woensdag 14 december 2005 16:42
Vrijblijvendheid en relativisme zijn uit de mode. Politici hebben niet alleen de mond vol van normen en waarden, ze nemen ook meer maatregelen om fatsoen te bevorderen. Dat is een goede ontwikkeling. Betutteling kan zinvol zijn. Wel moet gewaakt worden voor overdrijving en het taboeïseren van vrij onschuldig genot.
'Het beschaafde gedrag is uiteindelijk een product van zelfbeheersing, het kunnen onderdrukken van eerste impulsen.’ Deze wijze woorden kwamen in februari van dit jaar uit de mond van Thomas Rosenboom. De schrijver wond zich in de jaarlijkse Kellendonklezing op over de verloedering van Nederland, over de macht van de schreeuwlelijken die hun omgeving terroriseren en hufterigheid tot norm hebben verheven.
De noodkreet van Rosenboom ondervond weerklank. Zijn lezing, Denkend aan Holland, werd een bestseller. Het was dan ook verfrissend om eens een schrijver zijn ongenoegen te horen uiten over sociaal-culturele problemen in de eigen omgeving. Politiek engagement van Nederlandse kunstenaars richtte zich in het verleden al te vaak op verre landen, waarbij ze, en passant, de verschrikkelijkste totalitaire stelsels verdedigden. Maar de grote verhalen en ideologieën zijn nu uit de mode. Gelukkig maar. Il faut cultiver notre jardin, schreef Voltaire, we moeten in de eerste plaats ons eigen tuintje onderhouden. Het zorgen voor een zieke vader of moeder, om maar eens een voorbeeld te noemen van echte naastenliefde, heeft ook oneindig veel meer waarde dan het jammeren over de uitbuiting van de Derde Wereld.
De instemmende reacties op het betoog van Rosenboom hadden eveneens te maken met de herkenbaarheid ervan. Dagelijks hebben we te maken met de negatieve gevolgen van een gebrek aan zelfbeheersing. Moorden zijn haast aan de orde van de dag, verbaal en fysiek geweld komen steeds vaker voor, politici en bestuurders worden bedreigd, het taalgebruik wordt almaar grover, van rappers, die vrouwen als 'bitches’ plegen aan te duiden, tot politici die de hoop uitspreken dat hun collega’s uit het raam vallen, nou ja, de deprimerende lijst is schier eindeloos. Wijdverbreid is het besef dat er iets fundamenteel mis is met de zeden in de samenleving en dat een hoogstnoodzakelijk herstel van 'normen en waarden’ uitkomst zou bieden.
Aan dit herstel wordt ook gewerkt. Politici hebben niet alleen de mond vol van normen en waarden, ze proberen tegelijkertijd met praktische maatregelen zelfbeheersing en fatsoen af te dwingen. Ze binden bijvoorbeeld de strijd aan met blowen in het openbaar, ze verbieden pornofilms in de gevangenis en ze bemoeien zich met de voortplanting van zwakzinnigen. Bij dit beschavingsoffensief doet zich wel een fundamenteel probleem voor. De moderne bevoogding staat haaks op ingrijpende sociaal-culturele ontwikkelingen. Om dit probleem beter te begrijpen is een terugblik op het recente verleden nodig.
Gewoon jezelf zijn
De morele malheur heeft vele kanten. Het is onmogelijk voor alle kommer en kwel één oorzaak aan te wijzen. Maar wat bij de toename van al het onfatsoen zeker een grote rol heeft gespeeld, is de verheerlijking van vrijheid als het hoogste goed in combinatie met een (te) grote terughoudendheid een oordeel te vellen over de manier waarop burgers hun vrijheid gebruiken (en misbruiken). De basis voor deze onfortuinlijke combinatie werd gelegd in de jaren zestig. Het progressieve gedachtegoed kreeg toen enorm de wind in de zeilen en zou ook geleidelijk zijn invloed doen gelden in groeperingen die moeilijk als links kunnen worden beschouwd.
Zoals de VVD. Vanaf haar oprichting in 1948 was dat een tamelijk bevoogdende partij met zindelijke burgerheren die de klassieke burgermansdeugden verdedigden. Maar in de jaren tachtig veranderde het intellectuele klimaat. Aan het roer kwam de langharige jongeling Ed Nijpels die mensen voorhield dat ze gewoon zichzelf konden zijn zonder dat de overheid en andere instanties ze voortdurend belerend toespraken. Aldus maakte de VVD de ideologie van de hippies en provo’s van twintig jaar eerder tot de hare.
De leus van 'gewoon jezelf zijn’ vat pakkend de ontplooiingsideologie samen die de dominante politieke filosofie in Nederland werd. Centraal staat de gedachte van zelfverwezenlijking. Een individu moet zich zelf zoveel mogelijk naar eigen inzicht kunnen ontwikkelen.
Natuurlijk zijn er wetten nodig om het vrije spel der maatschappelijke krachten in goede banen te leiden, maar verder zijn normen en sociale verplichtingen vooral ballast. Een overheid of een gemeenschap die een fatsoenlijke levensstijl propageert, krijgt al gauw het verwijt 'bevoogdend’, 'betuttelend’, 'paternalistisch’ of 'burgerlijk’ te zijn.
Deze filosofie sluit aan bij de individualisering, de sluipende revolutie die westerse landen ingrijpend heeft veranderd. Burgers hebben zich steeds meer losgemaakt van traditionele verbanden. Zij varen in toenemende mate hun eigen koers, waarbij ze minder rekening houden met wat de buurt, de kerk of de werkkring vindt. Deze individualisering manifesteert zich op alle mogelijke maatschappelijke en culturele terreinen.
Zeker ook op het religieuze vlak. Het is niet toevallig dat van de boeken van Neale Donald Walsch ongelooflijke aantallen worden verkocht: de Amerikaanse voorman van de Nieuwe Spiritualiteit betoogt dat God niets van je wil en dat je in het leven moet doen wat jou zelf het leukste lijkt. Evenmin toevallig is de populariteit van het 'ietsisme’, de opvatting dat er meer is tussen hemel en aarde dan we met het blote oog kunnen waarnemen zonder dat daar morele richtlijnen voor het individu uit volgen.
Het afscheid van de oude – religieuze – dogma’s leidde, zeker in intellectuele kringen, tot een ethisch relativisme. Als er geen goddelijke zekerheden zijn, moeten we de eigen waarheden vooral niet verabsoluteren, zo was de gedachte. Alles is subjectief en betrekkelijk. We moeten dan ook niet meer de fout maken van de vroegere missionarissen en zendelingen, die hun eigen gelijk opdrongen aan vreemde volkeren. Elke cultuur heeft evenveel waarde, ’s lands wijs, ’s lands eer. Dat was de nieuwe, 'postmoderne’ instelling.
Deze ontwikkeling valt zeker niet alleen te betreuren. De individualisering en de bijbehorende tolerantie hebben enorme voordelen gehad. Keuzevrijheid is een groot goed en draagt bij aan het menselijke geluk. Je zou de islamitische gemeenschap bijvoorbeeld een forse dosis individualisering toewensen, zodat in het bijzonder achtergestelde groepen, zoals vrouwen en homoseksuelen, zich daar beter kunnen ontwikkelen.
Maar: hoe groter de vrijheid, des te groter de kans op ontsporingen. De als knellend ervaren sociale banden hebben als positieve kant dat ze mensen in het gareel houden. Het verbreken, of losser worden, van die banden creëert ruimte voor wangedrag. En die ruimte wordt nog groter als ten gevolge van een te lankmoedige, 'het moet kunnen’-houding van de autoriteiten sancties uitblijven.
De sociale controle van weleer, waarbij mensen elkaar in de gaten hielden en krachtig aanspraken op onaanvaardbaar gedrag, komt nooit meer terug. De individualisering is een grotendeels onomkeerbaar proces. Daarom zien politiek en samenleving zich nu genoodzaakt goed na te denken over methoden om onfatsoenlijke figuren die helaas gewoon zichzelf zijn, fatsoen bij te brengen. Het vinden van het gulden midden is, zoals we zullen zien, daarbij niet altijd even makkelijk.
Worsteling
Femke Halsema, typisch een kind van de jaren zestig, lijkt haar ideologische draai te hebben gevonden. De aanvoerder van GroenLinks liet dit najaar weten dat haar partij zou moeten kiezen voor vrijzinnigheid. Te veel zou links zich hebben verbonden met de verzorgingsstaat zonder oog te hebben voor het belang van individuele verantwoordelijkheid, te vaak zou links het vingertje hebben opgeheven om uiting te geven aan afkeer van door volwassen burgers gemaakte keuzes.
Met deze vrijzinnige koers zet Halsema zich af tegen het als te moralistisch ervaren CDA en neemt ze het progressieve liberalisme van D66 min of meer over. Maar deze keuze maakt een halfslachtige indruk. Halsema’s pleidooi voor keuzevrijheid gaat namelijk gepaard met een aanval op het 'consumentisme’, op het verlangen van burgers om veel goederen aan te schaffen. Maar wat stelt keuzevrijheid voor als je niet al je geld aan luxe artikelen mag besteden? En waarom keert juist GroenLinks zich tegen SUV’s, de grote terreinwagens? Is dat nu weer niet het ouderwetse opgeheven vingertje?
Halsema beseft dat een beschaafde partij altijd moet moraliseren en worstelt met de vraag in hoeverre ze fatsoensnormen mag voorschrijven. Zij is niet de enige. Christelijke partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP laten zich vanzelf inspireren door bijbelse geboden en ontlenen hier morele richtlijnen aan. Maar voor partijen zonder religieus kader is het veel minder duidelijk in hoeverre ze een bepaalde moraal moeten overdragen.
Kijk naar de PvdA. De sociaal-democratische fractie in de Tweede Kamer publiceerde onlangs een cultuurnota die zich kenmerkt door een modieus relativisme. Shakespeare en hiphop, het is allemaal even mooi. De overheid heeft niet het recht een culturele hiërarchie aan te brengen, dat zou veel te elitair zijn, vinden de auteurs die niets moeten hebben van het aloude socialistische ideaal van de verheffing van het volk.
Tegelijkertijd kapittelde het PvdA-kamerlid Jeroen Dijsselbloem de muziekzenders TMF en MTV voor een overdaad aan erotiek en grofheid die er mede toe zou leiden dat pubers zich bezondigen aan seksueel geweld. En zijn fractiegenoot Marjo van Dijken stelde voor dat ouders die hun kinderen verwaarlozen of mishandelen, door de overheid gedwongen worden anticonceptiemiddelen te gebruiken. Hier is dus juist een terugkeer waarneembaar van de vroegere sociaal-democratische voorliefde voor krachtig optreden van een overheid die meent te weten wat goed is voor de bevolking.
De VVD worstelt ook. Door de invloed van de generatie van Nijpels was moraliseren geruime tijd taboe in de partij. Maar Frits Bolkestein ontdekte een morele leegte in het liberalisme en zocht middelen om dat vacuüm op te vullen. In de oratie die professor Bolkestein afgelopen november in Den Haag hield, wees hij op het belang van patriottisme, waarover de huidige VVD-leider Jozias van Aartsen al eerder de loftrompet had gestoken. De VVD-fractie heeft geprobeerd haar vaderlandsliefde concreet vorm te geven door een pleidooi voor een uitgebreide viering van de vierhonderdste geboortedag van zeeheld admiraal Michiel de Ruyter teneinde de Nederlandse identiteit te versterken.
Deze zwakte van de nationale identiteit valt buitenstaanders al snel op. Zij heeft ook steeds een probleem gevormd bij de immigratie, omdat nieuwkomers niet snel doorhadden met wat voor volk ze te maken kregen. Meer aandacht voor de vaderlandse geschiedenis zou kunnen bijdragen aan de integratie, maar andere dingen lijken toch een stuk belangrijker.
Schadebeginsel
Het is zo’n onderwerp waarop jolige columnisten zich met overgave storten. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat meende dit jaar het rijgedrag te kunnen verbeteren door borden met teksten als 'I love rechts rijden’ boven de snelwegen aan te brengen. Luid hoongelach van columnisten was de reactie, hoewel uit onderzoek bleek dat automobilisten zich niet ergerden aan deze teksten.
Zulke campagnes kunnen geen kwaad, hoewel ze vermoedelijk weinig effect sorteren. Veel belangrijker, en eigenlijk het allerbelangrijkst, is het streng handhaven van de normen door krachtig op te treden tegen overtreders. Niets werkt zo demoraliserend als het gevoel dat misdaad loont, dat wangedrag onbestraft blijft. Daarom heeft het typisch Nederlandse gedoogbeleid desastreus uitgepakt. De overheid vaardigde allerlei regels uit, maar zag overtredingen door de vingers, zodat het vertrouwen in de rechtsstaat begrijpelijkerwijs afnam.
De overheid mag en moet verder gaan dan het strikt handhaven van de wet. Betutteling kan nodig en zinvol zijn. Maar de autoriteiten dienen wel te beseffen dat normatieve overtuigingen in Nederland uiteenlopen en moeten in hun moralisme zoveel mogelijk zoeken naar een gemeenschappelijke noemer. Handig is hierbij het harm principle dat John Stuart Mill in de negentiende eeuw formuleerde. Je moet pas dingen veroordelen, zei de Britse filosoof, als je aannemelijk kunt maken dat ze schadelijk zijn. Bevoogdend overheidsoptreden zou zich zoveel mogelijk moeten richten op activiteiten die schadelijk zijn en overlast berokkenen. Het succes van de paternalistische maatregelen tegen het roken – het aantal rokers is aanzienlijk gedaald – heeft te maken met de aantoonbaarheid van de negatieve effecten van deze gewoonte en van de hinder die anderen ervan ondervinden.
Voor prostitutie geldt dit weer niet. Het gaat, zo lieten de reacties op de escapades van Rob Oudkerk zien, weliswaar om een bedrijfstak die in sommige ogen moreel verwerpelijk is, maar het valt moeilijk aannemelijk te maken dat geslachtsgemeenschap tegen betaling slecht is voor de samenleving. Pas als er sprake is van overlast, zoals op tippelzones, of misstanden, zoals vrouwenhandel, bestaat er reden voor ingrijpen.
Het beginsel van Mill vormt geen feilloos criterium, ook omdat discussie mogelijk is over de vraag wanneer zich precies schade voordoet. Maar het kan wel helpen om keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Softdrugs zijn bijvoorbeeld zonder meer gevaarlijk en verdienen bestrijding, porno (al dan niet in de bajes) is veel onschuldiger. Het aanzetten tot haat tegen joden en homoseksuelen op basis van een heilig boek kan kwaad, het dragen van hoofddoekjes niet.
Het schadebeginsel verplicht politici na te denken over de gronden van hun morele verontwaardiging en argumenten te leveren. Daardoor wordt de kans kleiner dat een al te benauwende moraal gaat domineren en onschuldig genot wordt getaboeïseerd. Het moderne moralisme mag er niet toe leiden dat je niet meer in een terreinwagen naar een bordeel kan rijden zonder de toorn van de overheid over je af te roepen.
Verantwoordelijkheden
Jan Peter Balkenende is een echte idealist, maar zijn ideaal wordt vaak niet begrepen. De CDA-premier streeft naar een verantwoordelijke samenleving, waarin burgers niet voortdurend een beroep doen op de overheid. Ten onrechte wordt dit streven gezien als een slap excuus voor bezuinigingen. Een gemeenschap van burgers die in eerste instantie hun eigen zaken regelen en zorgen voor hun naasten, is een stuk aantrekkelijker dan een verzorgingsstaat die het particuliere initiatief ontmoedigt en een 'ieder voor zich en de overheid voor ons allen’-mentaliteit in de hand werkt.
Niet iedereen kan of wil de vereiste verantwoordelijkheid dragen. Van niet kunnen is bijvoorbeeld sprake bij verstandelijk gehandicapten. Daarom valt het toe te juichen dat de politiek zich wil bemoeien met hun voortplanting. Als je niet voor kinderen kunt zorgen, is het beter dat je ze niet op de wereld zet.
Verantwoordelijkheid niet willen dragen komt vaker voor. Een voorbeeld vormt de taximarkt. De overheid heeft gekozen voor liberalisering in de hoop de concurrentie te bevorderen en aldus de service te verbeteren. Dat heeft niet steeds even goed uitgepakt. Bekend zijn de gruwelverhalen over de taxistandplaats bij het Centraal Station in Amsterdam waar botte, doorgaans slecht Nederlands sprekende chauffeurs weigeren om een korte, en dus relatief, goedkope rit te maken. Zelfregulering werkt hier blijkbaar niet. De (lokale) overheid zal dus moeten ingrijpen om fatsoen af te dwingen. Dat kan door pas een vergunning te verstrekken als een examen is afgelegd waarin kennis van de etiquette, de stad en de Nederlandse taal wordt getoetst. En door een acceptatieplicht op te leggen, zodat klanten niet geweigerd kunnen worden omdat hun reisdoel te dichtbij zou zijn.
Maatschappelijke organisaties hebben eveneens een eigen verantwoordelijkheid in morele kwesties. De staat kan een stok achter de deur hebben, maar eigen maatregelen verdienen de voorkeur. Soms werken die, zoals bij televisiezenders die de Kijkwijzer gebruiken. Het aanbod op televisie laat overigens zien dat goede smaak niet per se het onderspit delft. Een paar jaar geleden was er bezorgdheid over de grote hoeveelheid pornografische en ranzige programma’s. Maar tegenwoordig is er haast geen blote borst meer te vinden op de buis. Zowel de kijker als de adverteerder prefereerde uiteindelijk het beschaafde genre van Boer zoekt vrouw en Dancing with the Stars, de kijkcijferhits van het afgelopen jaar. Als de consument fatsoen wil, volgt de producent vanzelf.
Als de beschaving terrein wil terugwinnen, is een helder, krachtig en voorspelbaar overheidsoptreden van groot belang. De overheid kan ook omstandigheden creëren waarin mensen eerder geneigd zijn het juiste pad te kiezen. Maar de strijd tegen de verlammende houding van vrijblijvendheid en relativisme moet op elk niveau worden gevoerd.
Net als Thomas Rosenboom worden veel Nederlanders geregeld bevangen door een gevoel van machteloosheid en moedeloosheid als zij met hufterig gedrag en korte lontjes worden geconfronteerd. De verleiding is groot je te verschansen in een eigen bolwerk en de boel de boel te laten. Maar het gaat niet aan om het beschavingsoffensief uit te besteden aan de overheid en zelf lijdzaam toe te zien. 'De maatschappij, dat ben jij,’ hield de Stichting Ideële Reclame de Nederlandse burger terecht voor.
De organisatie van professionele betuttelaars had ook de wijze Ierse filosoof Edmund Burke kunnen citeren: het enige dat noodzakelijk is voor de overwinning van het kwaad, is dat goede mensen niets doen.
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement