woensdag 16 maart 2005 15:14
De nieuwe Pensioenwet zal betekenen dat pensioenfondsen voortaan beperktere zekerheden hoeven te bieden. Veel Nederlanders beseffen nog niet dat ze door alle wijzigingen van de laatste jaren op een veel lager pensioen uitkomen. En door de vergrijzing dreigen jonge schouders te bezwijken onder de toegenomen lasten.
Misschien gaat het te ver om politici kwalijk te nemen dat ze niet open en eerlijk zijn over pensioenen. Want dat die eerlijkheid gevaarlijk kan zijn, bleek vorig jaar. Het kabinet streefde er duidelijk naar om de fiscaal gunstige regelingen voor vut en prepensioen af te schaffen. Doel was, heel terecht, om deze vorm van subsidie op korter werken te schrappen.
Maar de vakbeweging ging ermee aan de haal. Die wist, door flink met de feiten te rommelen, argumenten om te draaien en glashard te liegen, de discussie naar eigen hand te zetten. In oktober kwamen in Amsterdam enkele honderdduizenden mensen op de been, genoeg om het kabinet te doen inbinden.
Misschien gaat het ook te ver om pensioenfondsen te verwijten dat ze hun deelnemers niet open en eerlijk informeren over pensioenen. Want waarom zou een fonds de jonge werknemers vertellen dat hun oudere collega’s jarenlang te weinig premies hebben betaald en dat zij daar nu voor moeten opdraaien? En waarom zou een pensioenfonds deelnemers überhaupt helpen om een antwoord te vinden op de vraag: hoeveel pensioen heb ik straks eigenlijk? Met een helder antwoord – namelijk: dat ze dit sinds kort eigenlijk niet meer precies weten – maken pensioenfondsen zich niet populair.
Nederlanders zagen de afgelopen jaren de aandelenkoersen instorten, de pensioenpremies flink stijgen en hun pensioenregeling veranderen. Dat er van alles aan de hand is, is iedereen dus wel duidelijk. Maar wat die dramatische veranderingen nou precies betekenen voor het eigen pensioen, dat weet nagenoeg niemand.
Oprechte politici, pensioenfondsen en toezichthouders zouden een campagne beginnen, waarin ze uitleggen dat de tijden waarin iedereen die in een pensioenregeling viel onbezorgd op een goede oude dag kon rekenen, nu echt voorbij zijn. Maar dat gebeurt niet. Toegegeven: er is de Pensioenkijker. Dat is een website die met objectieve informatie het 'pensioenbewustzijn’ van Nederlanders probeert te vergroten. Want, zo blijkt uit onderzoek van de site zelf, slechts een op de acht Nederlanders denkt goed op de hoogte te zijn van zijn pensioen. De rest heeft geen benul en leeft nog in de waan dat het allemaal wel goed komt.
De Pensioenkijker doet z’n best, maar met boodschappen als 'Pensioen, doen!’ kom je er niet. Om te beginnen vermeldt de site niet waarom mensen eens wat vaker over hun pensioen zouden moeten nadenken. Er wordt gerept over 'momenten’ in ieders leven, zoals bij baanwisseling, het krijgen van kinderen of bij een huwelijk. Allemaal thema’s die om aandacht voor het pensioen vragen. Maar nieuw zijn ze niet.
De echte reden waarom mensen vaker over hun pensioen moeten nadenken, is dat er van alles is veranderd. Die veranderingen zijn zo substantieel en structureel dat het enige antwoord op de vraag waarom mensen zich druk moeten maken over hun pensioen luidt: omdat het pensioen geen zekerheid meer biedt. Wie weet komt u straks op uw oude dag duizenden euro’s per jaar tekort!
Dat is wel een Postbus-51-spotje waard.
Spaarpotten
De afgelopen jaren hadden twee stille revoluties plaats. De eerste was de massale overgang bij vele pensioenstelsels naar een middelloonstelsel. Decennia lang was '70 procent van het laatst verdiende loon’ de norm in Nederland. Maar dat is voorbij. Nog slechts een op de acht mensen bouwt via een eindloonstelsel zijn pensioen op in de geruststellende wetenschap dat hij – op zijn 65ste – met 70 procent van zijn salaris thuis kan gaan zitten. De rest moet het met minder doen. En als het tegenzit, met fors minder.
Revolutie nummer twee betreft de stille voorbereiding van de nieuwe Pensioenwet, die op 1 januari 2006 in werking treedt. De wet moet nog door de Tweede Kamer worden goedgekeurd, maar is al grotendeels afgetimmerd in achterkamertjes. De wet legt vast dat pensioenfondsen in de toekomst nog slechts heel beperkte zekerheden hoeven te bieden: alleen de nominale toezeggingen moeten financieel helemaal worden afgedekt. Anders gezegd: wie nu een euro opzij zet voor later, krijgt die euro straks gegarandeerd terug. Maar of die euro intussen met inflatie en lonen is meegegroeid, is nog maar afwachten.
Middelloon
Tot voor kort gingen discussies over indexatie enkel over uitkeringen van gepensioneerden en de vraag of die jaarlijks dienden te worden aangepast aan loon- of prijsstijgingen. Maar door de systematiek van het middelloon, in combinatie met de slechts nominale zekerheden die de nieuwe wet eist, gaat die indexatiediscussie nu iedereen aan.
Fondsen met een middelloonstelsel kunnen, als er een tekort is, ervoor kiezen de aangroei van alle spaarpotten tijdelijk stil te zetten. Alsof de bank een brief stuurt met de mededeling dat het even tegenzit en de klant dus dit jaar geen rente krijgt. Gevolg: in plaats van 70 procent van het laatstverdiende salaris krijgt een flink deel van de Nederlanders straks misschien slechts 50 procent van zijn gemiddelde salaris. Of zelfs nog minder.
Sluipenderwijs zijn miljoenen Nederlanders opgezadeld met een uitgekleed pensioen. 'Onzin,’ zegt bestuursvoorzitter Karel Noordzij van PGGM, met ruim een miljoen actieve deelnemers en een belegd vermogen van 57 miljard euro na het ABP het grootste pensioenfonds van Nederland. 'Wij werken met een voorwaardelijke indexering. De ambitie om aanspraken jaarlijks te indexeren (laten meegroeien met reële lonen – red.) is oprecht.’ De crux van Noordzij’s belofte zit hem in de woorden 'voorwaardelijk’ en 'ambitie’. Noordzij zal er alles aan doen om mensen méér in het vooruitzicht te stellen dan een waardeloze euro uit 2005. 'In de afgelopen dertig jaar is dat PGGM ook altijd gelukt,’ voegt hij er nog aan toe.
Maar successen uit het verleden...
Ooit werd het Nederlandse pensioenstelsel geroemd om zijn kracht en aanbevolen door Wereldbank en IMF. En nog steeds scoort ons stelsel internationaal goed. Maar de dalende rente in de jaren negentig en de dalende koersen aan het begin van dit decennium holden de financiële buffers van de Nederlandse fondsen snel uit en legden zwakke plekken bloot. Zwakke plekken die sowieso al aan groot onderhoud toe waren door een veel heftiger en structurelere trend: de vergrijzing.
Jonge schouders dreigen te bezwijken onder de hoge zorg- en pensioenlasten van oudere generaties. De pensioenstelsels worden instabiel – en daarmee wordt de economie dat ook. De AOW wordt onbetaalbaar, en vooral oneerlijk.
'Wij roepen jongeren op om niet meer mee te betalen aan de AOW,’ zegt Antoon Blokland voorzitter van vakbond CNV Jongeren. 'Ik wil best solidair zijn met arme ouderen, maar niet met rijke babyboomers die zo meteen met pensioen gaan.’
De AOW is een zogeheten omslag gefinancierd pensioen: 65-minners betalen voor de uitkering van 65-plussers. Door de vergrijzing betalen steeds minder jongeren voor steeds meer ouderen. Dat leidt onvermijdelijk tot problemen.
Maar de aanvullende pensioenen die via de werkgever worden opgebouwd, zijn 'kapitaal gedekt’: er wordt gespaard voor later. Toch kennen ook die aanvullende pensioenen een flink omslagelement. Anders gezegd: ook daarin speelt de solidariteit tussen oud en jong een belangrijke rol. Die solidariteit wordt veelal als een kracht van het stelsel gezien. Het betekent bijvoorbeeld dat beleggings- en sterfterisico’s kunnen worden gedeeld, waardoor de kosten lager zijn.
Mooi, vindt ook Lans Bovenberg, hoogleraar financiën aan de Universiteit van Tilburg. 'Maar jongeren krijgen nu een slechte deal.’ Ze betalen de rekening als er financiële problemen zijn – zoals nu – maar hebben te weinig te zeggen over wat er gebeurt in tijden van voorspoed en overschot.
Jongere werknemers betalen die hoge rekeningen vooral via hogere premies. Geen probleem als er veel meer werkenden dan gepensioneerden zijn. Maar met de sterkere vergrijzing loopt de prijs van solidariteit al gauw op. Gezien de tekorten van de Nederlandse pensioenfondsen betalen jonge werknemers op dit moment massaal inhaalpremies.
Bovendien: het premie-instrument wordt bot. Omdat een kleinere groep de klappen moet opvangen, moeten de premies steeds verder omhoog. Bedrijven balen daar flink van, want het betekent dat hun arbeidskosten fors stijgen. Met alle gevolgen van dien. 'Die pensioenverhogingen werken ontwrichtend voor de economie,’ zegt Bovenberg. Volgens berekeningen van het Centraal Planbureau hebben de premieverhogingen van de afgelopen jaren tienduizenden banen gekost.
Om die redenen is het op zich goed dat de pensioenfondsen overstappen op middelloonregelingen. Want naast hogere premies hebben ze daarmee een nieuw instrument: de indexatie. Waar vroeger alleen op de indexatie van pensioenuitkeringen kon worden gekort, kan nu ook de aangroei van aanspraken van werkenden worden opgeschort, waardoor de premie minder omhoog hoeft. En dat is goed, het geeft het stelsel meer flexibiliteit.
Maar het generatieconflict is er niet mee opgelost. Sterker nog: werkenden krijgen nu niet alleen met hogere premies, maar soms ook met lagere aanspraken te maken. Nog een hogere prijs dus voor jongeren.
Duivels dilemma
Bovendien blijft het een slechte zaak dat bijna niemand die deelneemt aan zo’n stelsel zich hiervan bewust is. De meeste deelnemers realiseren zich niet dat ze jaarlijks kans lopen op een 'indexatiegat’, waardoor ze mogelijk op een veel lager pensioen uitkomen dan ze mochten verwachten.
Heldere communicatie is niet de sterkste kant van pensioenfondsen. Noch van politici. Opgeschrikt door de financiële crisis bij de pensioenfondsen eisten zij in eerste instantie extra zekerheden in de nieuwe Pensioen- en Spaarfondsenwet. Bijvoorbeeld een verplichte indexatie: koppeling van de toezeggingen en uitkeringen aan de prijs- of loonontwikkeling.
Maar toen de actuarissen van de pensioenfondsen de politici voorrekenden wat dat zou kosten, werd het snel stil. Want de kosten van zekerheid zijn enorm. Op dit moment hebben de Nederlandse pensioenfondsen een forse onderdekking als het om de geïndexeerde verplichtingen gaat van 20 tot 30 procent (zie 'Tekort in pensioenpot’ op pagina 64). Op een totaal belegd vermogen van bijna 500 miljard euro betekent dit dat er 120 tot 200 miljard euro nodig is om iedereen de zekerheid te bieden die hij nog steeds verwacht. Even voor het perspectief: de Nederlandse schatkist verwacht dit jaar zo’n 125 miljard euro belasting binnen te halen.
Geconfronteerd met deze rekening waren de politici snel genezen. Ze kozen voor de 'goedkope’ optie: enkel de nominale, niet-waardevaste aanspraken dienen financieel volledig te worden gedekt.
Dat politici het bereikte akkoord over de nieuwe wet niet van de daken hebben geschreeuwd, is niet verwonderlijk. Met de mededeling dat het pensioen enkel nog nominale zekerheden biedt, win je geen stemmen. Iedere werknemer weet dat de euro die hij vandaag verdient over twintig jaar veel minder waard zal zijn. Overigens stelt de nieuwe wet wel enkele aanvullende eisen voor indexatie. Zo zal het beleggingsbeleid van een fonds 'in overeenstemming’ moeten zijn met zijn 'indexatieambitie’. Wie indexatie belooft, zal dus duur uit zijn.
Maar wat gebeurt er met lieden als Noordzij, die toch hun best doen om mensen te laten geloven dat het wel goed zit met de indexatie, maar die intussen geen garantie bieden?
Dat is nog onduidelijk. Op dit moment steggelen de pensioenfondsen nog met De Nederlandsche Bank over hoe de formulering van hun ambities gevolgen heeft voor de op te bouwen buffers en de hoogte van de premies.
Noordzij waarschuwt: 'Als er op korte termijn te veel zekerheden worden gevraagd, creëer je paradoxaal genoeg op de lange termijn een onzeker systeem.’ Hij schetst hiermee opnieuw het duivelse dilemma van de politici en toezichthouders. Zekerheid is duur. Als pensioenfondsen sterk worden beteugeld en er veel kortetermijnzekerheden worden geëist, dan kunnen ze minder risico nemen (lees: minder in aandelen beleggen), wat tot lagere verwachte opbrengsten leidt. Tegelijkertijd hebben politici en werknemers behoefte aan zekerheden en garanties.
Draaikonten
Toch: De Nederlandse Bank heeft gelijk. Als Noordzij’s PGGM zo graag het imago wil hebben van een fonds dat altijd zal indexeren, dan moet hij daar ook maar voor betalen in de vorm van hogere premies en minder risicovolle beleggingen. Wil hij met meer risico meer indexatie, en dus uiteindelijk hogere uitkeringen nastreven, dan moet hij daar maar eerlijk in zijn.
Ofwel, een boodschap in de trant van: 'We doen ons best, maar garanderen niets en er is een kans dat u het straks met minder moet doen.’ Dan weten al die PGGM’ers ten minste dat ze jaarlijks even moeten kijken of het Noordzij een beetje is gelukt, of dat ze misschien wat moeten bijstorten om straks nog het gewenste pensioen te kunnen ontvangen.
Ook over een ander aspect van de nieuwe wet loopt de politiek nog te draaikonten. Onder druk van nieuwe boekhoudregels moeten fondsen vanaf 1 januari 2006 hun verplichtingen tegen de marktrente waarderen. Hadden fondsen dit eerder gedaan dan had iedereen in de jaren negentig kunnen zien dat ze er helemaal niet zo goed voor stonden, maar dat de buffers door de dalende rente nog sneller werden uitgehold dan door de stijgende beurskoersen. Nu nog mogen fondsen de rekenrente van 4 procent gebruiken, waardoor ook nu nog een vertekend beeld ontstaat.
Eind januari schreef CDA-minister Aart Jan de Geus (Sociale Zaken) aan de Tweede Kamer dat de financiële positie van de Nederlandse pensioenfondsen in het boekjaar 2003 'op basis van de traditionele rekenrente’ is verbeterd. Hij besteedt daar anderhalve pagina aan. Pas in de laatste alinea merkt hij en passant op dat door de dalende marktrente de dekkingsgraden zijn verslechterd – en dat daarmee de financiële positie van de fondsen dit ook is.
In de mistige wereld van de pensioenen werd in de jaren negentig ten onrechte feest gevierd. Het feest is over, maar de mist wil niet optrekken. De negatieve gevolgen van de vergrijzing worden niet aangepakt en werknemers weten nauwelijks wat er met hun pensioen gebeurt. Zachte, zwijgende heelmeesters maken stinkende pensioenwonden.
Kader bij artikel:
BEGRIPPENLIJST
AOW
Ouderdomsvoorziening waarop iedere inwoner van Nederland vanaf zijn 65ste recht heeft. Iedere burger die tussen zijn 15de en 65ste in Nederland woont, bouwt jaarlijks 2 procent AOW op. Wie gedurende deze periode in het buitenland woont, krijgt in principe minder.
Eindloon
Regeling waarin hoogte van pensioen is afgeleid van salaris dat iemand direct voorafgaand aan pensioendatum verdient. Bij elke salarisverhoging wordt opgebouwd pensioen opgetrokken naar nieuwe salarisniveau.
Franchise
Deel van salaris dat niet meetelt voor opbouw van pensioen. Later is er immers AOW, dus een werknemer hoeft niet over hele salaris pensioen op te bouwen.
Indexering
Verhoging van pensioen wegens prijs- en/of loonstijging. Geldt voor gepensioneerden en voor actieve deelnemers aan middelloonregeling. Bijna altijd voorwaardelijk: er wordt alleen geïndexeerd als er voldoende middelen zijn.
Kapitaaldekking
Systeem waarin meteen bij toekennen van aanspraak geld opzij wordt gezet om later pensioenuitkering te kunnen betalen. Pensioenpremies worden belegd. Voor iedere deelnemer bouwt pensioenuitvoerder zo het kapitaal op dat nodig is om later pensioen uit te betalen.
Lijfrente
Aanspraak op reeks vaste periodieke uitkeringen, die uiterlijk bij overlijden eindigt. Te vergelijken met een uitkering uit een pensioenregeling.
Middelloon
In middelloonregeling wordt per jaar een fractie van pensioen opgebouwd op basis van actuele salaris. In eerdere jaren opgebouwd pensioen wordt niet opgehoogd tot niveau van laatste salaris. Opgebouwde rechten worden bij middelloonregeling meestal geïndexeerd.
Pensioengrondslag
Salaris min franchise. De pensioengrondslag is het bedrag waarop het pensioen is gebaseerd.
Bron: www.pensioenkijker.nl
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement