woensdag 28 februari 2007 15:53
Rampen, oorlogen en gewelddadigheden zijn van alle tijden. Net zoals de geestelijke schade die ze aanrichten. Vroeger werd daar weinig over gesproken. Tegenwoordig hebben we er een benaming voor: posttraumatische stress-stoornis (PTSS). De diagnostische criteria worden keurig opgesomd in het psychiatrisch handboek DSM.
In het kort komt het erop neer dat een patiënt aan PTSS lijdt als hij een afschuwelijke ervaring heeft gehad waarbij zijn eigen of andermans leven gevaar liep. Die ervaring riep bij de patiënt een reactie op van angst, hulpeloosheid of afschuw. De patiënt zal die vreselijke ervaring voortdurend in zijn hoofd herbeleven en daarom allerlei zaken gaan vermijden die zo'n onaangename herbeleving kunnen oproepen. De patiënt is bovendien al langer dan een maand voortdurend zonder directe aanleiding gestresst en prikkelbaar en lijdt zodanig onder al deze symptomen dat normaal functioneren niet meer mogelijk is.
Deze criteria zijn tot stand gekomen na duizenden onderzoeken in de afgelopen decennia onder slachtoffers van vreselijke gebeurtenissen. Ze worden overal ter wereld door psychologen en psychiaters gebruikt om vast te stellen wat een patiënt mankeert en wat er eventueel aan kan worden gedaan. Toch is de diagnose PTSS niet onomstreden. Er zijn geleerden die beweren dat het een constructie van psychiaters is om normale stressverschijnselen na een afschuwelijke gebeurtenis te 'abnormaliseren', om het zo maar even te zeggen. Natuurlijk lijden mensen een tijd lang onder de afschuwelijke dingen die ze hebben meegemaakt, maar dat wil nog niet zeggen dat ze een stoornis hebben, zo stellen de critici.
Rolf Kleber, onlangs geïnstalleerd als bijzonder hoogleraar psychotraumatologie aan de Universiteit Utrecht, deelt deze cynische kijk niet. Hij heeft immers zijn leven gewijd aan het onderzoeken en helpen van mensen met PTSS, waaronder de slachtoffers van de vuurwerkramp in Enschede. Toch wees hij in zijn boeiende oratie op een aantal paradoxen als het om PTSS gaat. De meest opvallende is dat uit alle onderzoeken blijkt dat ongeveer negen van de tien mensen die een afschuwelijke gebeurtenis meemaken, géén posttraumatische stress-stoornis krijgen. Er zijn mensen die er op eigen kracht overheen komen, maar ook mensen die andere problemen krijgen, zoals een depressie. Het verband tussen een schokkende ervaring en PTSS is dus lang niet zo vanzelfsprekend en vaststaand als in kringen van hulpverleners en in de media wordt voorgesteld.
Sterker nog: onaangename en vreselijke gebeurtenissen kunnen zelfs positieve gevolgen hebben. Van de getroffenen van de Katrinaramp, de orkaan die in 2005 de Amerikaanse stad New Orleans trof, zegt vijf tot zeven maanden later maar liefst 84 procent sterker te zijn dan ze dachten. Voor 89 procent van de slachtoffers blijkt het leven na de ramp grotere waarde te hebben gekregen dan het daarvoor had. Een ramp kan dus leiden tot persoonlijke groei en meer tevredenheid.
Volgens Rolf Kleber is het nog steeds een raadsel wie er uiteindelijk PTSS krijgen en waarom precies. Er wordt veel onderzoek gedaan naar de mogelijke risicofactoren, maar de uitkomsten zijn talrijk en spreken elkaar soms tegen. Ze zijn ook niet altijd goed te verklaren. Zo ontdekten Kleber en zijn medeonderzoekers onlangs dat er van de slachtoffers in Enschede meer rokers posttraumatische problemen kregen dan niet-rokers.
De kans om PTSS te krijgen is afhankelijk van de aard en bijzonderheden van de vreselijke gebeurtenis en de persoonlijkheid van het slachtoffer, zou je denken. Maar beide zaken zijn cultuurgebonden. Wat in de ene cultuur als traumatiserend wordt beschouwd, is dat in een andere cultuur niet of minder sterk. Onderzoekers en hulpverleners kunnen dus niet alles en iedereen over één kam scheren, maar moeten rekening houden met deze culturele verschillen.
Kleber waarschuwt verder dat te veel de nadruk ligt op de heftige emoties van de slachtoffers en te weinig op het instorten van hun zekerheden. Het gevolg is dat hulpverleners eerder geneigd zijn met getroffenen te praten over hun gevoelens, dan praktische informatie te geven, concrete steun te verlenen en in het algemeen op een meer rationele manier over de gebeurtenis te praten. Kleber: 'Veel vroege interventies lijken in de praktijk te draaien om de vraag die Mart Smeets zo vaak stelde aan een volstrekt uitgeputte wielrenner die zojuist de finishlijn was gepasseerd: “Wat ging er door je heen?” Het antwoord was meestal teleurstellend.'
En tot slot is er dan ook nog de kwestie van de genezing. Wanneer is een patiënt die in behandeling is voor PTSS hersteld? Is volledig herstel wel mogelijk? De meeste traumatherapeuten werken aan een vermindering van de symptomen. Maar ook zonder therapie blijken veel slachtoffers uiteindelijk weer redelijk door te kunnen leven en goed om te kunnen gaan met spanningsvolle gebeurtenissen in hun leven. Het nut van traumatherapie is dus moeilijk objectief vast te stellen. Dat maakt het lastig om te bepalen welke hulp wel werkt en welke niet.
Kaders bij artikel:
TRAUMA EN GENEZING
Vragen over posttraumatische stress-stoornis (PTSS)
STRESS-STOORNIS
Criteria PTSS
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement