donderdag 24 mei 2012

Tags

Weekblad

Frankrijk: Onderklasse laat Parijs smeulen

woensdag 9 november 2005 16:17

Ik ben bang, ziek en nerveus,’ zegt een 72-jarige man van Arabische afkomst. 'Laat u mij alstublieft met rust.’

'Als ik terug zou kunnen naar Algerije, zou ik zo gaan,’ zegt kapper Saïd Bait.

'De laatste dagen zijn de ruzies heviger dan voorheen,’ zegt een Indiase restauranthouder. 'Vooral rond middernacht, als ik van mijn werk kom, voel ik me bedreigd.’

Het zijn enkele geluiden uit de voorstad Epinay-sur-Seine, die een kilometer of vijftien boven Parijs ligt. De wijk Orgemont is de probleembuurt van de stad, maar het geweld is er minder hevig dan in enkele andere voorsteden in het departement Seine-Saint-Denis. Daar hebben sinds twee weken elke nacht rellen plaats. Toch was het straatgeweld ook hier begin deze maand dermate bedreigend dat de politie de hoofdader van de wijk, de Rue de Marseille, niet meer in durfde.

Bovendien werd Orgemont, een wijk met vrijwel uitsluitend bewoners van buitenlandse afkomst, opgeschrikt door een verschrikkelijk voorval. Op 27 oktober, dezelfde dag dat de rellen begonnen als gevolg van de elektrocutie van twee jongens in een transformatorhuisje, maakte de 56-jarige Jean-Claude Irvoas voor zijn werk een foto van een lantaarnpaal aan de Rue de Marseille.

Drie jongens wilden hem zijn fototoestel afnemen omdat ze zouden hebben gedacht dat hij hen fotografeerde. Irvoas weigerde zijn camera in te leveren, waarop hij voor het oog van zijn vrouw en dochter in elkaar werd geslagen en geschopt. Hij overleefde het niet.

Commentator Ivan Rioufol van de krant Le Figaro was een van de eersten die zich verbaasden over de gang van zaken. Hoe tragisch de dood van Zyad en Banou in het transformatorhuisje ook moge zijn, uit een getuigenis van een vriend blijkt dat de politie hen niet op de hielen zat, zoals aanvankelijk werd gedacht. Tegen beter weten in betraden zij een levensgevaarlijke lokatie. Hun ouders zijn inmiddels door zowel premier Dominique de Villepin als door minister Nicolas Sarkozy van Binnenlandse Zaken ontvangen. En twee dagen na het incident organiseerde de buurt een stille herdenkingstocht.

'Wie bekommert zich echter om de barbarij van Epinay-sur-Seine,’ vroeg Rioufol zich af. Hij constateert dat de anti-racistische organisatie Mrap er als de kippen bij was om een traangasgranaat (die geen blijvend letsel veroorzaakt) in een moskee te bestempelen als een 'uitzonderlijk zware fout van de politie’, terwijl de organisatie geen woord vuilmaakte aan de lynchpartij van de vader die een foto maakte. Pas afgelopen zaterdag organiseerde de gemeente – een week na de herdenking voor de jongens – ook een bijeenkomst voor Irvoas.

Het geweld dat begon in de voorsteden rond Parijs en zich snel uitbreidde over het hele land, kent wel meer eigenaardigheden. Zijn de boosheid over de hoge werkloosheid, Sarkozy en het racisme eigenlijk wel de voornaamste oorzaken van het steeds zwaardere geweld in de buitenwijken, zoals vrijwel zonder uitzondering wordt gezegd en geschreven? Waarom hielden de buurten zich drie weken geleden koest en zijn ze nu niet meer te houden? Waren ze toen soms minder boos?

Hoewel werkloosheid en discriminatie belangrijke problemen zijn in de moeilijke wijken, die zeker niet moeten worden onderschat, is het een trieste realiteit dat het in brand steken van scholen, auto’s, bussen, bedrijven en cafés veel meer een uiting is van aandachttrekkerij en ordinair vandalisme, dan van een ideologische strijd voor meer rechtvaardigheid.

'Waar zijn de camera’s?’ is het eerste dat veel jongeren een journalist vragen. Voor de schrijvende pers hebben ze vaak veel minder interesse. Ze willen in de camera brullen dat Sarkozy de jongeren heeft geprovoceerd door hen 'gespuis’ te noemen. Dat hij de oorlog kan krijgen als hij die wil. Dat ze zullen doorgaan met hun vernielingen totdat Sarkozy opstapt. Het laat ze onverschillig dat hun ouders niet meer naar hun werk kunnen omdat hun bedrijf is afgebrand of omdat er geen bussen meer zijn, of dat jongere broertjes en zusjes geen boeken meer kunnen lezen op school omdat de bibliotheek is afgebrand.

Na afgelopen weekeinde lijkt het er bovendien steeds meer op dat de diverse probleemwijken in een bizarre concurrentiestrijd zijn verwikkeld. Terwijl in een wijk als Orgemont in Epinay-sur-Seine de rust enigszins is teruggekeerd, neemt het geweld ten zuiden van Parijs juist toe.

In Grigny bijvoorbeeld begon het geweld in het centrum van de voorstad. Een lagere school en een school voor voortgezet onderwijs brandden zaterdagavond deels af. Zondag, aan het eind van de middag, was het prompt de beurt aan de buurt La Grande Borne, ook in Grigny, maar aan de andere kant van snelweg. Daar kwam het tot grootscheepse gevechten tussen de oproerpolitie en de jongeren. Wat zij kunnen, kunnen wij net zo goed, zo niet beter, is de achterliggende gedachte.

Dezelfde logica lijkt te gelden voor de provinciesteden. Vrijwel elke avond bereikt het geweld weer nieuwe steden. Komen de jongeren in zo’n nieuwe geweldswijk er van de ene dag op de andere achter dat zij ook zo boos zijn dat het tot een uitbarsting komt? Nee, ze zien de beelden van rellen elders, denken dat alles is toegestaan en gaan ook auto’s verbranden. En dan maar hopen op filmploegen, of dat je jezelf stenengooiend terugziet op de voorpagina van een krant, met een vuurzee op de achtergrond.

Subtiele manier
De positie van de Franse regering is weinig benijdenswaardig. Uiteraard moet zij zo snel mogelijk een einde maken aan de onlusten, maar wel op een subtiele manier. Sarkozy’s ferme taal en zijn opmerking over het 'gespuis’ hebben bijgedragen aan de vijandige sfeer die is ontstaan ten opzichte van de Franse overheid. Kapper Bait in Epinay-sur-Seine daarover: 'Veel van die jongeren zijn wel tuig, maar een minister hoort dat niet te zeggen. Die moet niet provoceren, maar oproepen tot kalmte.’

De regering wekt de indruk ervan te hebben geleerd. Hoewel zij steeds herhaalt hoe hard het nodig is dat de orde terugkeert, is een optie als de inzet van het leger tot begin deze week nog niet in praktijk gebracht: dat zou de jongeren alleen maar provoceren tot nog meer geweld.

Bovendien loert het risico van een misser van de politie met een dode relschopper als gevolg. De kans daarop neemt toe. Enerzijds schiet een aantal jongeren met jachtgeweren op de politie, waartegen die zich moet zien te verdedigen. Anderzijds is de oproerpolitie al twee weken tot vijftien uur per dag op de been, waardoor zij het zowel fysiek als mentaal steeds zwaarder krijgt. Zo’n eventueel incident geeft de relschoppers zonder twijfel genoeg motivering om nog wekenlang door te gaan met hun acties.

Maar wat moet de regering dan? Een zoveelste 'Marshallplan’ van vele miljarden euro’s om de buitenwijken te redden? Vele miljarden verdwenen op die manier al in een schijnbaar bodemloze put. Alle journalisten de toegang tot de wijken ontzeggen? Ook lastig in een land waar persvrijheid een groot goed heet te zijn. Voorlopig hoopt president Jacques Chirac de orde te herstellen met de inzet van nog meer politieagenten, die uit andere regio’s van het land naar Parijs moeten komen.

Het is te hopen voor hem en zijn landgenoten dat die opzet slaagt, want het imago van Frankrijk loopt veel schade op. Nu afgelopen weekeinde ook al auto’s vlamvatten in het centrum van Parijs, overwegen toeristen zelfs hun reis te annuleren: Parijs wordt langzamerhand de stad van de brandende auto’s en niet langer de stad van de liefde.


'ACTIES GERICHT TEGEN EUROPA’
Filosoof Alain Finkielkraut (56) over het geweld: 'Een oorlogsverklaring aan het beste dat Frankrijk te bieden heeft’

Elsevier: Wat zijn volgens u de oorzaken van het geweld in de voorsteden?

Finkielkraut: 'Er bestaat de neiging om de gebeurtenissen te ontvluchten door naar oorzaken te zoeken. Als de relschoppers blanken waren, of skinheads, zou men eerst roepen wat voor een schandaal het is. Voor alles wil ik één ding zeggen: we hebben te maken met een gigantische anti-republikeinse pogrom. De vernielers nemen bussen, politie en brandweer als doelwit en hebben een duidelijke voorkeur voor scholen. Dat moet ons ergens aan herinneren.

'Voordat we naar oorzaken zoeken, moeten we vaststellen dat de acties huiveringwekkend zijn en niet goed te praten. Het is een oorlogsverklaring aan het beste dat Frankrijk te bieden heeft. Het geweld bestaat al sinds jaren op scholen. Grote aantallen zwarten en Arabieren zijn in een positie van culturele stilstand. Ze verwerpen wat zij leren tijdens geschiedenislessen.’

Elsevier: U gelooft dus niet in de hoge werkloosheid en het gebrekkige onderwijs als oorzaak voor het geweld?

Finkielkraut: 'Dat is absurd. Politici geven de voorsteden meer bussen, meer scholen, meer sportzalen, die de relschoppers vervolgens vernielen. Indien het recht geldt, worden de relschoppers op gepaste wijze aangepakt. Men moet “nee” durven zeggen. Als zij fascisten zouden zijn, wilde niemand met ze praten. Ze moeten niet met meer begrip worden behandeld dan voetbalvandalen.’

Elsevier: U hebt een aantal maanden geleden een petitie getekend tegen opkomend racisme tegen blanken. Zijn de rellen daar een voorbeeld van?

Finkielkraut: 'Daarover is geen twijfel mogelijk. Ze houden ons voor dat de rellen voortkomen uit sociale ongelijkheid, maar ze zijn etnisch. Ze zijn gericht tegen een vreemde samenleving, de Franse. Het probleem is dat de eerste slachtoffers de bewoners van hun eigen wijken zijn. Naar de argumenten van de relschoppers luisteren, komt neer op het overbrengen van hun boodschap. Een oproep tot moord wordt vertaald in een roep om hulp. Haat wordt vertaald als de vraag om liefde.’

Elsevier: Reageert de politiek goed?

Finkielkraut: 'De linkse oppositie probeert gebruik te maken van de situatie door minister Nicolas Sarkozy de schuld in de schoenen te schuiven. Hij had nooit het woord “gespuis” moeten gebruiken, maar om daar--om alle rellen uit te leggen als reactie tegen Sarkozy is boosaardig. Voor mensen die met scherp schieten op de politie, die jeu-de-boulesballen uit hun flat gooien, bestaan geen woorden.

'Dit is de eerste immigratiegolf die een dergelijke radicale haat uit voor het gastland. De relschoppers zijn jonge vijanden van onze wereld, en tegelijkertijd een extreme karikatuur daarvan. Merkkleding als Nike en dure auto’s zijn uiterst belangrijk voor ze. Ze willen consumeren en elk oponthoud is daarbij uit den boze. Ze vinden dat ze geen plichten meer hebben, maar slechts rechten. Het is een opstand van rechthebbenden die nu meteen toegang willen tot de debiele pleziertjes van de consumptiemaatschappij.’

Elsevier: Heeft de regering goed gehandeld?

Finkielkraut: 'De regering is zo streng als ze kan zijn. Wanneer de relschoppers gericht schieten, is dat met maar één reden: ze willen een reactie, die moet leiden tot martelaarschap. Ze willen de politie dwingen tot een exces. Die is daar niet ingetrapt. De politie is gezien de beperkte mogelijkheden bijzonder goed opgetreden.’

Elsevier: Zijn de rellen een typisch Frans fenomeen?

Finkielkraut: 'Nee. Alle integratiemodellen storten op dit moment in. Zowel het Franse als het Nederlandse. Niets werkt meer en alle westerse landen worden met problemen geconfronteerd. Als oud-kolonisator kent Frankrijk nu de grootste moeilijkheden. Daarbij komt dat wij grote voorsteden hebben, waar de minderheden vrijwel uitsluitend onder elkaar leven. Maar ik denk niet dat Frankrijk alleen staat. Het is dom zo te denken. De acties zijn gericht tegen Europa en het hele Westen.’

VAN DAG TOT DAG

Donderdag 27 oktober
Clichy-sous-Bois. Twee jongens van Marokkaanse afkomst worden geëlektrocuteerd als ze een transformatorhuisje invluchten. ’s Avonds breken rellen uit: jongeren steken auto’s en vuilnisbakken in brand.

Zondag 30 oktober
In een moskee in Clichy-sous-Bois explodeert een traangasgranaat van de politie. ’s Nachts volgen gewelddadigheden. Zes agenten raken gewond, acht auto’s gaan in vlammen op. Minister Sarkozy van Binnenlandse Zaken belooft zero tolerance.

Maandag 31 oktober
Geweld breidt zich uit naar omliggende voorsteden.

Dinsdag 1 november
Jongeren steken zestig auto’s en winkel in brand. Zero tolerance-aanpak van Sarkozy krijgt meer kritiek. Op 25 oktober, nog voor de rellen, noemde de minister de probleemjongeren in de slechte wijken 'gespuis’.

Woensdag 2 november
President Chirac maant tot kalmte. De rellen verspreiden zich naar de westkant van Parijs; zo’n twintig voorsteden zijn er inmiddels bij betrokken. Een invalide vrouw wordt met brandende benzine overgoten.

Donderdag 3 november
In voorlopig rapport wordt politie vrijgepleit van dood van de geëlektrocuteerde jongens. Achtste gewelddadige nacht volgt: vijfhonderd auto’s in vlammen.

Vrijdag 4 november
Ongeregeldheden breiden zich uit naar andere Franse steden (waaronder Lille, Rennes, Marseille, Nice en Toulouse) Er worden negenhonderd auto’s en bussen, twee crèches en een school in brand gestoken.

Zaterdag 5 november
In het hele land gaan dertienhonderd auto’s in vlammen op. Het geweld treft nu ook centrum van Parijs.

Zondag 6 november
President Chirac roept Nationale Veiligheidsraad bijeen. Veertienhonderd auto’s in brand, vierhonderd relschoppers in arrest, tientallen agenten gewond.

Maandag 7 november
Rellen eisen eerste dode: een 61-jarige man overlijdt in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. Achthonderd auto’s in brand. Premier De Villepin kondigt harde maatregelen aan, waaronder de inzet van vijftienhonderd extra politiemensen, en geeft toestemming voor het instellen van een avondklok. Verder zegt de Franse regering discriminatie, werkloosheid en slechte huisvesting onder allochtonen te willen aanpakken, onder meer door het aanbieden van werkstages. In verschillende Europese voorsteden – van Bremen, Berlijn, Brussel en Luik – zijn er opstootjes.


advertentie







advertentie