op.’

Naast het reguliere programma oefent iedere brandweerman of -vrouw eens in de vier jaar een week in een centrum bij het Zweedse Revinge. Daar bestaat de mogelijkheid om 'realistisch’ te trainen. 'Ik heb daar ontzettend veel geleerd,’ zegt onderbrandmeester Tonny Spoelstra. 'Je hebt elke dag vier of vijf oefeningen.’

Emoties
Commandant Stephan Wevers was operationeel leider tijdens de ramp van 13 mei 2000 en betrokken bij de nazorg. 'Ik ben op de dag van de ramp geen moment in paniek geweest. Je bent ervoor getraind. We zijn allemaal professionals. Pas thuis stap je in een andere wereld en komen de emoties los.’

De Brandweer Enschede is een jong korps. Bijna de helft van alle personeelsleden is na de ramp binnengekomen. Het onderbezette korps werd uitgebreid met 22 fte’s, van wie negen voor repressie. Het ambitieniveau is hoog, zegt Wevers. Onderdeel van de verdergaande professionalisering is dat het aantal vrijwilligers binnen drie jaar wordt gehalveerd. 'De meeste vrijwilligers gaan in de praktijk nooit als eersten naar binnen. Ze hebben te weinig ervaring om veilig op te treden.’

Over twee jaar krijgt de brandweer een nieuwe hoofdpost en ook de Post Zuid betrekt een nieuw gebouw. Bij de nieuwe uitrukgarage krijgt de gedenkplaat voor de vier omgekomen brandweerlieden een prominente plaats.

 

Kader bij artikel:

BRANDWEER IN NEDERLAND
Nederland telt 472 brandweerkorpsen met in totaal ruim 27.000 brandweerlieden, van wie 82 procent vrijwilliger en 5 procent vrouw. Vijf korpsen – Den Haag, Groningen, Emmen, Maastricht en Leiden – werken uitsluitend met beroepspersoneel. De personeelssterkte loopt uiteen van 34 personen bij gemeenten met minder dan 20.000 inwoners tot 467 in de grote steden.

Volgens de Brandweerstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn in 2003 bij de brandweer 146.000 meldingen geregistreerd. Het ging daarbij om bijna 54.000 branden, met een totale schade van 1,3 miljard euro. Een kwart betrof binnenbranden. De schade bij woningbrand was gemiddeld 26.000 euro. De meeste brandmeldingen zijn tussen vier uur ’s middags en negen uur ’s avonds.

De uitruktijd is in grotere gemeenten gemiddeld korter dan in kleinere, doordat het brandweerpersoneel doorgaans is 'gekazerneerd’ en er verspreid over de gemeente vaak meerdere kazernes zijn.

Een uitruk kost gemiddeld bijna 5.000 euro, maar niemand krijgt een rekening.


advertentie