zaterdag 26 mei 2012

Tags

Artikel Dossiers

Pim Fortuyn - Oprecht en onmogelijk 1

dinsdag 24 oktober 2006 16:52

Kleinburgerlijke relnicht, erudiete wetenschapper, man vol aandacht en attenties, slimme populist, mentale stoomwals, begenadigd verteller en: redder van Nederland. Vlak voor zijn herbegrafenis op 20 juli in het Italiaanse Provesano nog één keer Pim Fortuyn, exclusief geschetst door zijn vrienden en tijdgenoten.

Lees hier het vervolg

Lekkere hapjes
Pim Fortuyn, lijsttrekker van Leefbaar Nederland, ging in een beige leren stoel zitten, het partijbestuur in de blauwe banken. Voorzitter Jan Nagel schuin tegenover Fortuyn, Kay van de Linde op de grond naast Fortuyn. Ze hadden lekkere hapjes gekocht bij Albert Heijn en een fles Ballantine's, voor Fortuyn. Whisky van een merk dat hij in zijn autobiografie Babyboomers honend beschrijft als de goedkope, slechte soort die koningin Beatrix graag schenkt. Hij zou er maar één glas van drinken.

Eerder verschenen in de Elsevier van 13 juli 2002.

Liesbeth Wytzes
 
Het was de avond van zaterdag 9 februari 2002, zo rond zeven uur. De top van Leefbaar Nederland was haastig opgetrommeld in het huis van campagneleider Kay van de Linde, die bescheiden woont boven een reisbureau in een Hilversumse winkelstraat.

Die ochtend had in de Volkskrant een interview gestaan met Fortuyn, gemaakt door Hans Wansink en Frank Poorthuis. De journalisten hadden van tevoren gezegd waar het gesprek over zou gaan: de islam, Paars en de modernisering van Nederland. Fortuyn was akkoord. Ze hadden hem een beetje opgejut en ja hoor, de ene krasse uitspraak na de andere was gevolgd. Zo kras dat het bestuur vond dat er meteen, die avond nog, gepraat moest worden.

Waarover waren ze kwaad? Niet over de uitspraak dat de islam eenachterlijke cultuur is. Dat had Fortuyn al vaker gezegd. Niet over die opmerking over het regenteske gedrag van de PvdA. Ook geen nieuws. Maar toen de interviewers stelden 'dat mag u niet zeggen van uw partij', had Fortuyn geantwoord: 'Daar moest ik me maar eens niet zoveel meer van aantrekken.'

Dat ene zinnetje had ze gestoken. Er was precies afgesproken wat wel en niet mocht worden gezegd en steeds weer fietste Fortuyn daar vrolijkdoorheen. Kay van de Linde had er tijdens dat interview hulpeloos bijgezeten. Hij greep niet in.

Fortuyn volgde zijn eigen koers. Kritiek wimpelde hij af met de woorden: 'Ach, maak je niet druk. Het komt wel goed. Deze keer niet. Meteen bij binnenkomst had hij al gezegd: 'Ik neem geen woord terug van wat ik heb gezegd.' O shit, dacht Van de Linde. Dat gaat fout. Er werd urenlang gepraat die avond.

Biertje
Buiten stond de pers. De luxaflex hoefde maar even te bewegen of de flitslichten barstten los. Op een gegeven moment hield Van de Linde een bordje met het woord 'biertje?' erop bij het raam. Even later zette hij een krat buiten. Alleen politiek verslaggever Ferry Mingelen begon serieuze vragen te stellen, die wilde geen biertje.
 
Van de Linde trok alle registers open. Hij nam Fortuyn mee naar zijn kantoor naast de zitkamer, ging op zijn knieën naast hem zitten en vroeg hem, bijna smekend: 'Wat wil je nou?' Het bestuur zat in de zitkamer. Dat dacht: doen we nog mee? Ze hadden Fortuyn, de kip met de gouden eieren, in de watten gelegd. Alles draaide om hem. Deed de auto het goed? Kwam die afspraak wel uit? Hij was het kunstje, zij het circus. Maar ze voelden zich aan alle kanten voorbijgespeeld. Ze vonden dat Fortuyn Leefbaar Nederland gebruikte voor zijn eigen ambities.

Confronteren
'Misschien,' zegt Van de Linde nu, 'hadden we hem niet met dat hele bestuur moeten confronteren. Daar werd hij alleen maar dwarser van.' Het was een patstelling. Het bestuur vond dat hij te ver was gegaan, afspraken had geschonden. Fortuyn vond van niet. Ze namen afscheid van elkaar met tranen in de ogen.

Fortuyn was niet langer lijsttrekker van Leefbaar Nederland, een uitkomst die hij helemaal niet had verwacht. Een pittig gesprek, dat wel. Pogingen om de breuk tussen de partij en Fortuyn te lijmen waren tevergeefs, Jan Nagel wilde niet meer.

Mislukking
Het was de zoveelste mislukking in een leven dat, hoe komisch, onbezonnen en avontuurlijk ook, uiteindelijk vooral een tragedie was vol nietvervulde dromen. Fortuyn werd geen hoogleraar sociologie in Groningen, geen staatssecretaris in het tweede kabinet-Van Agt, geen burgemeester van Haarlem. Hij mocht niet aanblijven als buitengewoon hoogleraar aan de Albeda-leerstoel, werd geen voorzitter van MKB-Nederland, mocht niet doorgaan met de OV-jaarkaart en werd ten slotte geen minister-president. Zelfs zijn grote liefde bleek onmogelijk.
 
Zijn afscheidsrede als docent sociologie in Groningen heette, met een verwijzing naar het boek van W.F. Hermans, De zestiger jaren: een wonderkind of een total loss? Datzelfde gold voor hem. Hij vond zichzelf zeker een wonderkind, maar gek genoeg waren er altijd weer anderen die hem beschouwden als een total loss. Elke keer begon hij ergens aan, deed zijn best, gaf zich helemaal – en elke keer mislukte het.

Fortuyns leven kende grote hoogten en diepe dalen, en niets ertussenin. Zo was hij zelf ook: hij ging van het ene uiterste naar het andere. Naïef en avontuurlijk, maar nooit gelijkmatig.

Drijfveren
Wat dreef Fortuyn? Wat waren de belangrijke momenten in zijn leven? Zijn persoonlijkheid was een wonderlijke mengeling van extremen en tegenstellingen. Hij was onbevangen en eerlijk, op het schaamteloze af, verbloemde zelfs zijn enthousiasme voor de homoseksuele darkrooms niet.

Hij had een enorm talent voor het theatrale en was intelligent en welbespraakt. Hij had een uitermate levendig karakter. Maar Fortuyn was ook een kleinburgerlijke relnicht met een goedkope voorkeur voor smartlappen, een erudiete wetenschapper, een lieve zachte man vol aandacht en attenties, een dwingeland die de controle over zichzelf kon verliezen, een slimme populist, een mentale stoomwals, een begenadigd verteller en gedreven leraar, een egoïst, de Messias uit Driehuis, de redder van Nederland, een op aandacht beluste dandy. 'In diepste wezen,' schreef Fortuyn aan zijn Groningse vriend Hans Broekhuis (54), 'ben ik een spreker.'

Dwarsliggen
Hij wilde dwarsliggen, dissident zijn en tegelijk geliefd. Dat gaat niet samen. Fortuyn geloofde heilig, op het naïeve af, in de maakbaarheid van het leven, of het nu om de samenleving ging of om de liefde. Hij wilde oprecht een beter land maken van Nederland, met een helder bestuur, met politici die duidelijke taal spreken en hun beloftes nakomen. Er moest worden gemoderniseerd, dat was duidelijk, en er was natuurlijk maar één man die dat kon: Pim Fortuyn. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat hij de redder van Nederland was, dat hij minister-president moest worden. 'MP,' zei hij zelf.

Die overtuiging nam in de loop der tijd Messiaanse trekken aan. Hij was ambitieus, rancuneus, moedig en had ongelooflijk veel doorzettingsvermogen. Als water zocht hij steeds weer een nieuwe weg. Hij wilde heel veel heel graag en liet dat onbekommerd merken.

Dat is not done. In Nederland is het theater klein: je kunt je maar beperkt manifesteren. De wetten van de welvoeglijkheid heersen – en Fortuyn was onwelvoeglijk. Je laat niet zien wat je wilt en je laat niet merken hoe goed je jezelf vindt. Zo zijn de mores van Ons Soort Mensen, van de elite. Maar playing hard to get was niet iets waarin Fortuyn uitblonk.

Hij wist wel hoe het hoorde, maar regels lapte hij aan zijn laars. Hij wilde niet als grijze muis door het leven gaan. Zo was er die ene keer dat hij was uitgenodigd mee te gaan naar de deftige uitvoering van Bachs Matthäus-Passion in Naarden. Nadat hij zich ervan had overtuigd dat applaudisseren niet hoorde, barstte hij als enige na het wegsterven van de laatste klanken van het slotkoraal Wir setzen uns in luid applaus uit.

Of 30 april 2000, toen hij aanwezig was bij het Koninginnegala in Den Haag. De gouverneur van de marechaussee riep gewoontegetrouw: 'Hoezee! Hoezee!' En in de daarop volgende stilte riep Fortuyn keihard: 'Leve Juliana!'

Pesterij en aandachttrekkerij
Hij vond dat Ons Soort Mensen zich maar aan hem moest aanpassen. En dat was hem bijna gelukt. De verklaring voor Fortuyns ongelooflijke succes in de laatste maanden van zijn leven – de periode van 10 februari tot 6 mei  en voor de weerzin die hij bij sommigen opwekte, is ingewikkeld.

'In Nederland,' zegt Hendrik Jan Schoo, voormalig hoofdredacteur van Elsevier, het weekblad waarin Fortuyn acht jaar een wekelijkse column had, 'bestaat geen rechts meer sinds de ARP, CDU en KVP samengingen in het CDA. Daar was dus een enorm gat. Zodra iemand ook maar iets zei dat naar rechts zweemde, werd dat extreem-rechts genoemd en kwam de knuppel van de Tweede Wereldoorlog te voorschijn.'

Links heeft zich afgekeerd van het volk. En dat volk vond in Fortuyn een zeldzaam aantrekkelijke combinatie van een dwarsligger, een rebel die hun problemen zag en verwoordde. Bovendien had je bij Fortuyn het idee dat je in goede handen was. Hij was van het volk, maar stond er tegelijk een beetje boven. Hij woonde dan wel in een volksbuurt, in het contact met de man in de straat kon hij vreemd stijf en geremd zijn.

Als kind al werd Fortuyn niet geaccepteerd door de moeders van zijn vriendjes. Dat gaf hem vanaf zijn jeugd in Driehuis een gevoel van uitzondering. Dat had hij ook als homo, het idee dat hij in het verkeerde wiegje was gelegd. Daarbij hoort het gevoel uitverkoren te zijn. Voeg daarbij zijn katholieke achtergrond en Fortuyns Messianisme is al begrijpelijker.

Vanaf zijn lagere-schooltijd hunkerde Fortuyn ernaar om erbij te horen, bij degenen die de dienst uitmaken, het establishment. Dat had hem jarenlang welwillend aangehoord, zijn ideeën graag gebruikt en hem vervolgens weer terzijde geschoven.

Talloze politici heeft hij van advies gediend, maar alleen als souffleur. Lange tijd was er voor Fortuyn alleen maar een schimmige rol in de coulissen weggelegd. Hij gaf adviezen, en vaak hele goede, en daar moest hij wel een zekere nederigheid voor bezitten. Iemand anders gaat er tenslotte met jouw ideeën vandoor.

Uitkotsmoment
Een echte machtspositie in welke partij dan ook kreeg hij niet. Af en toe had hij wat hij 'een uitkotsmoment' noemde. Dan zei hij: 'De Moor heeft zijn werk gedaan, hij kan gaan.'

Maar juist in die talloze afwijzingen, de deuren die steeds weer in zijn gezicht werden dichtgeslagen, moet de kern van Fortuyns vasthoudendheid worden gezocht. Hoe meer hij naar zijn idee werd veracht en door mensen verlaten, hoe vaster zijn voornemen werd om het vaderland te redden.

Pim Fortuyn moest dood om te bereiken wat hij wilde: liefde en aanvaarding van iedereen. Pas na zijn dood werd hij acceptabel. Zijn dood gaf hem de totale omarming waar hij tijdens zijn leven naar verlangde.

Fortuyn had een diepe hang naar een huiselijk leven. Zijn ideaal was een leefgemeenschap die hij 'De Fabriek' noemde, door sommigen van zijn vrienden wel verbasterd tot 'De Seksfabriek'. Een soort commune, een groot huis met allemaal mooie, slimme, interessante mannen, een zwembad, en een grote industriële keuken als centrale ruimte.

Gezin
De speurtocht naar een substituut-gezin loopt als een rode draad door zijn leven. Vandaar ook zijn huis in Italië. Provesano was voor Fortuyn een familie-substituut. In het dorp werd hij op handen gedragen door de half-Nederlandse familie Ambrosio.

De zuster van Ferry van den Berg, een Gronings vriendje van Fortuyn, was getrouwd met een man uit Provesano, Bruno Ambrosio, die later het marmer in Fortuyns Rotterdamse huis zou leggen en werkt aan diens graf in Italië.

En vandaar dat Fortuyn de Shaft wilde kopen, de nachtclub in Rotterdam waar hij vijf keer per week kwam en die voor hem een tweede huiskamer was, en vandaar dat hij plannen had om na zijn tweede ambtstermijn als premier, een hotel in Italië te gaan beheren.

In zijn autobiografie Babyboomers schetst Fortuyn het beeld van een doorsnee katholieke jeugd, met een vaak afwezige vader, een sterke moeder en vijf broers en zussen: Tineke (63), Marten (59), dan Pim (54), Eefke (53), Simon (47), en de overleden broer Joos. Om aandacht moest worden geknokt, er werd thuis fel gepraat over allerlei onderwerpen. Fortuyns broers zijn macho jongens met harde koppen: het moet een stevige leerschool zijn geweest.

'Pim zocht meer dan de rest van ons naar liefde en bescherming,' zegt broer Marten. Bovendien was Fortuyn in die tijd links, en zijn broers, mannen met ondernemingszin, rechts. 'Dat leverde hevige discussies op,' zegt Simon, directeur van een enveloppenfabriek.

Marten, die jaren bij Johnson & Johnson heeft gewerkt en nu Oost-Europese bedrijven adviseert bij hun privatisering, kan zich herinneren hoe zijn broer na schooltijd thuiskwam, thee dronk met hun moeder en daarna meteen aan het huiswerk begon. 'Hij moest er hard voor werken,' zegt Marten. 'En dat heeft hij heel godvruchtig gedaan. Hij moest het van zijn ijver hebben.'

Heel hecht was de familieband niet. Na de begrafenis van hun vader op 24 maart 2002 was er amper contact meer tussen de broers en zussen en Fortuyn zelf. 'Pim kon echt een kwal zijn, een etterbuil,' zegt zijn schoonzuster Jet, de vrouw van Marten.

Moederskindje
Dol was Fortuyn op zijn moeder: hij vond haar een echte dame. Fortuyn was een moederskindje: zij is misschien wel de enige vrouw in zijn leven van wie hij heeft gehouden. Zijn huis in Italië is naar haar vernoemd: Rocca Jacoba.

Toen hij in Groningen woonde, kwam zijn moeder met zijn tante Rie elke maand logeren. Ze maakten zijn huis schoon en streken alle veertig overhemden. Daarna gingen ze de stad in, naar kroegen waar homo’s kwamen. 'Zulke aardige jongens,' vond zijn moeder. Na haar dood zou er een flinke ruzie ontstaan tussen de erven, die verschillende opvattingen zouden hebben over de verdeling van de erfenis.

Velsen-Driehuis wordt in Babyboomers omschreven als een braaf dorp van ambtenaren; chic was het er niet. Ook zijn familie was doorsnee middenstand, met een vader die handelsreiziger in enveloppen was. Niets mis mee, maar zeker geen oude adel. Hij liet zich later weleens geringschattend uit over zijn afkomst.

Hbs
Fortuyn en zijn vijf jaar oudere broer Marten gingen als enige jongens uit het gezin naar de hbs, het Mendelcollege in Haarlem-Noord. Met zijn jongere broer Simon, liefkozend Simmetje genoemd, kon hij het beste opschieten.

Het Mendelcollege, toen een jongensschool, was een katholieke opleiding voor gewone kinderen. Nette kinderen gingen naar het dichter bij Haarlem gelegen Triniteitscollege. Volgens schoolgenoot Paul Witteman (55), tv-journalist, was het Triniteits deftig en het Mendel modern. Op beide scholen werd onderwezen door paters augustijnen. 'Wij hadden de leuke,' zegt Witteman.

Pim Fortuyn
Debateertalent Pim Fortuyn

Debattechniek
Op het Mendel heerste een sfeer van verlichte intellectuelen, er werd flink gedebatteerd in de debatingclub waarvan ook Fortuyn lid was, leraren werden vooruitstrevend met 'je' en 'jij' aangesproken. Hier moet Fortuyn de basis hebben gelegd voor zijn fabelachtige debattechniek. Hij was een protégé van de rector, pater Hutjens, die een zwak had voor bijzondere jongens.

'Als je buiten de boot dreigde te vallen,' zegt Witteman, die twee keer bleef zitten, 'werd er mild opgetreden.' Benauwd katholiek was het er zeker niet. De school werd bevolkt door de arbeiderskinderen die in Haarlem-Noord woonden en dat gaf een ongedwongen sfeer. Niet deftig.

Studie
Na zijn schooltijd ging Fortuyn sociologie studeren aan de gereformeerde Vrije Universiteit in Amsterdam. Eerst schreef hij zich in aan de UvA, die toen nog Gemeentelijke Universiteit heette, maar hij vond het er te massaal. Op de VU was het kleiner en veiliger.

Hij werd lid van studentenvereniging Thomas van Aquino, het katholieke corps van die tijd. De VU was toen niet de 'goede' universiteit: aan de Universiteit van Amsterdam was het studentenleven veel spannender. De latere cabaretier Ivo de Wijs (56) zat in de introductiecommissie die nieuwe studenten ontving. 'Fortuyn was toen al aan de formele, licht kwasterige kant.'

Een medestudent, Arnold Walravens (62), docent aan IECD, de business school van Bled, Slovenië, herinnert zich de ouderwetse knickerbocker waarin Fortuyn nog steeds liep terwijl zijn studiegenoten spijkerbroeken prefereerden. 'Hij liep rond als een beetje een aparte figuur.' Opvallen, dat was van belang. Zo weigerde Fortuyn later een smoking te dragen: hij ging dan meteen in rok.

Fortuyn, vrolijk en goedlachs, was volgens De Wijs van nette komaf. Hij werd lid van het dispuut Volor, maar kwam terecht in het Marshuis, het dispuutshuis van De Wijs aan de J.W. Brouwerstraat. Volor had geen eigen onderkomen en in het Marshuis stond een kamer leeg.

De Wijs en Fortuyn moesten net als de andere studenten bij toerbeurt het huis schoonmaken, maar huurden daarvoor een studente in omdat ze er zelf geen zin in hadden. Dit tot ongenoegen van de andere bewoners, die daarvoor niet de middelen hadden.

Jonkheer
Geld had Fortuyn op de een of andere manier altijd. Een bevestiging van het idee dat hij van gegoede afkomst was. Zelf vertelde hij dat hij van adel was, maar het onzin vond de titel te voeren. Daarvoor was hij te bescheiden. Zijn oudere broer, zei hij, deed dat wel.

De Wijs bleef er tot Fortuyns dood van overtuigd dat hij met een jonkheer te maken had gehad. Het verbaasde hem dat er in de rouwadvertenties niet werd gerept van een titel.

Toen de 20-jarige Fortuyn in september 1968 zijn lidmaatschap van Thomas van Aquino opzegde na een zijns inziens misplaatste schorsing, ondertekende hij die brief met Jhr. W.S.P.E.R.A. Fortuyn. Hij deed de zaken graag groter voor dan ze waren.

Bij de studentenvereniging lag hij niet goed. Hij was geen kroegtijger en zijn seksuele geaardheid was onduidelijk. Hij trok zich terug in zijn studie en kleedde zich mondain. Later, toen hij openlijk voor zijn geaardheid uitkwam, ging hij leer dragen. Daar werd natuurlijk ook een motor bij gekocht.

Fortuyn werd wel actief binnen de studentenbeweging. Jaargenoot Arnold Walravens ging op zijn 26ste sociologie studeren na een baan als verkoper. Hij reisde als redacteur van een studentenblad in mei 1968 naar Parijs, waar toen de revolutie tegen de heersende orde was uitgebroken, en nam wat ideeën mee terug naar Amsterdam.

'Ook onze universiteiten werden regentesk bestuurd,' zegt Walravens. Fortuyn was hem opgevallen. 'Door die knickerbocker, maar ook doordat we allebei katholiek waren. Op die gereformeerde universiteit gaf dat een band.

Ik zag dat hij mogelijkheden had en vroeg of hij niet eens wilde meepraten. We belegden toen avonden waar we het hadden over hervormingen aan de universiteit. Hij was een intelligente jongen, anders dan de rest. IJdel, ja, maar dat mag toch wel als je inhoud hebt? En die had hij. Ik voelde wel altijd iets van angst en onzekerheid in hem, daarom had hij ook zo’n grote bek.'

Actievoerder
Fortuyn was in die dagen al behoorlijk links. Hij werd actievoerder van de Studenten Vakbond (SVB) en leidde de bezetting van de VU in 1972, de zogenoemde honderd-urenbezetting. Aan de VU had de behoudende Gereformeerde Vereniging het voor het zeggen en die moest van inspraak – hét woord in die tijd – niets hebben. Niet alleen ontdekte Fortuyn zijn kwaliteiten als demagoog, hij leerde ook te onderhandelen met de machthebbers aan de Vrije Universiteit, zoals rector magnificus Willem de Gaay Fortman (ARP), en zelfs met de toenmalige minister van Onderwijs, Jhr. Maurits de Brauw (DS70).

In die tijd ontmoette Fortuyn leeftijdgenoot Hans Broekhuis, die hem in 1975 naar Groningen zou volgen. 'Als we een aksie-vergadering hadden en er was ook voetbal op televisie,' zegt Broekhuis, 'gingen we gewoon voetbal kijken.' Zo fanatiek waren ze nu ook weer niet.

Broekhuis, die goed bevriend bleef met Fortuyn tot hij naar Rotterdam verhuisde, bewonderde diens eerlijkheid. 'Moet je je voorstellen: hij had het aan het begin van de jaren zeventig op die gereformeerde universiteit openlijk over zijn homoseksualiteit en deed daar niet slachtofferig over. Dat bewonderde ik.'

De bezetting van de VU was een oefening die Fortuyn later goed van pas zou komen. Toen al ging hij uit van het principe dat hij later in de politiek zou hanteren: eerst polariseren, dan polderen. Maar over politiek werd toen nog niet zoveel gepraat. 'We hadden het over het leven en wat we daarmee zouden doen,' zegt Broekhuis.

'Fortuyn was in diepste wezen iemand die zich bezighield met emancipatieprocessen – of het nu om homoseksuelen ging of om ambtenaren.'

Leerschool
Walravens denkt dat die tijd een leerschool is geweest voor wat Fortuyn later in het groot, in de landelijke politiek, zou doen. Zijn opvattingen over de modernisering van het bestuur van de universiteit verschilden weinig van zijn latere bezwaren tegen het Nederlandse overheidssysteem.

Of er sprake is van een samenhangend gedachtegoed? Walravens vindt van niet. 'Filosofisch was hij niet sterk. Er zat geen structuur in zijn denken, al zag hij wel de cruciale thema's. Maar o, wat wist hij het goed te brengen!'

Docent
Fortuyn werd in 1972, 24 jaar oud, docent sociologie bij de vakgroep filosofie en maatschappijleer aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij was al snel een populair docent. Zijn colleges werden druk bezocht, hij had veel te vertellen en hij deed dat met verve.

John Wanders (42), chef economie bij de Geassocieerde Pers Diensten, studeerde in 1978 bij Fortuyn. 'Bij de introductiecursus sociologie voor eerstejaars kondigde hij meteen aan dat we onze boeken weer in de tas moesten doen. Hij behandelde de verplichte lesstof wel, Human Societies van Geoffrey Hurd, maar draaide vooral zijn eigen verhaal af. In mijn collegedictaat schreef ik: ''Pim Fortuyn – eigen weg''. Ik heb me later weleens afgevraagd of zijn slechte beheersing van het Engels een rol speelde in zijn geringe enthousiasme voor Hurd.'

Groningen was een bolwerk van links-radicalisme, verdeeld in diverse fracties die elkaar om ideologische redenen het licht in de ogen niet gunden. Er was veel ruzie en afgunst: het staat allemaal beschreven in W.F. Hermans' verbitterde sleutelroman uit 1975, Onder professoren.

In 1974 ontmoette Fortuyn Wilfried Uitterhoeve, die na een studie rechten en een korte periode als advocaat uitgever was geworden bij de Socialistiese Uitgeverij Nijmegen – SUN. Uitterhoeve werd zijn uitgever en een vriend.

Vreemde vogels
'Wij hebben onze coming-out samen beleefd,' zegt Uitterhoeve (58) met een lachje. 'Maar ik ben veel ingetogener dan hij was, op het schijterige af. Hij woonde en kleedde zich toen al prachtig. Met die pakken viel hij wel op, maar het zat in die alternatieve kringen vol met vreemde vogels.'

Fortuyn bewoog zich in een circuit van hard-linkse activisten. Zijn dissertatie, bij de destijds vermaarde, marxistische hoogleraar Ger Harmsen, werd jarenlang tegengehouden. Fortuyn had, vond hij zelf, zijn proefschrift al af toen hij naar Groningen ging. Maar het was volgens zijn promotor niet wetenschappelijk genoeg. 'Te links-radicalistisch,' zegt Harmsen (79). 'Dat moest eruit.'

Uiteindelijk promoveerde Fortuyn in 1980. Zijn proefschrift heette Sociaal-economische politiek in Nederland, 1945-1949. 'Een flinke prestatie van ons beiden,’ zegt promotor Ger Harmsen.

Fortuyn en zijn radicale vrienden wilden breken met de burgerlijke theorie en het gedachtegoed van Lenin en Marx zo wijd mogelijk verspreiden. 'Ach, dat linkse verleden,' zegt Broekhuis, inmiddels ondernemer en lector strategisch ondernemen aan de Groningse Hanzehogeschool. 'Iedereen was toen links. Fortuyn was echt niet zo extreem.'

'Dáár had het debat plaats,' zegt Uitterhoeve. 'In de linkse hoek. En Pim werd geboeid door heftige debatten. Daaraan wilde hij graag meedoen. Hij vond ook dat de debatcultuur in ons land op een laag peil stond. En er moest natuurlijk veel meer worden nagedacht.'

Fortuyn vond toenmalig minister-president Joop den Uyl een geschikte gesprekspartner, een betere dan later Wim Kok en Ad Melkert. Die achtte hij beneden zijn niveau.
 
Opportunist
Fortuyns toenmalige collega Ton Kee (53), nu directeur van de medische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen, is cynischer. Fortuyn was een opportunist, zegt hij, die haarscherp aanvoelde waar het gebeurde. Dat was zijn grootste talent.

'Na een start als redelijk brave rooms-katholieke student ging hij meedoen met de studentenbeweging, omdat hij merkte dat de wind naar links waaide en alleen die kant aandacht kreeg.'

Ook Kee ziet geen consistent gedachtegoed. 'Niet zijn denken, maar zijn gedrag was consistent. Hij zocht altijd naar thema's die aanspraken en schreef daar dan net iets anders over dan men gewend was. De continuïteit zat in het streven naar aandacht en macht, de inhoud was daaraan ondergeschikt.'

Kee wil geen zure indruk maken. 'Fortuyn kon buitengewoon veel. Maar hij was een onmogelijk mens met veel arrogantie. Hij heeft zijn Sternstunde niet gehad, het moment waarop hij kon laten zien wat hij waard was, en moest zich later tevreden stellen met een column in Elsevier en een huisprofessorschap bij Harry Mens.'

Politiek
Toen al probeerde Fortuyn toegang te krijgen tot de politiek. Hij dacht even over de CPN, maar daar voelde hij zich toch niet thuis. In 1973, het kabinet-Den Uyl was net aan de macht, werd hij lid van de Partij van de Arbeid. Binnen die partij schoof hij, samen met de tijdgeest, steeds meer op naar het midden.

In zijn Groningse jaren veranderde hij van dogmatisch marxist in criticus van de verzorgingsstaat. Een machtspositie in de partij kreeg hij niet. Hij had, zegt Kee, dolgraag staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid willen worden in het tweede kabinet-Van Agt, maar tot Fortuyns grote woede en frustratie koos de PvdA in 1981 voor Ien Dales, directeur van de Rotterdamse Sociale Dienst.

Die frustratie, de rancune over het feit dat hij niet enthousiast werd geaccepteerd door het establishment, was een andere drijfveer in zijn leven, en ligt eigenlijk in het verlengde van zijn behoefte aan huiselijkheid, aan ergens bij horen.

Fortuyns opvattingen werden niet gewaardeerd door de politieke partijen waar hij lid van was, tussen 1973 en 1989 de PvdA. Hij had altijd het gevoel dat hij er niet bij hoorde, en er ook niet bij mocht horen. Die karaktertrek wordt door alle vrienden en kennissen van Fortuyn genoemd.

Gekwetst
'Hij werd gekwetst door de elite die weigerde hem toe te laten,' zegt Wilfried Uitterhoeve. 'Hij ontwikkelde en koesterde een diepe haat jegens degenen die dat deden, een haat die niet overging.'

'Je moest hem niet in de weg zitten, want dan nam hij wraak als hij daartoe in staat was,' zegt Ton Kee. 'Hij ageerde altijd tegen de gevestigde orde, maar tegelijk wilde hij daar deel van zijn. Zijn hele leven was een smeekbede om erbij te mogen horen,' zegt Theo Dragt (55), verzelfstandigd topambtenaar in Den Haag en algemeen directeur van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheid (CAOP). 'Hij was zijn eigen grootste tegenstander. Zo rancuneus, en zo verbaasd als iemand hém eens schoffeerde.'

'Pim kwam helemaal nergens,' zegt Roel in ’t Veld (59), bijzonder hoogleraar aan de universiteiten van Utrecht en Amsterdam en rector van de Stichting Interacademiale Opleiding Organisatiekunde (SIOO). 'Behalve in de media en dat deed hij geweldig.'
 
Minderwaardig mens
De opmerking van Marcel van Dam dat Fortuyn een 'minderwaardig mens' was, trof Fortuyn niet zozeer om de inhoud als wel om wie het zei: een vertegenwoordiger van het establishment.

Fortuyns verlangen om erbij te horen was een idee-fixe. 'Allemaal aanstellerij,' zegt Evert Chevalier (56), vriend en eigenaar van een grote drukkerij in Rotterdam. 'Hij hoorde er toch bij?' Fortuyn heeft dat gevoel nooit gehad. Hij was in diepste wezen een loner en niet in staat zich blijvend aan iemand of aan een groep mensen te binden. Ton Kee zei al: 'Waar Pim komt, is ruzie', al zou broer Simon liever zeggen: 'Turbulentie.'

Hoe het ook zij, waar Pim kwam gebeurde iets. Hij kreeg uitnodigingen voor allerlei bijeenkomsten, zat aan bij deftige diners, had een imposant netwerk. Al in Groningen kwamen leden van de gevestigde orde, onder wie Herman Tjeenk Willink, nu vice-voorzitter van de Raad van State, en de latere minister van Sociale Zaken Wil Albeda, graag op zijn goed verzorgde feesten. Maar Fortuyn bleef dat kleine jongetje dat verlangend keek naar een wereld waar hij geen toegang toe had.

In zijn boek Aan het volk van Nederland (1992) staat: 'Peper (toen burgemeester van Rotterdam) gaf de term ''Ons Soort Mensen'' zijn precieze omschrijving door hem samen te vatten in een krachtig: mensen die er toe doen. U en ik behoren daar zeker niet toe.'

Establishment
Dat establishment maakte hij het ook bepaald niet makkelijk door zijn luidruchtigheid en onbekommerde uitspraken over homoseksualiteit. Zeker in de jaren zeventig en tachtig was zijn openheid hoogst ongebruikelijk en soms schokkend. Hij wilde er wel bij horen, maar ze moesten hem nemen zoals hij was. Het gevoel van buitengesloten zijn werd Fortuyns handelsmerk en een van de belangrijkste redenen waarom hij populair werd bij Jan met de pet. Ook die voelt zich altijd buitengesloten.

Zijn flamboyante homoseksuele levensstijl zal zeker niet in zijn voordeel hebben gewerkt. Populair onder studenten werd hij er wel mee. 'Wij studenten,' zegt oud-student John Wanders, 'waren hoogst geboeid door de colleges van deze wetenschappelijk medewerker die gehuld in zwarte leren broek en leren jack door Groningen schuimde.

Het was zonneklaar dat de verbale gaven van Fortuyn ver uitstaken boven het gemiddelde aan de universiteit. Zijn colleges waren buitengewoon inspirerend en zijn voordracht was altijd gedreven. Ik heb college gelopen bij Jan Pen en diens collega Jan Lokin, die konden er ook wat van, maar Fortuyn was echt een natuurtalent. Een geweldig verteller. Hij sprong er echt tussenuit.'

'Maar wel was hij een man zonder remmingen,' zegt Uitterhoeve. 'Hij praatte bijvoorbeeld moeiteloos over zijn psychoanalyse. Heel ongewoon in de jaren zeventig.' Last van zelfvergroting had hij ook. Was er een probleem, dan knapte Fortuyn het wel even op. 'De Socialistiese Uitgeverij Nijmegen kwam in de jaren zeventig in ernstige liquiditeitsproblemen door de te snelle groei,' zegt Uitterhoeve.

Grootspraak
'Fortuyn pochte dat hij binnen een maand aan een miljoen gulden kon komen door connecties in de wereld van de bollenhandel. Nou, dat lukte natuurlijk niet. Grootspraak.'

Toen hij halverwege de jaren negentig door KRO-journalist Rémi van der Elzen werd geïnterviewd voor de televisie, complimenteerde hij haar met haar pakje. Ze vertelde dat het geleend was en hij riep meteen dat hij het voor haar zou kopen. Ook dat kwam er natuurlijk nooit van.

In Groningen ontmoette hij halverwege de jaren tachtig Frans Hupperts, toen halverwege de twintig, die een tijdlang een goede vriend zou zijn. Hupperts (nu 41) studeerde rechten en kunstgeschiedenis. 'We zaten allebei achter dezelfde jongen aan, maar raakten met elkaar aan de praat. De volgende dag lag er al een briefje, om iets af te spreken.'

Een liefdesverhouding werd het niet, maar wel meer dan een gewone vriendschap. Hupperts kreeg meters faxen van Fortuyn, die soms niet veel te doen had en zo met zijn vrienden communiceerde. De stapel bij Hupperts thuis is een halve meter hoog.

Gevoelig
'Ik ben wel heel ver gegaan met hem, want ik was dol op hem. Maar soms werd je gek van Pim. Dan dacht je: vent, hou nou even op. Hij benijdde mijn makkelijke manier van in het leven staan. Dat had hij niet, hij kon sociaal ongemakkelijk zijn, bot. Hij kon bijvoorbeeld ook helemaal niet dansen, daar was hij te stijf voor. En hij had last van zijn rug. Als de dingen tegenzaten, reageerde hij daar heel lichamelijk op. Heel gevoelig.'

Fortuyn kon heel soms geheel door het lint gaan, zoals ook zijn grote liefde Ari Versluis later zou merken. Fortuyn had het zelf wel eens over de demon die in hem zat. 'Jullie hebben geen idee van de enorme krachten die in mij woeden,' schreef hij.

Op een vlucht naar Bali een paar jaar geleden, waar Hupperts en Fortuyn hun vakantie zouden doorbrengen, zette hij het meteen op een drinken. 'En dat kon hij, stevig drinken, maar dronken werd hij bijna nooit. Hij was ook keihard voor zichzelf, dan ging hij door tot vijf, zes uur 's ochtends en stond om acht uur op.'
 
Drugs kwamen er niet aan te pas. Jan ’t Hooft, tandarts in Groningen en zeer goed bevriend met Fortuyn, zegt dat hij hoogstens en heel zelden een trekje van een stickie nam. 'Hij dronk wel wat, maar ik heb hem nooit van de wereld gezien. Hij dronk heel sterke koffie. En met die sigaren was hij ook gestopt. Hij heeft echt nooit drugs gebruikt, daarvoor was hij veel te zuinig op zijn lichaam en zijn conditie.'

Fortuyn ging voor het allerhoogste, zoals hij dat noemde. Wie ernaar streeft premier van Nederland te worden, kan het zich volgens hem niet permitteren lijken in de kast te hebben. 'Hij was schaamteloos eerlijk,' zegt ’t Hooft. 'Als hij drugs had gebruikt, hadden zijn vrienden dat zeker geweten.'

Nagellak
In het vliegtuig naar Bali werd hij bij wijze van uitzondering wel dronken. Hij zat te keten, hield iedereen uit de slaap, trok een passagier die protesteerde tegen zijn luidruchtigheid aan z’n haar, smeet een glas kapot. Toen hij in slaap viel, lakten de stewardessen voor de grap zijn nagels rood.

Hupperts kan zich ook herinneren hoe Fortuyn een keer werd gepakt voor rijden onder invloed. 'In Rotterdam, op de Laan van Zuid, werd hij aangehouden. Toen heeft advocaat Gerard Spong hem weten vrij te krijgen op een procedurefout. Daarna kocht hij een fiets, nou, meer een rijwiel, met van die tassen. Van die truttige, omdat hij geloofde dat de fiets dan niet meer zou worden gestolen. En vervolgens liet hij zich rijden door een chauffeur.'

De vele faxen uit die periode, halverwege de jaren negentig, getuigen ervan dat Fortuyn zich ongemakkelijk voelde onder de ingenieuze vrijspraak. Hij vond eigenlijk dat hij straf verdiende, al was hij blij dat hij er zo makkelijk van afkwam, en nog wel voor Spongs speciaal aangepaste uurtarief van 300 gulden.

Met Hupperts kon Fortuyn uitvoerig plannen maken over de fabriek met leuke mannen. Zelf had hij misschien ook wel door dat hij wat te heftig was voor een één-op-één-relatie. 'Trouwens, Pim had aan één helemaal niet genoeg.'
 
Seks
Fortuyn faxte Hupperts eens dat het in het leven ging om 'seks, seks en nog eens seks'. 'Dat meende hij wel een beetje, maar niet helemaal. Het ging hem toch vooral om liefde. Daar was hij echt altijd naar op zoek.' Liefde kreeg hij wel: het was alleen nooit genoeg.

Zijn beste vriend Jan ’t Hooft ontmoette hij in Groningen, waar ze in hetzelfde gebouw woonden. ’t Hooft had toen net zijn grote liefde ontmoet, dus meer dan vriendschap zat er niet in. Maar het werd wel de meest intense in Fortuyns leven. 'Dat is minstens zoveel waard als een liefdesrelatie,' zegt ’t Hooft. 'We zijn zestien jaar lang in contact gebleven, belden elkaar op het laatst dagelijks.'

Fortuyn kon niet in Groningen blijven, al hield hij het er voor zijn doen lang uit. In 1988 was het over. Waarom? 'Dat kwam deels door zijn conflictueuze karakter, deels door domme pech,' zegt Ton Kee.

'Hij werd als wetenschapper serieus genomen en was een door de studenten gewaardeerd docent. Toen hij op grond van zijn productieve publicatiereeks begin jaren tachtig in aanmerking kwam voor een hoogleraarspost, waren er bitter weinig leerstoelen te vergeven als gevolg van de krachtige bezuinigingspolitiek van het kabinet-Lubbers.

Bij de paar universiteiten waar hij wel terecht zou kunnen, werd hij geweerd om zijn slechte naam.' De faculteit sociologie, de leerstoel die bezet werd door Ger Harmsen, werd opgeheven en naar Amsterdam verplaatst.

Afscheidscollege
Fortuyn gaf een afscheidscollege, gebruikelijk voor een hoogleraar maar hoogst uitzonderlijk voor een docent, waar achthonderd toehoorders aanwezig waren. Met donderend applaus namen ze afscheid van een begenadigd spreker.

Het vertrek uit Groningen was de eerste grote tegenslag in het leven van Fortuyn. Hij was geen hoogleraar geworden en moest iets anders verzinnen. Hij begon een adviesbureau voor politieke, strategische en economische adviezen, Fortuyn en Partners, verhuisde naar Rotterdam en werd in 1987 rapporteur van de Vernieuwingscommissie Rotterdam, onder voorzitterschap van prof. dr. Wil Albeda. De commissie hield zich bezig met de toekomst van de stad en vooral van de havens.

Albeda (77) had al een imposante carrière achter de rug als hoogleraar, minister van Sociale Zaken en lid van de Eerste Kamer voor het CDA. Fortuyn was via Bram Peper, PvdA-burgemeester van Rotterdam, in die commissie gekomen en zocht samen met Albeda de andere leden uit.

Hij was naar Rotterdam verhuisd omdat, zegt zijn broer Simon, hij dicht bij Simon en zijn vrouw Jolanda wilde wonen. Zij woonden vlak bij Rotterdam. Jolanda typte al zijn boeken uit en maakte ze persklaar.

Opvallen
Maar hij had ook wel door dat er in Rotterdam, een volksere stad dan Amsterdam, meer mogelijkheden voor hem zouden zijn. Het kostte minder moeite om op te vallen: zeker toen liepen er in Amsterdam meer flamboyante types rond dan in Rotterdam.

Albeda, gereformeerd, was meteen gecharmeerd van Fortuyn, in alles zijn tegenpool. 'Hij had heel creatieve ideeën. Zo stelde hij voor om met een vliegtuigje over de stad te vliegen, dan zouden we een goed idee krijgen van de havens. Nu ben ik geboren en getogen Rotterdammer. Maar dat overzicht had ik tot dat moment niet.'
 
Flamboyant was Fortuyn inderdaad wel, en hij had ook meteen kritiek op de wijze waarop Albeda zich kleedde. 'Ja, dat maakt mij niks uit, maar hij vond dat heel belangrijk.' Albeda en Fortuyn raakten bevriend. Ze vierden een keer, met de echtgenote van Albeda, toevallig carnaval in Maastricht.

Toen Albeda’s vrouw klaagde dat ze vanwege haar geringe lengte niets kon zien, nam Fortuyn haar met een zwaai op de schouders. Het rapport van de Vernieuwingscommissie, snel geschreven in een halfjaar, werd goed ontvangen. Het schetst de sociaal-economische toekomst van de Rotterdamse haven. Het was een van de grote successen in de loopbaan van Fortuyn.

In 1988 leerde Wim van Sluis hem kennen. Fortuyn had bij zijn vertrek uit Groningen een afkoopsom van 180.000 gulden verkozen boven een jarenlange wachtgeldregeling. Hij begon zijn adviesbureau aan huis en dat kwam goed uit, want Van Sluis was zelf net begonnen met zijn accountantskantoor en zat ook ergens in een achterkamer.

Van Sluis moest hem helpen dat bureau op te zetten. 'Ik zie hem nog aankomen fietsen, op dat rijwiel, een sjaaltje om. ''Ik heb een bureau,'' sprak hij op deftige toon.'

Inmiddels is Van Sluis (42) wethouder Havenzaken voor Leefbaar Rotterdam – dankzij Fortuyn. In zijn prachtige grote kamer met lambriseringen in het stadhuis aan de Rotterdamse Coolsingel lijkt Van Sluis nog niet bekomen van de vreemde draai die zijn leven heeft gekregen. 'Het was Sjors en de Rebellenclub. Maar het feestelijke is er wel vanaf,' zegt hij een beetje mistroostig, doelend op de dood van Fortuyn.

OV-jaarkaart
In 1988 werd Fortuyn gevraagd directeur van de OV-jaarkaart te worden. Roel in ’t Veld was in die dagen gedelegeerd bestuurder in Groningen, waar hij een nieuw systeem hielp opzetten voor de studiefinanciering. Een van de vele initiatieven daarbij was de OV-jaarkaart, een semi-gratis treinkaart zoals die ook al voor militairen werd ontwikkeld. Het was de tijd van de paspoortaffaire, het leek bijna onmogelijk een betrouwbaar document te maken en dit was dus een baan waar de politiek met argusogen naar keek. Het moest nu lukken.

Bovendien verkeerde de Informatiseringsbank, die de studiefinanciering uitbetaalde aan studenten, in problemen. De OV-jaarkaart was een groot, ingewikkeld en prestigieus project. Voor Pim Fortuyn was het een droombaan. 'Hij bloeide helemaal op,' zegt vriend Wilfried Uitterhoeve.

Waarom werd juist Fortuyn gekozen voor deze politiek gevoelige klus? Volgens Van Sluis was hij bij uitstek iemand die iets nieuws gestalte kon geven en bovendien had hij geen partijverplichtingen. Hij verdiende een goed salaris op contractbasis, voor drie dagen per week. Hij omringde zich met jongeren die dol op hem waren en voor hem vlogen.

Fortuyn koos liever jonge medewerkers omdat hij niet wilde werken met de gevestigde orde die niets nieuws wilde doen. 'En,' zegt Van Sluis, 'hij vond het leuk om in de hoofden van die jonge mensen wat deuren open te zetten.'

Van Sluis kreeg met zijn net gestarte accountantskantoor de officiële status van financieel-economisch adviseur en een contract voor drie dagen per week, vijf jaar lang. Er werd hard gewerkt.

Fortuyn deed het goed, die OV-jaarkaart. 'Hij was een briljant analyticus, heel talentvol in het zien van het probleem. Hij kon een grote berg in mootjes hakken,' zegt Van Sluis.

Dat talent werd dan weer aangetast door zijn soms tactloze eerlijkheid. 'Dat was een ongelooflijke zwakte,' zegt Van Sluis. 'Eerlijkheid was erg politiek incorrect. Hij analyseerde, maar zó eerlijk dat het te hard was. Dan zei hij tegen een opdrachtgever:''Dit is het probleem en u maakt daar deel van uit.'''

Lees verder


advertentie







advertentie