dinsdag 22 juni 2010 14:00
Ik heb voor vandaag van de organisaties een dubbele opdracht mee gekregen: het uitspreken van de Europa-lezing én van de Sicco Mansholt lezing. Ik doe dat graag.
Wie Sicco Mansholt was, is bekend: geboren in 1908, boer & socialist, Groninger en Europeaan, verzetsman en activist, minister en eurocommissaris. Overleden in 1995. Mansholt is een begrip in de geschiedenis van de Unie.
Wie of wat Europa is, is minder eenvoudig te bepalen... Een beschaving, gekneed in 25 eeuwen. Als politiek project, een werk in uitvoering. Een werkelijkheid, een ideaal (soms meer in de rest van de wereld dan voor Europeanen zelf), een zorg misschien. Het is voor vandaag al moeilijk te zeggen. Laat staan wat Europa in 2030 zal zijn, zoals mij gevraagd is vandaag met U te bespreken. Maar nog meer vraag ik mij af, wat wij in 2030 zouden zijn zónder een Unie?
Het leven van Sicco Mansholt draaide om pionieren. Dingen opzetten vanuit het niets. Een theepluk in de tropen, een boerenbedrijf in de Wieringermeer, de voedselvoorziening in het verzet, en na de oorlog – als minister – de voedselvoorziening voor heel Nederland. Geen wonder dat Mansholt zich thuisvoelde in het Europa van de beginjaren. In de prille Europese Gemeenschap was het bij uitstek beginnen-met-niets. Toen hij in Brussel arriveerde bestond de gemeenschappelijke landbouwpolitiek slechts uit luttele zinnen in het Verdrag van Rome. Er waren geen medewerkers, geen ervaring, geen pennen & papier. Wat er wél was, was een sterk idee van de toekomst, en de wil van zes landen die deels samen op te bouwen. In die lege ruimte kon Mansholt excelleren. Als pionier. Hij heeft nieuw land ontgonnen.
Dames en heren,
Europa staat vandaag opnieuw voor opnieuw voor zo’n moment.
In de crisis van de euro betreden wij opnieuw onbekend en onontgonnen terrein.
We zijn met 27 landen dingen op touw aan het zetten die niet waren bedoeld, niet voorzien, voor sommigen ongewenst, maar die noodzakelijk zijn geworden, om onze munt en onze economieën te verdedigen.
Het is opnieuw pionieren.
Het is dus zaak goed te weten waar we willen uitkomen.
Helmut Kohl zei achteraf over de Duitse hereniging: “Toen wij in de herfst van 1989 het pad van de [Duitse] eenheid insloegen, was het als het doorwaden van een moeras. We stonden tot de knieën in het water, dikke mist belemmerde ons zicht, en we wisten alleen dat ergens een vast pad moest zijn. Waar dat precies liep, wisten we niet.”
[1]
Ondanks de mist is Kohl toch veilig aan de overkant gekomen, de overkant van een vreedzame en door alle buurlanden aanvaarde Duitse vereniging.
In de situatie van ons vandaag – rond de euro en onze economie – is de mist wellicht wat minder dik.
De Spaanse oud-premier Félipe Gonzalez heeft zojuist een rapport afgerond over de uitdagingen en mogelijkheden voor de Europese Unie in 2030. Het kan ons bijlichten bij deze taak. Het kijkt dus twintig jaar de toekomst in, naar het Europa van onze kinderen. Gonzalez schreef het in opdracht van de Europese Raad, samen met een groep van "wijzen", onder wie de Nederlandse architect Rem Koolhaas. Afgelopen donderdag is het verslag kort besproken met de regeringsleiders op de Europese Raad. Gonzalez en de zijnen geven een overzicht van de uitdagingen waarvoor we staan. De obstakels voor de economische groei. De dreigingen op het vlak van klimaat en energie. De demografie. Ons afnemende gewicht in de wereld.
Twintig jaar vooruit kijken is in de politiek een lange tijd. Men hoeft maar achterom te kijken, het verleden in, en te bedenken hoeveel zaken die ons vandaag vertrouwd en vanzelfsprekend schijnen, 20 jaar geleden nog volstrekt ondenkbaar waren.. De geschiedenis die voor ons ligt is vol onzekerheden en toevalligheden. Juist in die onzekerheid en onvoorspelbaarheid zal de menselijke factor beslissend zijn. Hoe gaan we om met wat ons overkomt? Hoe nemen we ons lot in handen?
Het zijn de vragen van de politiek. En net als Helmut Kohl in 1989, moeten we daarbij handelen vanuit de overtuiging dat er érgens een vast pad naar de overkant moet zijn.
Graag wil ik vandaag met U twee aspecten eruit lichten. Twee krachtlijnen die voor Europa van belang zijn, voor de toekomst, en die ons reeds vandaag tot handelen nopen.
Ten eerste, de positie van Europa in de wereld.
Wij beleven een fase waarin onze afnemende relatieve economische gewicht zich vertaalt in afnemende politieke macht. Wij kunnen niet beletten dat andere landen en regio's -- denk aan China, India of Brazilië -- economisch sterk groeien. Die ontwikkeling is bovendien ook goed, zeker voor de miljoenen mensen die er tot voor kort in armoede leefden. Men wil dat niemand ontzeggen. Die groei is trouwens altijd sterker in een opgaande fase in de economie dan bij 'volgroeide' (mature) economieën als de onze.
We ervaren die economische kanteling ook in Europa. Vorige week stond er een foto in de krant van een Chinese vice-premier op bezoek bij de Griekse premier Papandreou. Hij kwam spreken over investeringen door China in de haven van Pireaus, bij Athene. Denkt U nu niet, “ja, dat is aan de Middellandse Zee, waar het financieel slecht gaat, dat raakt ons hier niet”. Een oud en groot staalbedrijf hier in Nederland aan de Noordzee – ik zal geen namen noemen... – is sinds drie jaar in handen van een Indiase firma. Omgekeerd investeren onze bedrijven massaal in "emerging economies", soms tot groot ongenoegen hier. De globalisering dringt in alles door.
Wel ervaren we momenteel hoe de toenemende economische invloed van de opkomende landen zich vertaalt in politieke macht. Ik noem dat de omslag van "economische globalisering" naar "politieke globalisering". Het gaat met schokken.
De oprichting van de G20, als opvolger van de G7, op het hoogtepunt van de financiële crisis van 2008 was zo'n schok. Over een paar dagen komen we weer bijeen.
De Klimaatconferentie van Kopenhagen van december 2009 was een tweede moment. Daar stonden de landen en vertegenwoordigers van de Europese Unie buiten de deur terwijl de Amerikaanse, Chinese, Braziliaanse en andere leiders het beslissende akkoord sloten. Het was een vernedering, in een thuiswedstrijd nog wel. (Vandaag trouwens is dat 'Accord' in zware problemen. Dat weegt nog veel zwaarder dan de 'power play' in december.)
En we zagen het nog maar onlangs, in het overleg op hoog niveau van Brazilië en Turkije met Iran over de nucleaire problematiek, geheel buiten de oude westerse machten om. Ook al mondde het initiatief niet uit in het verhoopte resultaat, het initiatief zelf is een precedent.
Zulke ervaringen leren dat geen enkel land van de Europese Unie, ook de zogenaamde groten niet, nog in zijn eentje een beslissende rol kan spelen op het wereldtoneel. Sommige staten spelen trouwens vaak nog een rol door hun historische banden en positie, of hun lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad. Trouwens, zelfs de Amerikaanse president stelde in zijn recente Veiligheidsstrategie dat Amerika niet meer alle problemen in de wereld alleen kan oplossen.
De Amerikanen waarderen het trouwens wel wanneer wij op één lijn zitten. Neem de nucleaire dreiging van Iran. Begin mei was de Amerikaanse vice-president Joe Biden in Brussel op bezoek. Hij vroeg toen of wij extra sancties tegen Iran zouden gaan nemen. Ik kon hem toen nog weinig beloven. Vorige week heeft de Europese Raad dat besluit wel genomen, met instemming van alle regeringsleiders (waaronder ook uw minister-president). Niet omdat men het ons vroeg, maar omdat wij er zelf in geloven.
Nadenkend over de toekomst, twee of drie decennia vooruit, moet men deze krachtlijn in ogenschouw nemen. Onze relatieve plaats in de wereld -- economisch, demografisch, en dus ook politiek -- zal gestaag kleiner worden.
Die positie is trouwens al vele tientallen jaren relatief klein. We leefden tijdens de Koude Oorlog onder de Amerikaanse atoomparaplu. Door de dreiging van de Sovjet-Unie waren we relevant. Europa was als het ware de hoofdprijs van de Koude Oorlog. Na de Val van de Berlijnse Muur werden we minder relevant omdat we minder een probleem waren. Het is zaak de essentie in het oog te houden: de afnemende belangstelling voor Europa in de rest van de wereld is een bijverschijnsel van ons succes.
Niettemin, willen wij het volle vermogen houden onze Europese belangen en waarden in de wereld te verdedigen, dan zullen we ons op zijn minst beter moeten organiseren. Dan zullen wij beter dan nu samen moeten optrekken. Het zal niet altijd makkelijk zijn, gezien de verschillen tussen onze 27 landen, maar de noodzaak zal toenemen.
Het is een van de redenen dat ik in de Europese Raad in de komende vergaderingen van regeringsleiders meer aandacht wil besteden aan de buitenlandse politiek. En ik twijfel er niet aan of mijn opvolgers tussen nu en 2030 zullen die noodzaak nog veel sterker voelen…!
Dames en heren,
Ik kom -- na onze plaats in de wereld -- tot een tweede krachtlijn tussen ons heden en de toekomst: de economie. De economische groei is van fundamenteel belang om de welvaart en werkgelegenheid van onze bevolkingen te kunnen verzekeren. Momenteel kennen de eurolanden een structurele groei van 1 procent. Dat is op termijn te weinig om onze sociale markteconomie veilig te stellen. Het is te weinig om onze "European way of life" te kunnen behouden. Hervormingen zullen in alle landen nodig zijn. Dit was al zo in 2007 en 2008. Maar de financiële crisis heeft bepaalde zwakheden vergroot en scherp aan het licht gebracht. Hier kan ik er niet omheen iets over de crisis te zeggen.
Wij moeten helaas de term “crisis” wel gebruiken.
La crise, "De crisis", zo heet ook het boek dat Sicco Mansholt publiceerde in 1974. Het is een interviewboek met een Franse journalist waarin hij, kort na zijn pensioen, zijn visie uiteenzet. Ik deel niet Mansholts bijna utopische stijl uit zijn laatste jaren als actief politicus. Voorzichtige hervorming was ook al in de jaren zeventig -- toen dat bijna als reactionair gold… – mijn devies.
Toch doet onze tijd in bepaalde opzichten aan de jaren zeventig denken: denk aan de oliecrisis van 1973, het opkomend bewustzijn van de milieucrisis en het einde van het mondiale financiële stelsel van Bretton-Woods, vanaf 1971. Europa regeerde op die uitdagingen onder meer met de oprichting van de Europese Raad van regeringsleiders (in 1974) en met de voorloper van de muntunie (het EMS). Ook nu is het de vervlechting van de wereldeconomie die een cascade van crises in gang zet en die vraagt om politieke antwoorden.
Ditmaal begon het als een financiële crisis, van de private schulden; wij hebben deze geïmporteerd uit de Verenigde Staten.
Het werd een economische crisis, maar de recessie was door doeltreffend politiek optreden in de meeste van onze landen al na een jaar voorbij, medio 2009.
Toen kwam er echter een budgettaire crisis bij, van de publieke schulden. De overheden hebben te maken met de paradox dat ze zeer veel geld moesten uitgeven om de economische crisis te bezweren,
maar dat ze daar vervolgens zélf mee in problemen raakten op het vlak van het overheidstekort.
Dat werd vanaf begin 2010 een heuse monetaire crisis. Het begon in Griekenland, maar door de vervlechting van de financiële sector ontstond er besmettingsgevaar. Athene te hulp schieten, wat de landen van de Eurozone hebben gedaan: betekende indirect ook: Duitse, Franse, Nederlandse en andere banken te hulp komen die miljarden aan de Grieken hadden geleend. Het werd zelfs bijna een globaal probleem. Op het hoogtepunt van de eurocrisis, 6-7 mei jl., belde president Obama met bondskanselier Merkel en anderen om zijn zorgen te uiten. Ook Moskou en Peking, waar men grote reserves in euros heeft, volgden de ontwikkelingen nauwlettend.
Er is veel kritiek geweest dat het optreden van de EU te laat zou zijn gekomen. Ik denk dat we het redelijk hebben gedaan: we strompelden soms, maar we zijn niet gevallen.
Buitenstaanders onderschatten vaak hoe ingewikkeld ons politieke stelsel is. In elk systeem heb je te maken met een tijdsbestek tussen de indiening van een plan door een regering en de aanvaarding ervan door parlement en publieke opinie. (Ook in Amerika had president Obama toch veel tijd nodig om zijn Zorgplan door het Congres te krijgen! En dat zal ook zo zijn met het Klimaatplan.) In de Europese Unie is de moeilijkheid nog groter. Wij zijn niet één staat.
In het geval van de eurolanden hebben we het over zestien regeringen met zestien nationale parlementen en heel uiteenlopende publieke opinies. Ik heb het dan nog niet over dictaturen die snel kunnen besluiten maar die op termijn kwetsbaar zijn.
Daar kwamen in dit geval nog drie elementen bij.
Ten eerste had de Europese Unie niet de juridische instrumenten om een schuldencrisis aan te pakken. De bedenkers van de Economische en Monetaire Unie vertrouwen op het Stabiliteitspact om de schulden laag te houden. Maar het Pact is niet streng genoeg toegepast, en is in 2005 nog verzwakt. Dat was een ernstige fout. Bovendien ging het de eerste tien jaar zo goed met de euro dat het competitiviteitsproblemen in sommige landen haast onzichtbaar maakte, althans voor diegenen die ze niet wilden zien. Deze landen hadden economische groei en lage rente en voelden (nog) niet de druk van de markten. Ondanks de afwezigheid van instrumenten hebben we de Grieken kunnen helpen, in ruil voor een strenge budgettaire sanering ter grote van 10 procent van het BBP en onder streng toezicht. Het was als het bouwen van een reddingssloep op volle zee.
Ten tweede heeft Griekenland pas heel laat daadwerkelijk om financiële steun gevraagd. Op 23 april. Die aarzeling is begrijpelijk vanuit binnenlandse overwegingen. De steun gaat namelijk gepaard met hele strenge voorwaarden, opgelegd door de EU en het IMF.
Er moeten allerlei pijnlijke maatregelen worden genomen en dat doet men uiteraard liefst als het écht niet meer anders kan.
Ten derde was er in Duitsland een probleem met het Constitutionele Hof. Dat Hof houdt streng vast aan de grondregels van de euro. In het Verdrag staat dat elk euroland zelf verantwoordelijk is voor zijn schulden: de ‘no bail-out’-clausule. Duitsland mocht van het Hof Griekenland dus pas helpen “in laatste instantie” (ultima ratio), namelijk als de stabiliteit van de hele euro in het geding was. En de positie van Duitsland in de Unie is zodanig dat zonder Duitse inbreng een reddingsplan niet geloofwaardig zou zijn voor de markten.
Ondanks deze hindernissen lag er wel al op 2 mei een reddingsplan voor Griekenland van 110 miljard euro. Vanwege het aanhoudende besmettingsgevaar heeft de Unie in het erop volgende weekeinde van 7 tot 9 mei een serie historische beslissingen genomen. De regeringsleiders van de 16 Eurolanden hebben op vrijdag 7 mei onder mijn voorzitterschap gezegd dat de situatie rond de euro zo ernstig was “the full range of means available” moest worden ingezet om de stabiliteit van de euro te waarborgen. (Dat is diplomatieke taal voor “alle hens aan dek”.) Daarna lag er binnen 48 uur een reddingsplan ter waarde van 750 miljard euro dat de Ministers van Financiën op zondagnacht 9 mei – nog net voor het openen van de markten in Azië – in principe afzegenden. De Europese Centrale Bank besloot sommige schuldtitels van landen op te kopen op de zogenaamde secundaire markten; tevens maakten twee Lidstaten maakten bekend extra begrotingsmaatregelen door te voeren. Het was één grote, Uniewijde actie.
Dames en heren,
Dankzij deze vangnetten hebben we onszelf tijd gegeven om herhaling te voorkomen. In elk geval drie jaar. Ik vind het van essentieel belang dat we deze tijd goed gebruiken. Het draait om houdbare overheidsfinanciën en voorkomen dat een volgende crisis uit de hand loopt. Oftewel: crisis-preventie en crisis-management. Beide zijn nodig.
De Europese Raad heeft mij in maart gevraagd een werkgroep te leiden om te onderzoeken hoe onze economieën beter bestand kunnen worden tegen zulke crises. Het is een onderwerp waarbij ik heel sterk voel, om het in het Frans te zeggen: "que l'avenir se joue aujourd'hui", dat de toekomst vandaag op het spel staat. Ik weet dat het onderwerp van de euro en het Stabiliteitspact in Nederland vanouds sterk leeft en wil er hier dus graag meer over zeggen.
Onze werkgroep bestaat uit de ministers van financiën van (bijna) alle 27 lidstaten -- voor Nederland is dat demissionair minister Jan Kees de Jager --;
en verder de president van de Europese Centrale Bank (Trichet), de Eurocommissaris voor Economische en Monetaire Zaken (Rehn) en de Voorzitter van de Eurogroep (Juncker). Wij willen onze voorstellen uiterlijk in oktober klaar hebben. In de eerste bijeenkomsten was duidelijk dat iedereen voelt dat het een bijzonder moment is voor de Europese economische politiek.
Ja, dat we – net als in de begindagen van Mansholt – aan het pionieren zijn. Of dat we een moeras aan het doorwaden zijn.
Tot mijn vreugde bestaat er brede consensus over de hoofdpunten. Allereerst de versterking van het Stabiliteits- en Groeipact. De sancties tegen overtreding moeten zwaarder worden en er moet ook al eerder kunnen worden opgetreden, bijvoorbeeld als een land de staatsschuld te langzaam naar beneden brengt. Voorheen ging bijna alle aandacht uit naar het maximale begrotingstekort van drie procent; nu willen we ook meer kijken naar de ontwikkeling en het peil van de publieke schuld. Om het in de stoplichtmetafoor te zeggen: niet alleen een bekeuring voor wie door het rode licht van de drie procent tekort rijdt, maar ook bekeuringen voor wie door oranje rijdt. (Hoewel ik met gebruik van de kleur Oranje dezer dagen moet oppassen!)
Ook willen we een strenger toezicht op de competitiviteit. De overheidsfinanciën in evenwicht hebben is noodzakelijk, maar niet voldoende. In sommige lidstaten is de competitiviteit sinds de invoering van de euro toegenomen, dankzij een gematigde loonontwikkeling en productiviteitsgroei (denk aan Duitsland, Nederland en België). Anderen zagen hun competitiviteit afnemen. Het probleem speelt vooral binnen de Eurozone, want die landen kunnen niet meer – zoals voorheen – hun munt devalueren om weer competitief te worden. Wel profiteerden ze lange tijd van de lage rente. In die zin fungeerde de euro als een soort slaappil, of bijna een drug. Omdat het onaangenaam is ruw te worden wakker geschud door de financiële markten, zoals nu is gebeurd, zijn we het er in de werkgroep allemaal erover eens dat we zelf indicatoren en alarmsignalen moeten ontwikkelen om zulke onevenwichtigheden tijdig op te sporen. En wat mij betreft moet er dan ook een stevig toezicht bij, met sancties, à la het Stabiliteitspact.
Beter en onafhankelijk toezicht op schulden en op competitiviteit, en werken aan meer innovatie in onze EU2020-strategie: dat zijn de drie aspecten van de crisispreventie. Het werk is niet af. Wij moeten belangrijke ideeën van lidstaten en de ECB onderzoeken. Deze zomer zullen we verder spreken over economisch bestuur en crisismanagement. Ook daar is veel te verbeteren, maar ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
De euro is een sterke munt, gebaseerd op sterke "fundamentals": een betalingsbalans vrijwel in evenwicht voor de eurozone als geheel, begrotingstekorten half zo hoog als in de Angelsaksische wereld en een decenniumlange lage inflatie. Maar er is onvoldoende convergentie binnen de eurozone. Het geheel is maar zo sterk als de som der delen. Elke lidstaat is mee verantwoordelijk voor het geheel.
Vandaag ontdekken mensen dus wat een "gemeenschappelijke lotsbestemming" in monetaire zaken betekent. Mensen ontdekken dat de euro hun pensioen raakt, hun spaargeld, hun baan, hun dagelijks leven. Het doet pijn. Naar mijn idee is dit groeiende publieke bewustzijn een voorname ontwikkeling. Zorgen en ontevredenheid dwingen namelijk de regeringen tot handelen, tot het maken van keuzes die men eerder uit de weg ging, tot het betreden van onbekende grond. Het kan de Unie als geheel alleen maar ten goede komen.
Dames en heren,
Dit zijn enkele van de grote krachtlijnen die ons vandaag bezighouden, om voorbereid te zijn op de toekomst. Het zal gaandeweg duidelijk zijn geworden, voor wie er nog aan twijfelde, dat de EU niet iets is wat zich in Brussel alleen afspeelt.
De Europese politiek speelt zich ook af in Berlijn, Parijs, Den Haag, Athene en al die andere hoofdsteden, binnen en tussen regeringen en parlementen. Ze raakt de euro in uw portemonnee, de werkgelegenheid voor u en uw kinderen.
Ik ben ervan overtuigd dat het in ons vermogen ligt vandaag en morgen de beslissingen te nemen die maken dat Europa er in er in 2030 sterk voor zal staan -- Europa als politiek werk in uitvoering én Europa als onze in eeuwen geknede beschaving.
Eén voorwaarde is er wel: publieke steun. Burgers moeten beseffen dat het om ónze toekomst gaat. Hiervoor liggen geen eenvoudige recepten klaar. Toch blijft het draagvlak van de Europese gedachte -- een overkoepelende gedachte -- in een steeds meer individugerichte wereld van levensbelang. Alle "grote" projecten en ideologieën zijn in crisis; deels omdat de dromen uitgedroomd zijn, deels omdat we ons mentaal opsluiten in ons particulier belang. In een globaliserende wereld zijn we soms als desperado's op zoek naar eigen identiteit. Wij moeten durven hoger en breder kijken. Zeker van leiders wordt meer verwacht. "Ik ben hun leider, dus ik volg hen"' is een te korte omschrijving van leiderschap vandaag. We moeten mensen overtuigen dat het Europese belang een kwestie is van óns belang. Het is op termijn de grootste uitdaging voor onze Unie.
Hier zal ik mij tot slot toch één maal op een verder liggende toekomst moeten beroepen, op het toekomstige moment waarop mensen beseffen: "Europa, dat zijn wij".
Met uw en ieders steun, kan ook dàt moment er komen.
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement