woensdag 19 april 2006 13:27
In vier jaar maakte hij meer mee dan menige voorganger. Het buitenland vindt hem aardig. Wie hem privé kent, ook. Toch komt hij niet los van zijn 'stijve’ imago. Portret van de man die in zijn jeugd graag naar gemeenteraadsvergaderingen ging en op 7 mei 50 wordt: Jan Peter Balkenende. Hoe (en waarom) een idealistische Zeeuwse jongen premier van Nederland werd.
Er werd met de vuist op tafel geslagen, de avond van 31 januari 2001 in het Italiaanse restaurant Bella Vista in Amsterdam. Daar was het bestuur van de Christen Juristen Vereniging aan het eten, zoals elk jaar na z’n vergadering. Die winteravond in Amsterdam waren de leden van het bestuur boos. Boos op hun partij, het CDA, waarmee het niet goed ging, die het slecht deed in de peilingen en die zwalkend werd geleid door Jaap de Hoop Scheffer. Het was tijd, vonden ze, om in te grijpen. En wie kon dat beter dan hun eigen, uitstekende voorzitter Jan Peter Balkenende? Advocaat Peter Ingwersen (49), die Balkenende later zou opvolgen als voorzitter van de Christen Juristen Vereniging: 'We zeiden: “Jan Peter, jij moet de macht grijpen in het CDA, want het gaat daar niet goed. Zo kan het niet langer.” We hebben toen erg op hem ingepraat.’
De Christen Juristen zijn nazaten van de mannenbroeders, veelal oud-studenten van de gereformeerde Vrije Universiteit in Amsterdam, die door de nijvere arbeid van hun voorouders werd gebouwd. Deze vereniging, tot 1997 Calvinistische Juristen Vereniging, beschouwt zich als een informele denktank voor het CDA.
Balkenende zei niet veel terug, die avond. Maar toen hij de kans kreeg om macht te verwerven, greep hij die. Anderhalf jaar later, op 22 juli 2002, werd het eerste kabinet-Balkenende beëdigd. Een klein jaar later volgde Balkenende II en inmiddels is Jan Peter Balkenende (49) al bijna vier jaar premier van Nederland.
Maar de premier is er nog niet in geslaagd een mens van zichzelf te maken. 'De ratio is buitengewoon goed ontwikkeld, het gevoelsleven toont hij amper,’ zegt voormalig CDA-partijvoorzitter Marnix van Rij. Meer dan menige premier voor hem is Balkenende het voorwerp van spot en hoon. Dat haar! Die bril! Dat snelle praten! 'Hij is geen moderne man,’ zegt oud-minister Thom de Graaf. De oud-rector van Balkenendes middelbare school, Klaas de Jong Ozn., zit weleens met kromme tenen naar de televisie te kijken. 'Dan denk ik: jongen, een paar kleine dingetjes veranderen en het gaat veel beter. Niet van die heel lange, omstandige verhalen.’
Volgens een onderzoek uit maart 2006 schaamt 49 procent van de Nederlanders zich voor hun premier. Critici vinden hem slecht te volgen, bevoogdend en vooral: emotieloos.
Het lijkt hem niet te raken: als een bad–eendje gaat hij kopje-onder, maar elke keer komt hij weer boven. Inhoudelijk sterk, qua presentatie zwak. Het gaat bij Balkenende altijd om de inhoud en veel minder om de vorm. 'Hij is vasthoudend, een doorzetter. Hij probeert altijd te blijven staan. Het is luctor et emergo,’ zegt Balkenendes broer Roland met een verwijzing naar de Zeeuwse wapenspreuk. 'Hij heeft absoluut de intellectuele capaciteiten om premier te zijn, maar gevoel om zich te presenteren heeft hij niet,’ zegt Jan Bank (65), emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden en in de jaren negentig, tegelijk met Balkenende, raadslid te Amstelveen, maar dan voor de PvdA. Al zijn 'gewone’ Nederlanders die hem meemaakten, het daar niet mee eens. 'Balkenende ging op straat gewoon de confrontatie aan met mensen. Hij luisterde naar iedereen. En hij gaf ook antwoord op een normale manier, zonder moeilijke woorden,’ zegt sigarenhandelaar Gert Weterings, die met de premier sprak tijdens een werkbezoek.
Binnenkort, op 7 mei, wordt Balkenende 50. Dat is hem niet aan te zien. Of het door dat altijd naar voren vallende haar komt, door dat lichtelijk studentikoze brilletje, dat haastige, ademloze praten, die opgewekte lichaamshouding en de onopvallende pakken, Balkenende heeft iets jongensachtigs gehouden, een jeugdig air van altijd tegen de wind in fietsen, maar toch monter blijven. Het zit even tegen, maar moet je zien waar we heen gaan!
In die vier jaar heeft Balkenende meer meegemaakt dan veel premiers voor hem: de opkomst en even plotselinge ondergang van een compleet nieuwe politieke partij, problemen rond het koningshuis, de nasleep van de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh, de dreiging van het terrorisme. Hij heeft verkiezingen gewonnen: twee landelijke in 2002 en 2003, de Europese en de statenverkiezingen in 2004. Maar hij verloor de strijd om de Europese Grondwet in 2005 en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006.
De premier van Nederland houdt van snelle auto’s, van de musical Mamma Mia!, die hij met zijn dochter Amélie (7) diverse keren bezocht, van de gladde muziek van Céline Dion, van de ziekenhuisserie ER. Balkenende is de premier van de provincie: hij heeft altijd in de periferie van de grote stad gewoond. Misschien dat opinieleiders en de bewoners van de 'grachtengordel’ hem om die reden weleens minachten.
Voorzichtig, koppig, onopvallend, ijverig, braaf, intelligent, gedreven, stabiel, een tikje ouderwets, maar vooral onverstoorbaar en vol zelfvertrouwen gaat Balkenende door op de smalle weg die hij heeft gekozen, op naar een beter Nederland, een land waarin burgers betrokken zijn bij elkaar en bij de politiek, een land met blije inwoners van alle mogelijke kleuren en achtergronden, een oecumenisch paradijs. 'Ik wil Nederland terug als het land waar mensen elkaar respecteren, waar burgers zich kunnen verplaatsen in anderen, waar eenheid in verscheidenheid ontstaat. Verscheiden op grond van afkomst, religie en cultuur,’ zei de premier eind vorig jaar in Elsevier.
Van jongs af aan is Balkenende ervan overtuigd dat een samenleving alleen maar kan floreren als de burgers in principe hun eigen zaakjes regelen en de staat zich terughoudend opstelt. Hij groeide op met het voorbeeld van de betrokken burgers: zijn ouders zaten in talloze besturen en commissies.
Over het begrip van de verantwoordelijke samenleving schreef hij talloze artikelen. Hij bouwde daarbij voort op de idee van 'soevereiniteit in eigen kring’, dat werd ontwikkeld door de protestantse politicus Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876), sterk is gepropageerd door de calvinist Abraham Kuyper (1837-1920) en dat nu civil society wordt genoemd. Keer op keer beschrijft hij, jammergenoeg in taai proza, hoe de ideale samenleving er volgens hem moet uitzien. Door premier te worden, heeft hij de kans gekregen dat ideaal te verwezenlijken. Tegenslagen lijken hem daarbij niet te deren. Of hij nu, zoals in zijn arme studententijd, bij de steile Van Brienenoordbrug niet meer verder kon rijden wegens gebrek aan benzine, of decennia later het referendum om de Europese Grondwet verliest, Balkenende houdt blijmoedig vol.
Over geluk heeft Balkenende in zijn leven niet te klagen gehad. Maar met alleen geluk blijft niemand premier. Daarvoor is ook slimheid, zelfbeheersing en een zekere uitgekooktheid nodig. 'Je moet Balkenende niet onderschatten,’ zegt voormalig CDA-partijvoorzitter Marnix van Rij, die zelf de nodige politieke ervaring heeft. 'Je moet met macht kunnen omgaan, anders word je geen premier. Hij is toch een stille Machiavelli. Die ik overigens bewonder.’ Jack de Vries, tot begin 2006 politiek assistent van Balkenende en nu campagneleider, zegt: 'Het is een hard vak. Je moet wel ambitie hebben.’
De gereformeerde Zeeuw Balkenende is onverzettelijk: hij wordt wel omschreven als een blok graniet, heeft een heel duidelijk doel voor ogen en daaraan werkt hij dagelijks. Dat onverzettelijke heeft zeker te maken met zijn afkomst uit het grotendeels protestante Zeeland. Dat betekent: hard werken en gewoon doen, direct zijn, no-nonsense. Woekeren met de van God gegeven talenten en de handen uit de mouwen steken waar dat maar kan. Zware klei, imponerende luchten, een vlak land: de natuur dwingt tot nederigheid in Zeeland. Maar in Balkenendes geval is dat de nederigheid van de uitverkorene, van het werktuig in Gods hand. 'Gereformeerden zijn niet zo bescheiden, hoor,’ zegt Balken–endes vriend Ab Klink, Eerste-Kamerlid voor het CDA en directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. 'Die hebben een missie.’ Balkenende is gelovig, al is hij niet iemand die steeds met bijbelteksten zwaait. Al lijkt het soms, als je hem hoort praten over het zoet na het zuur, over het vertrouwen dat we moeten hebben in zijn beleid, alsof Mozes het onwetende volk Gods door de woestijn naar het beloofde land leidt.
Jan Peter Balkenende werd geboren op 7 mei 1956 in het Biezelingse deel van de Zuid-Bevelandse gemeente Kapelle-Biezelinge, twee samengevoegde dorpen. Hij werd Jan Pieter genoemd, naar zijn vader. Zijn ouderlijk huis, witgepleisterd en vrijstaand, met gezellige planten, staat vlak bij de twee 'attracties’ van het dorp: om de hoek ligt de begraafplaats en iets verderop is het Fruitteeltmuseum. Maar dat stond er in 1956 nog niet. De schrijfster Annie M.G. Schmidt kwam ook uit Kapelle-Biezelinge, maar zij had een hekel aan wat ze 'domineesland’ noemde. Balkenende niet, hij vond het er heerlijk. Later, als student, zou hij in de studentenvereniging het Zeeuwsch Genootschap oprichten met als leus: bolus est bonus, de (Zeeuwse) bolus is goed. Niemand zong het Zeeuwse volkslied dan zo hartstochtelijk mee als hij.
Geen dierder plek voor ons op aard,
Geen oord ter wereld meer ons waard,
Dan, waar beschermd door dijk en duin,
Ons toelacht veld en bosch en tuin;
Waar steeds d’aloude Eendracht woont,
En welvaart ’s landsmans werk bekroont,
waar klinkt des Leeuwen forsche stem;
Ik worstel moedig en ontzwem!
Balkenendes jeugd, hij heeft twee jongere broers, Roland (48) en Ernst-Jan (46), was idyllisch en oer-Hollands. Het was een jeugd van fietsen over de dijk, van gezellig aan tafel zitten, van opgewonden discussies. De broers waren oppassende jongens: er werd niet stiekem geblowd of langdurig uitgegaan. Bij wijze van ontspanning bezocht Balkenende de vergaderingen van de gemeenteraad. Als jongen las hij geen romans, maar geschiedenisboeken en tijdschriften. Later, toen hij student was, maakte het boek Moed en karakter in de politiek (1955) van John F. Kennedy grote indruk op hem. Hij verwijst ook nu nog regelmatig naar dat werk. In Moed en karakter portretteert Kennedy een aantal Amerikaanse politici die de moed hadden voor hun idealen te kiezen, ook als dat ze hun carrière kostte. 'Daarover hadden we het,’ zegt broer Roland. Hij woont al jaren in de Verenigde Staten en is directeur van een van de vier global business units van Tenaris, de grootste buizenfabrikant ter wereld. Jongere broer Ernst-Jan is logistiek manager geworden. 'Kennedy was een jonge kerel, die een verrassende verkiezingswinst boekte. In hem moet hij later iets van zichzelf hebben gezien.’
Het wel en wee van de samenleving was belangrijk in het gezin. Vader Balkenende, geboren op 2 juli 1929, een stille, rustige man, had een bedrijf in granen en peulvruchten. Balkenendes moeder, Thona Sandee (7 oktober 1930), druk en extravert, prominent aanwezig en zelfbewust, stopte met haar werk als onderwijzeres toen ze trouwde en besteedde veel tijd aan besturen en liefdadigheid. Zuid-Beveland, gelegen tussen de Ooster- en de Westerschelde, was altijd een welvarend deel van Zeeland en daarom hebben de inwoners van die streek weleens de neiging zich een tikje beter te voelen dan de andere Zeeuwen.
De liefde voor Zeeland ging zover dat zelfs het zomerhuisje dat de familie al veertig jaar heeft ook in Zeeland staat, in Zoutelande, 40 kilometer verder, op het voormalig eiland Walcheren. Een uiterst harmonieuze jeugd, 'extreem gelukkig,’ zegt Ro–land, zonder het gebruikelijke verzet tijdens de puberteit, zonder woelige periodes waarin groots en meeslepend moest worden geleefd.
’s Zomers hadden de broers bijbaantjes, ze deden plaatselijk schilderwerk of werkten in de fruitteelt. Een beetje doelloos rondhangen was er niet bij. ’s Zondags gingen ze naar de kerk, maar niet altijd dezelfde. Liefst naar een kerk met een stevige dominee, waar goed werd gepreekt. Dat kon dan ook weleens de hervormde kerk zijn. 'We zijn niet dogmatisch of kerkig opgevoed,’ zegt Roland Balkenende, die erg op zijn oudere broer lijkt en af en toe een licht Amerikaans accent heeft.
André van Loon (48), bioloog, was bevriend met Roland en kwam vaak op zaterdagavond bij de familie Balkenende thuis. Soms keken ze televisie, maar vaker nog werd er gediscussieerd over actuele maatschappelijke en politieke onderwerpen. 'Jan Peter had altijd het hoogste woord,’ zegt Van Loon. Broer Roland kan zich 'fijne gesprekken over Den Uyl en over kraken’ herinneren. Veel andere vriendjes kwamen er niet over de vloer, en zeker geen vriendinnetjes. 'Het was een heel hecht gezin,’ zegt Van Loon. ’s Winters gingen ze skiën in Oostenrijk, ’s zomers naar Spanje. In 1973 ging André van Loon met Roland en Jan Peter op een fietsvakantie, twee weken langs jeugdherbergen. 'We zijn tot Monschau in Duitsland gekomen.’
Balkenende werd thuis op handen gedragen. Zijn ouders waren dol op hem en zijn broers, en dat heeft hem veel zelfvertrouwen gegeven. Jan Peter en Roland waren erg op elkaar gesteld. 'We waren altijd samen,’ zegt Roland. 'We zijn ook nooit jaloers op elkaar geweest.’
Balkenende ging in 1968 naar het Christelijk Lyceum voor Zeeland in Goes, dat nu het Buys Ballotcollege heet. De rector van zijn school was toen Klaas de Jong Ozn. (80), vader van schrijver Oek de Jong en van 1975 tot 1981 staatssecretaris voor voortgezet onderwijs in de kabinetten-Den Uyl en Van Agt/Wiegel. Hij kan zich Balkenende herinneren als een gewone, open, prettige leerling zonder opvallende eigenschappen. 'Een wat slungelige jongen, redelijk sportief. Jan Peter was een van de eerste Mammoetleerlingen. Het atheneum deed hij moeiteloos.’ Toen De Jong Balkenende jaren later op de Vrije Universiteit tegenkwam, vertelde Balken–ende meteen dat zijn beide studies, rechten en geschiedenis, zo goed gingen. De dochter van De Jong zat drie jaar in dezelfde klas als Balkenende, maar zij kan zich niet meer van hem herinneren dan dat ze klasgenoten waren.
In 1974 deed Balkenende eindexamen en vertrok naar Amsterdam om daar geschiedenis te gaan studeren, uiteraard aan de Vrije Universiteit. Daar ging je nu eenmaal heen als je gereformeerd was. Ook werd hij lid van een studentenvereniging, Liber, en daarbinnen van een jongensdispuut genaamd PASCAL. In datzelfde jaar fuseerde een aantal disputen van Liber met de studentenvereniging van de Vrije Universiteit, Institutio Amicitiae Nostrae. Zo maakten de leden kennis met het 'echte’ studentenleven van bierdrinken en 'zooien’, vechten.
PASCAL was geen oud, traditioneel dispuut. 'Maar we hadden het wel erg leuk met elkaar,’ zegt Bernard Prins (49), partner bij accountantskantoor PricewaterhouseCoopers en dispuutgenoot van Balkenende. Balkenende viel ook hier niet echt op en wordt omschreven als 'een aardige, bescheiden jongen’. 'Pascalieten’ waren serieuze jongens die niet veel dronken en ijverig studeerden. Ze hadden vaste bezigheden: wekelijks kwamen ze bijeen in café Rooie Nelis in de Jordaan. En elk jaar werd deelgenomen aan het défilé op paleis Soestdijk ter gelegenheid van de verjaardag van de toenmalige koningin Juliana en werd een vissenkom met goudvissen overhandigd: die kon niet achter de spreekwoordelijke rododendrons worden gegooid. Toen de film Juliana in zeventig bewogen jaren in première ging, zat het voltallige dispuut in de bioscoop.
Het dispuut cultiveerde de gereformeerde afkomst. Wanneer ze een weekend weggingen met elkaar werd op zondagochtend vroeg een plaat met psalmen opgezet. Keihard. Op datzelfde moment bloeide de kraakbeweging in alle hevigheid en werd in Amsterdam regelmatig slag geleverd met de politie.
Dat Zeeuwsch Genootschap richtte Balkenende in 1979 op samen met dispuutgenoot Wim van Liere (49), manager marktmanagement van het Zeeuwse energiebedrijf Delta. Eens per jaar reed een vrachtwagen met mosselen voor op het adres van de studentenvereniging, Herengracht 384 in Amsterdam, en dan werd het Zeeuws volkslied gezongen. Balkenende kende alle coupletten. 'Dat vond hij heel erg leuk. Jan Peter was rustig, niet brallerig. Hij werd nooit geagiteerd en kon tijdens vergaderingen soms zeer langdurig het woord nemen.’ Balkenende had het erg naar zijn zin in het jongensdispuut PASCAL. Ook nu nog is zijn wereld er een van mannen. Afgezien van zijn naaste familie zijn er amper vrouwen in Balkenendes leven te vinden.
Het dispuut zwijmelde met het mannenbroedersgevoel. Het belang van de gereformeerde zuil was groot, en studenten waren er trots op als bij hen thuis het groene busje had gestaan waarmee voor de bouw van de VU werd gecollecteerd. In 1976 werd Balkenende preses, voorzitter, van zijn dispuut, en in 1978 lid van de jongerenafdeling van het CDA, het CDJA. Hij hield die werelden streng gescheiden; in het dispuut merkte niemand ooit iets van politieke ambities of een sterke maatschappelijke belangstelling. Ook niet van interesse voor meisjes trouwens, terwijl een studentenvereniging toch vaak een verkapte huwelijksmarkt is. Balkenende, die nooit in de grote stad heeft gewoond, afgezien van zijn huidige pied-à-terre in Den Haag, woonde in de studentenflat Uilenstede in Buitenverdert, ver buiten het Amsterdamse centrum. In die toch al kleine kamer nam zijn racefiets veel ruimte in beslag. Zijn broer Roland woonde op dezelfde gang van Uilenstede.
Waren er toen meisjes in Balkenendes leven? 'Hij lag zeker niet elk weekend te rollebollen,’ zegt Roland. 'Of hij ooit verliefd was, weet ik niet,’ zegt dispuutgenoot Bernard Prins. 'Daar spraken we niet over. Het contact was zakelijk, hartelijk, maar niet intiem.’ Jan Peter en zijn broer Roland, die econometrie deed, waren het liefst met de studie bezig, ze vonden een weekend weg met het dispuut eigenlijk maar een lastige verstoring van hun nijvere werk–ritme. Dronken was hij nooit.
In 1979 besloot Balkenende om, naast de toen al bijna afgeronde studie geschiedenis, ook rechten te gaan studeren. Hij kreeg een studentenassistentschap aangeboden bij hoogleraar staatsrecht Johan Prins (81). 'Balkenende maakte op mij,’ zegt Prins, 'geen bijzonder ambitieuze indruk. Hij was een onopvallende jongen, een brave student. Heel toegewijd. Ik liet hem onderzoekjes doen naar zaken uit de parlementaire geschiedenis, en dat deed hij heel goed en helder. Hij was wel voorzichtig. Ik dacht soms: je kunt best een stapje verder gaan. Degelijk, betrouwbaar, veel verantwoordelijkheidsbesef. Een echte gereformeerde jongen.’
Met studiegenoot Peter Ingwersen, die hem veel later zou opvolgen als voorzitter van de Christen Juristen Vereniging, schreef Balkenende een werkstuk over bestuursrecht. Ze spraken af elkaar wekelijks te ontmoeten en dan steeds om en om een hoofdstuk te schrijven. 'De eerste keer leverde ik, volgens afspraak, hoofdstuk 1 in en hij kwam met hoofdstuk 2 en zei toen, “Ach, ik was toch bezig, ik heb hoofdstuk 3, 4, 5 en de rest ook maar geschreven.” Was het hele werkstuk in één keer af – en goed ook. Ik was opgelucht – het scheelde veel tijd – maar ook een beetje gegeneerd,’ zegt Ingwersen.
In 1982 deed Balkenende zijn doctoraal examen rechten, het tweede na het doctoraal geschiedenis in 1980. En in 1982 werd hij lid van de Amstelveense gemeenteraad en betrok hij een flat aan Meander, gelegen langs de A9 in Amstelveen. Een strakke, witte, modern ingerichte flat, die hij eigenhandig op vrijdag grondig reinigde. Voor de grotere klussen was hij te onhandig, dan moest er een broer langs komen. Balkenende was altijd aan het werk. Ook op zaterdag. De periode in de Amstelveense gemeenteraad was zijn kennismaking met het politieke handwerk. Amstelveen was zijn politieke laboratorium.
De Amstelveense gemeenteraad is een raad op niveau. Amstelveen, een gemeente met tachtigduizend inwoners, ligt ten zuiden van de hoofdstad en dient vaak als 'overloop’-gemeente. Wie niet in het dure Amsterdam-Zuid of in Centrum kan wonen, en meer ruimte wil omdat er kinderen komen, gaat vaak naar Amstelveen. Er wonen veel academici die werken aan de Vrije Universiteit en veel goedverdienende expats. Er zaten ook toen al vaak gestudeerde mensen in de raad, maar zelfs in dat gezelschap viel Balkenendes scherpe geest op. 'Hij werd gezien als een high potential,’ zegt Casper Stevens (55), oud-raadslid en oud-wethouder voor het CDA te Amstelveen. 'Ik vond hem wel ministeriabel. Hij was lange tijd de jongste van de fractie, maar door zijn kennis en vaardigheden had hij wel een soort overwicht.’
Net als in zijn dispuuttijd schroomde Balkenende niet om lange betogen te houden waarbij hij gebeurtenissen in de wereld moeiteloos wist te verbinden met wat er in Amstelveen aan de hand was. Zijn studentikoze, ietwat goeiige gevoel voor humor bleef. Van een van zijn reizen naar Singapore, waar broer Roland inmiddels was gaan werken, had hij een klein televisietje meegenomen. Daarop keek hij weleens, met een knopje in zijn oor, tijdens zittingen van de gemeenteraad naar voetbalwedstrijden. Hij hield de andere raadsleden dan op de hoogte van de stand.
Beroemd in Amstelveen werd Balkenende met de 'krokettenmotie’ uit 1993: de nog steeds geldende regel dat er kroketten worden uitgedeeld op raadsvergaderingen die langer dan tot 11 uur duren. Dat is dan meteen een van de weinige concrete voorbeelden van Balkenendes gevoel voor humor. Iedereen die Balkenende kent, of ooit met hem heeft gesproken, roemt zijn geestigheid. Die wordt afwisselend 'studentikoos’, 'subtiel’, 'typisch gereformeerd’ of 'Engels’ genoemd. Dat gevoel voor humor lijkt vooral op te bloeien wanneer Balkenende in kleine kring is, zodat maar weinigen er iets van merken. In 2002, jaren na de fameuze krokettenmotie, stuurde Balkenende op de vooravond van de val van zijn eerste kabinet namens de voltallige ministerraad een melig kaartje aan de Tweede Kamer, die bezorgd was over de strijd tussen minister van Economische Zaken Herman Heinsbroek en vice-premier Eduard Bomhoff, beiden van de Lijst Pim Fortuyn. De Tweede Kamer kreeg de groeten via een ansichtkaart, ondertekend door alle ministers 'in gezamenlijkheid en eenheid’. Zelfs vrienden van Balkenende vonden dat op dat moment ietwat misplaatst.
In de raad hield Balkenende zich bezig met de jaarlijkse begroting. Hij nam de gelegenheid te baat om het toen zittende paarse kabinet flink te kritiseren. In 1995 vond hij 'de Troonrede een vlak verhaal, zonder bezieling’. En in datzelfde jaar citeerde hij met instemming Pim Fortuyn: 'De rebel van de Nederlandse natie Pim Fortuyn schrijft in zijn nieuwste boek De verweesde samenleving dat wij van een nijver en godvruchtig volk veranderd schijnen te zijn in een anti-autoritair en calculerend volk van individualisten. Is zo’n samenleving de naam “samenleving” wel waard? Wordt het geen tijd, zo vraagt Fortuyn, voor een nieuwe set waarden en normen, die grenzen stelt aan onze grenzeloosheid?’ Fortuyn kwam in die tijd ook wel in het Wetenschappelijk Instituut om er boeken te lenen.
Balkenende was links, of althans linksig. Hij hekelde de technocratische, egoïstische opstelling van het kabinet. 'Armoede is in ons land duidelijk aanwezig. Steeds meer worden, onder de zalvende formuleringen van marktwerking, individuele keuzevrijheid en dynamiek, rechten van mensen beknot. De afschaffing van de Ziektewet, waartegen van zo veel kanten is gewaarschuwd, leidt tot rechteloosheid van werknemers met wie maar even iets aan de hand is.’
Balkenendes eerste baan was als beleidsmedewerker Juridische Zaken, bureau Academische Raad, van 1982 tot 1984. Daarna werd hij stafmedewerker bij het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Daar legde hij de basis van zijn latere ideeën. Het Wetenschappelijk Instituut onderscheidt zich van oudsher van een wetenschappelijk bureau als de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, die als een luis in de pels van de PvdA fungeert. Bij de CDA-denktank zijn de ideologen nauw verbonden met de partij. Ze zijn actief in allerlei partijorganen en nemen een groot deel van het schrijfwerk, zoals dat voor het verkiezingsprogramma, voor hun rekening.
Talloze, uiterst serieuze, artikelen schreef Balkenende: 'Om het bestaansrecht van maatschappelijke organisaties: de spanning tussen identiteit en schaalvergroting.’ 'Over verantwoordelijkheid en economie: wat nu?’ 'Verantwoordelijkheid en recht’, en zo zijn er nog tientallen. Hij werkte ook aan zijn proefschrift over bestuursrecht.
Balkenende was erg op dreef als secretaris van de commissies van het Wetenschappelijk Instituut. Hij imponeerde door zijn kennis van zaken, ijver en vermogen om bruggen te slaan. En hij profiteerde van de problemen van het CDA. Door de electorale terugval en de oppositierol in de jaren negentig ontstond vraag naar een scherper ideologisch profiel en gedachtevorming over de fundamenten van de christen-democratie. Het Wetenschappelijk Instituut voldeed met verve aan deze vraag met een stroom aan rapporten. Het ontwikkelde een eigen christen-democratische visie die zich wezenlijk onderscheidt van het liberalisme en het socialisme. Daarbij werd een poging ondernomen de verschillende 'bloedgroepen’ in de gelederen van het vrij jonge CDA met elkaar te verzoenen en klassieke beginselen als subsidiariteit (katholiek) en soevereiniteit in eigen kring (protestants) te actualiseren. Toverbegrip en centraal concept werd de 'verantwoordelijke samenleving’.
'We hadden het idee dat we een idealistische voorhoede waren,’ zegt Theo Brinkel, collega van Balkenende op het Wetenschappelijk Instituut. 'Er was duidelijk behoefte aan een filosofisch idee. We werkten met studieclubs waarin allerlei mensen uit de samenleving zaten, en de eerste waar Jan Peter aan meedeed, heette “Werkloosheid en de crisis in de samenleving”. We zijn het een beetje vergeten, maar er heerste een grote recessie begin jaren tachtig. Dat heeft ons allemaal zeker gevormd.’
Het probleem van de liberalen in de ogen van Balkenende en de zijnen is dat zij zich te veel richten op het individu en diens vrijheid verabsoluteren. Door hun individualisme dragen zij bij aan de 'atomisering’ van de samenleving: burgers streven in alle vrijheid hun eigen belang na, waarbij het amorele marktmechanisme hun activiteiten coördineert. De maatschappelijke samenhang dreigt hierdoor verloren te gaan. De vrije markt ondermijnt traditionele verbanden en biedt geen zedelijk kompas.
Het probleem van de sociaal-democraten is dat zij alle heil verwachten van de staat. Zij spelen een nuttige rol bij het indammen van de vrijheidsdrang van de naïeve liberalen, maar denken dat de overheid zowat alle sociale ongemakken uit de weg kan ruimen door de burger van de wieg tot het graf te verzorgen. Dit leidt tot een overbelast staatsapparaat dat veel te veel hooi op zijn vork neemt en elk particulier initiatief ontmoedigt. Door het oprukken van welzijnswerkers en andere professionele hulpverleners verliezen het gezin en andere vrijwillige verbanden aan invloed. De burger dreigt een speelbal te worden van de anonieme machten van de verzorgingsstaat, die zich met van alles en nog wat bemoeit.
De christen-democraten hebben helaas meegewerkt aan de afbraak van het maatschappelijk middenveld door allerlei organisaties afhankelijk te maken van overheidsgeld. Deze stelling wordt onderbouwd in het proefschrift waarop Balkenende in 1992 promoveerde, Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. De promovendus liet hierin zien dat het terugtreden van de, mede door katholieken en protestanten bestierde, overheid in de voorgaande jaren vooral voortvloeide uit financiële nood. Een geloof in de waarde van zelfregulering speelde nauwelijks mee. Maar ook als er geen directe noodzaak bestaat voor bezuinigingen, moet de overheid terughoudend zijn. Voorop dient te staan de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke groeperingen.
Balkenende stelde zich principiëler op dan zijn leermeester en voorbeeld Jelle Zijlstra. Hij bewonderde de ARP-voorman om diens zuinigheid en soberheid, en streven om, tegen de sociaal-democratische verdrukking in, de overheidsfinanciën op orde te brengen en te houden. Maar Balkenende heeft altijd meer willen zijn dan een solide financier, namelijk een ideologische voorstander van een bewust beperkte overheid. Het primaat ligt bij traditionele gemeenschappen, zoals het gezin, de kerk, de vakbond, de sportvereniging. Daar vinden individuen beschutting en leren ze tegelijkertijd om zich in te zetten voor anderen. Zijlstra toonde weinig belangstelling voor verhalen over sociale cohesie en normen en waarden.
'Jonge honden waren we,’ zegt Theo Brinkel als hij terugdenkt aan de periode dat hij en Balkenende tegelijkertijd op het Wetenschappelijk Instituut werkten. De katholieke Brinkel (47), nu Tweede-Kamerlid voor het CDA, heeft in zijn werkkamer een groot beeld staan van Franciscus van Assisi. Alleen leest die niet in de Bijbel maar in het CDA-programma. 'Een idealistische voorhoede. Wij moesten het ideologische fundament van het CDA bouwen. We zagen toen al dat de verzorgingsstaat zijn langste tijd had gehad. Dat was destijds best revolutionair. We vroegen ons af: pikt de samenleving wel op wat we willen? Want we zaten destijds nog vastgebakken aan die verzorgingsstaat.’ Of de samenleving de christen-democratische boodschap ten volle heeft opgepikt, twintig jaar nadat de 'jonge honden’ van het Wetenschappelijk Instituut begonnen te morrelen aan de beginselen van die verzorgingsstaat, valt te betwijfelen.
Toen Balkenende bij het Wetenschappelijk Instituut werkte, leerde socioloog Anton Zijderveld (68) hem kennen. Hij schreef in 1981 met Hans Adriaansens het boek Vrijwillig initiatief en de verzorgingsstaat over de erosie van het maatschappelijk middenveld. Hij werd uitgenodigd om een lezing te houden op het Wetenschappelijk Instituut. Tot zijn verbazing, 'want ik ben agnost en geen CDA-man’. Daar ontmoette hij Balkenende, Ab Klink en Theo Brinkel. Zijderveld vond het tussen die jonge politieke ideologen leuker dan tussen zijn eigen vakgenoten. 'Ik noem–-de mezelf daar de ideeënman. Jaap de Hoop Scheffer, die in 1997 fractievoorzitter werd van het CDA, had een groepje om zich heen verzameld en eens in de drie maanden aten we in het Utrechtse Grand Hotel Karel V. Daar zat Balkenende bij, verder Ab Klink, Ernst Hirsch Ballin (oud-minister van Justitie – LW). De Hoop Scheffer had behoefte aan een ideologische basis van de partij.’
Balkenende werkte hard, zelfs op zaterdag was hij bereid lezingen te geven, maar er was ook tijd voor ontspanning. Zo had het hele gezelschap in 1989 een feestelijk uitje naar het Amsterdamse Stedelijk Museum waar een tentoonstelling was van de Russische abstracte schilder Kazimir Malevich. 'Toen gingen Jan Peter en ik spontaan,’ zegt Theo Brinkel, 'het jargon van kunsthistorici nadoen. Op zo’n zalvende toon. “Die streep daar, die staat daar niet zomaar…” En ga zo maar door. Voor we het wisten had zich een groep nietsvermoedende bezoekers om ons heen gevormd die het reuze interessant vonden. Die dachten dat we echte gidsen waren! We ontsnapten en moesten buiten ontzettend lachen.’ Ook met Theo Brinkel had Balkenende een naar het schijnt verpletterende act als Die zwei Simmen, een fictief en zwaar aangezet folkloristisch Zwitsers duo dat uit het even fictieve Simmental zou komen.
Brinkel kwam weleens thuis bij Balkenende in diens smetteloos witte Amstelveense flat. Daar ontving Balkenende vaker collega’s, om bijvoorbeeld dia’s van zijn reizen naar verre landen te laten zien. Maar waar Brinkel en andere collega’s trouwden en kinderen kregen, wist niemand iets van het privéleven van Balkenende. Had hij dat eigenlijk wel? In de Amstelveense gemeenteraad heerste weleens wat bezorgdheid over dit onderwerp. Rob van de Kamp (66), raadslid en wethouder in de gemeenteraad voor D66, vertelt dat iedereen een zucht van verlichting slaakte toen eindelijk Bianca Hoogendijk verscheen. Volgens Brinkel werd Balkenende door de secretaresses op het Wetenschappelijk Instituut flink geplaagd met zijn vriendin. Hij deed er geheimzinnig over. Balkenendes vriend en collega Ab Klink wist ternauwernood van Bianca’s bestaan tot er plotseling een trouwkaart in de bus viel. Net zomin als zijn dispuutgenoten wisten dat Balkenende meer dan gemiddelde maatschappelijke en politieke belangstelling had, wist iemand op Balkenendes werk dat hij trouwplannen had. 'Hij was altijd heel gesloten over zijn persoonlijke leven. Hij is ook wel iemand die de werelden waarin hij leeft, streng gescheiden houdt. Wij dachten: Balkenende is gewoon de eeuwige vrijgezel.’ Hij heeft ook weleens gezegd dat hij het als man alleen prima naar zijn zin had.
Balkenende leerde Bianca Hoogendijk kennen in 1988, toen ze beleidsmedewerker was bij de CDA-kamerfractie. Ze trouwden in 1996. De huwelijksreis ging naar Zuid-Afrika, zodat de bruidegom nog een congres kon bezoeken dat was georganiseerd aan de Christelijke Hogeschool van Potchefstroom. Bianca Hoogendijk (45) doceert arbeidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en houdt zich verre van alle publiciteit. De verschijning van een verwarde man met een mes, die in 2003 op de stoep van huize Balkenende stond, zal haar terughoudendheid alleen maar hebben vergroot. In 1999 werd dochter Amélie geboren, en in dat jaar, drie jaar na de huwelijksvoltrekking, ging het altijd drukke echtpaar ook voor het eerst samenwonen, in Capelle aan den IJssel.
Marnix van Rij (45), partner bij Ernst & Young belastingsadviseurs en partijvoorzitter van het CDA van 1999 tot 2001, kan zich herinneren dat hij 'aangenaam verrast’ was toen hij mevrouw Balkenende voor het eerst ontmoette. 'Bianca is knap en aardig, charmant, ze heeft klasse. Dat zegt toch ook iets over Jan Peter.’
In de jaren bij het Wetenschappelijk Instituut verdiepte Balken–ende zich grondig in het christen-democratische gedachtegoed. Hij kreeg grote belangstelling voor het communitarisme, een uit de Verenigde Staten overgewaaide politieke stroming die in de jaren negentig furore maakte. De communitaristen en de christen-democraten vinden elkaar in hun gedeelde zorg over de desintegratie van de moderne maatschappij. Ze wilden een tegenwicht bieden tegen de individualisering door een herwaardering te bewerkstelligen van de gemeenschap waarvan individuen deel uitmaken. Zij keren zich, net als de christen-democraten, tegen de liberale opvatting dat de staat zich niet moet uitspreken over de opvattingen die individuen aanhangen over het goede leven. Door die neutraliteit zou de staat verzuimen burgers aan te sporen tot een deugdzaam leven, en zo de basis van de goede samenleving ondermijnen.
Boegbeeld van deze denkers is de Amerikaanse socioloog Amitai Etzioni (77), wiens werk een belangrijke inspiratiebron vormt voor Balkenende, maar ook voor de Britse Labour-leider Tony Blair. Balkenende heeft Etzioni’s The Golden Rule herhaaldelijk zijn 'favoriete boek’ genoemd, en hij spreekt de Amerikaanse denker diverse keren per jaar.
Het uitgangspunt van Etzioni is de bijbelse wijsheid dat wij elkaars hoeder zijn. We zijn allereerst zelf verantwoordelijk voor het oplossen van onze problemen en die van onze naasten. Verantwoordelijkheden moeten, zegt Balkenende in navolging van Etzioni, worden teruggegeven aan maatschappelijke organisaties (de civil society). De overheid moet functioneren als 'partner van de samenleving’, niet als de grote regisseur die alles bedisselt. De te grote overheidsinvloed in bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs 'doodt vitaliteit, drukt de deskundigheid en betrokkenheid weg’.
Uit deze analyse volgt een duidelijk advies: geef maatschappelijke organisaties zo veel mogelijk ruimte en faciliteiten. Laat de overheid niet al het geld voor ontwikkelingshulp besteden, maar steun particuliere organisaties die een bijzondere band hebben met levensbeschouwelijke stromingen. Geliefd bij Balkenende, een tijdje vice-voorzitter van de NCRV, zijn ook de publieke omroepen, omdat ze, als het goed is tenminste, niet domweg inspelen op de behoefte van de consument aan zorgeloos vertier, maar de burger in cultureel opzicht willen stimuleren en verheffen. Zulke normerende, moraliserende instanties zijn van groot belang, zeker nu de invloed van pastoor en dominee sterk is geslonken. Zij kunnen normen en waarden bijbrengen en op die manier sociale ontsporingen helpen voorkomen. Veiligheid is niet alleen een kwestie van meer blauw op straat, maar vooral van meer gemeenschapszin en een sterkere sociale controle.
Christen-democraten zoeken een middenweg tussen overheid en markt, tussen staatsdwang en commercie. Zij distantiëren zich ideologisch zowel van liberalen als van sociaal-democraten. Onder Arie Oostlander, de directeur die Balkenende aannam, nam het Wetenschappelijk Instituut vooral de VVD onder vuur. Oostlander noemde de liberalen de 'erfvijanden van de christen-democratie’ en leek van de denktank een linksig orgaan te hebben gemaakt. Maar Balkenende constateerde dat de eeuwige slinger tussen markt en staat onder Paars te ver doorsloeg richting overheid (centraal thema in Balkenendes boek uit 2002, Anders en beter) en vindt een verstandshuwelijk met de VVD het meest opportuun. Hoewel van echte liefde geen sprake is.
Op 21 februari 1992 promoveerde Balkenende op een proefschrift getiteld Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. Zijn broers waren paranimf. ’s Avonds gaf de jonge doctor een diner in Amstelveen in Résidence Fontaine Royale. Balkenendes promotor, Hendrik Jan de Ru, hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit en advocaat bij Allen & Overy, vond hem de ideale promovendus. 'En ik heb er veertien gehad. Veel promovendi hebben een dip na een jaar of twee, soms houden ze er na drie jaar helemaal mee op. Dat had hij helemaal niet. Hij schreef dat proefschrift heel gedisciplineerd, kwam elke keer volgens afspraak met een nieuw hoofdstuk. Hij was goed georganiseerd en leuk om mee te werken. Hij was nerdy, en dat is hij nog steeds. Ik bewonder hem enorm omdat hij zich nergens door laat afleiden. Ik heb hem bij zijn promotiediner toegesproken en hem sterk afgeraden om de politiek in te gaan. Ik vond hem er te goed voor. In de politiek word je afgerekend op iets schijnbaar onbenulligs, en je moet enorm geven. Hij moest daar toen wel om lachen.’
Balkenende was in 1992 allang van plan door te gaan in de politiek. 'Binnen het Wetenschappelijk Instituut was hij zich van ons allemaal het meest bewust van zijn mogelijkheden,’ zegt Ab Klink. 'Daar was hij veel meer mee bezig dan de anderen die er werkten. Hij is zeker geen geslepen vos, maar wel vaak op het juiste moment aanwezig. En hij heeft een neus voor waar de politieke spelletjes worden gespeeld. Dat ruikt hij op een afstand, al zal hij er nooit aan meedoen.’
In 1989 stond Balkenende op de verkiezingslijst voor het Europees Parlement, maar op een te lage, onverkiesbare plaats. In die tijd speelden de verschillende 'bloedgroepen’ van het CDA nog zo’n grote rol dat daar eerder naar werd gekeken dan naar mogelijke geschiktheid. Wel werd Balken–ende in 1993 in deeltijd bijzonder hoogleraar christelijk sociaal denken over maatschappij en economie aan de Vrije Universiteit, een leerstoel die door het Christelijk Nationaal Vakverbond speciaal voor hem in het leven werd geroepen en gefinancierd. Het leverde hem een indrukwekkende titulatuur op waar hij bijzonder content mee is: professor meester doctor J.P. Balkenende. 'Ik blijf die titels gebruiken!’ zei hij een keer tegen Anton Zijderveld. Maar zijn titels kan hij ook belachelijk maken. Bij het huwelijk van Kees Klop, nu hoogleraar ethiek van de politieke praktijk aan de Radboud Universiteit Nijmegen en destijds adjunct-directeur van het Wetenschappelijk Instituut, hield hij een toespraak waarin hij zich presenteerde als prof.mr.dr.ir. J.P. Balken–ende, zowel hoogleraar der reformatorische wijsbegeerte als in de seksuologie. Die toespraak heette 'Wat ieder meisje weten moet’ en wordt door wie hem heeft aangehoord, beschouwd als het treffendste voorbeeld van Balkenendes gevoel voor humor.
In 1994 werd het eerste kabinet sinds 1918 geformeerd zonder deelname van een confessionele partij. Na drie kabinetten-Lubbers was het CDA bij de kiezer in ongenade gevallen. Het CDA tuimelde van 54 naar 34 zetels en ging in de oppositie. Een louterende ervaring, zouden CDA’ers later zeggen. Ze konden vanaf de kant kijken naar het reilen en zeilen van wat twee paarse (VVD, PvdA, D66) kabinetten zouden worden. Zeker voor de ideologen van het Wetenschappelijk Instituut betekende dit een mogelijkheid om het fundament waaraan ze al een paar jaar werkten, te verstevigen. Balkenende schreef in 1995 mee aan het CDA-rapport Nieuwe wegen, vaste waarden, een manifest dat ideologisch een weg moest banen voor regeringsdeelname. Het hoogdravend geformuleerde pleidooi voor persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap leidde tot de kritiek dat het CDA het 'cafetariamodel’ omhelsde: iedereen kon eruithalen wat hij wilde. Het rapport liet in elk geval de weg open naar samenwerking met zowel VVD als PvdA.
De klap van 1994 betekende ook dat er ruimte kwam voor een nieuwe generatie CDA-politici. Marnix van Rij bijvoorbeeld, die in de gemeenteraad van Wassenaar zat en in de krant kritisch schreef over zijn eigen partij. Van Rij schreef in 1997 met Balkenende mee aan het verkiezingsprogramma getiteld Samenleven doe je niet alleen. Langzaam aan kreeg de partij meer zelfvertrouwen. Er kwam een nieuwe lijst met kandidaten en Balkenende werd op de zevende plaats gezet.
In 1998 nam Balkenende afscheid van het Wetenschappelijk Instituut en op 19 mei kwam hij met 28 andere CDA’ers in de Tweede Kamer. Balken–ende was niet zonder overleg in de Kamer beland. Voordat hij besloot om op die lijst te gaan staan, had hij advies ingewonnen bij Willem Aantjes (83), jarenlang lid van de Tweede Kamer en in de jaren zeventig fractievoorzitter van ARP en CDA.
'Hij vroeg me wat ik ervan vond als hij kamerlid zou worden,’ zegt Aantjes. 'Ik zei: “Zou je dat nou wel doen? Je bent toch een echte wetenschapper?” Want ik had Jan Peter bij het Wetenschappelijk Instituut leren kennen als zeer gedreven en intelligent. Hij gaf als antwoord: “Ja, jullie zeggen nu wel dat ik van die goede rapporten schrijf, maar ik wil dat nu weleens in praktijk brengen.” Dat vond ik een heel goed argument.’
Balkenende kreeg financiën onder zijn beheer. 'Ik dacht: dat wordt niks, daar weet hij niets van,’ zegt Anton Zijderveld. 'Maar hij heeft zich die zomer verdiept in het onderwerp en wist er daarna echt heel veel van.’ Balkenende moest het geregeld opnemen tegen de slimme, vaardige minister van Financiën Gerrit Zalm. Francine Giskes (55) was destijds financieel woordvoerder voor D66 en maakte de regelmatige confrontaties tussen Zalm en Balkenende mee. 'Zalm vond niets zo leuk als Balkenende alle hoeken van de kamer te laten zien. Dat lukte hem trouwens niet altijd, want Balkenende is slim en niet snel van zijn stuk te brengen. Zalm wilde hem graag piepelen, maar ik moet zeggen: ze hadden wel altijd een inhoudelijk debat.’ Zalm kwetste Balkenende wel toen hij een jolige referentie maakte aan het hoofdstedelijke bordeel Yab Yum. Tijdens een discussie over de staatsschuld betoogde Balkenende dat die omlaag moest. Daarom moest het kabinet geen cadeautjes uitdelen. Zalm reageerde vilein: 'Het doet mij denken aan vier mannen die een avondje uitgaan. Drie van hen willen naar Yab Yum, de vierde naar een concert. Uiteindelijk gaan ze toch met z’n vieren naar het bordeel. De volgende dag roept de vierde: “Schande dat jullie naar Yab Yum zijn gegaan.”’ Toen Balkenende probeerde de minister tegen te spreken, zei Zalm: 'Ach, laat u maar. We gaan er gewoon een keertje naartoe.’ Balkenende ging weer zitten maar vond later dat Zalm 'veel en veel te ver’ was gegaan.
Tijdens Balkenendes kamerlidmaatschap kreeg ook koningin Beatrix te maken met zijn rechtlijnigheid en onverzettelijkheid. In 1998 werd Mondriaans schilderij Victory Boogie Woogie voor 80 miljoen gulden gekocht van de New Yorkse verzamelaar Sy Newhouse. Balkenende maakte bezwaar tegen de onorthodoxe manier waarop dat grote bedrag werd gevonden. Het geld was immers beschikbaar gesteld door De Nederlandsche Bank, een staatsonderneming, en dus ging het om belastinggeld. Daarin was het parlement niet gekend. Balken–ende vond de gang van zaken niet behoorlijk en stelde vragen in de Kamer.
Balkenende bleef maar drieënhalf jaar kamerlid. In 2001, na een dramatisch weekeinde voor het CDA, werd hij fractievoorzitter en even later lijsttrekker van de partij. Dat weekeinde van 29 september 2001 toonde wel aan dat Balkenende over een heel grote kwaliteit beschikt: hij kan uitstekend op de achtergrond blijven. Het zou vaker gebeuren dat hij er, louter door zich netjes, afwachtend en geduldig op te stellen, met de hoofdprijs vandoorging. In dit geval vlogen Jaap de Hoop Scheffer en Marnix van Rij elkaar in de haren en verliet Balkenende als overwinnaar het strijdtoneel – zonder al te veel te hebben meegevochten.
Balkenende, op dat moment 45, had inmiddels jarenlange ervaring als CDA-ideoloog. Hij was zo langzamerhand de belichaming geworden van het vernieuwde christen-democratische gedachtegoed. Hij wist door zijn ervaring in de Amstelveense gemeenteraad en in de Tweede Kamer genoeg van politiek. Hij was getrouwd, vader geworden en stond te trappelen om zijn ideeën in de praktijk te brengen. Die mogelijkheid kwam in dat weekend van 2001. Dat weekeinde was cruciaal voor Balkenendes carrière, maar het is ook interessant omdat het aantoont hoe Balkenende met macht omgaat.
Wat gebeurde er? Er was onenigheid binnen de partij, want Marnix van Rij vond dat Jaap de Hoop Scheffer te weinig bezield leiding gaf aan het CDA. Hij bood aan hem te komen versterken door op nummer drie van de lijst te gaan staan. Dat viel bij De Hoop Scheffer totaal verkeerd. Die zag dat voorstel als een motie van wantrouwen. Jaap de Hoop Scheffer en Marnix van Rij vertegenwoordigden verschillende stromingen in de partij: De Hoop Scheffer was van de oude stempel, Van Rij behoorde tot de jonge garde van managerachtige politici die schoon schip wilden maken in de partij. Maar het conflict bleef lang verborgen.
Op donderdag 28 september 2001 lag de twist tussen De Hoop Scheffer en Van Rij op straat. Het was een donderslag bij heldere hemel. Van Rij kondigde zijn aftreden aan en gaf De Hoop Scheffer daarvan de schuld. Weer een leiderswisseling binnen het CDA die was mislukt, na de treurige gebeurtenissen van 1994 toen Lubbers Elco Brinkman liet vallen.
Op zaterdagavond 30 september kwam het partijbestuur in Den Haag bijeen. Het was toen al duidelijk dat De Hoop Scheffer niet zou overleven als partijleider. Zijn machtsbasis was de fractie, maar die was verdeeld. De Hoop Scheffer werd gezien als een rasdiplomaat, geen politicus, en bovendien als iemand die het christen-democratische gedachtegoed niet zo perfect had geïnternaliseerd als bijvoorbeeld Jan Peter Balkenende. Geen voordeel in een periode waarin het CDA zoekende was.
De Hoop Scheffer had wel een ideologische club om zich heen verzameld. Hans Hillen, Maxime Verhagen, Camiel Eurlings en Jan Peter Balkenende waren de belangrijkste fractieleden die nadachten over een nieuwe koers. Ze vonden dat het CDA moest streven naar een her-ideologisering van de maatschappij. Het paarse wereldbeeld was te vrijblijvend. Het partijbestuur probeerde op 30 september De Hoop Scheffer en Van Rij te verzoenen.
Hun pogingen leverden niets op: De Hoop Scheffer besefte dat hij geen machtsbasis meer had en vertrok. Kandidaten om hem op te volgen, waren de succesvolle en charismatische provinciebestuurder te Brabant, Pieter van Geel, en Maria van der Hoeven, toen kamerlid, nu minister van Onderwijs.
Van Geel deed het in Brabant als lijsttrekker voor de statenverkiezingen fantastisch en was eigenlijk in alles het tegendeel van De Hoop Scheffer. Niemand had toen in de gaten dat er nóg iemand in de partij was met aspiraties om, zoals hij later zou zeggen, 'voor goud te gaan’. Balkenende werd naar voren geschoven door de ideologische club rond De Hoop Scheffer.
Belangrijk argument tegen Van Geel was dat hij niet in de fractie zat, en dat was wel een voorwaarde voor de nieuwe politiek leider. Dat argument deed Pieter van Geel uiteindelijk de das om. Bovendien vonden veel CDA’ers hem te links, zoals ze de andere kandidaat, Maria van der Hoeven, te ambitieus vonden. Balken–ende bleef over. Hij was geschikt omdat hij niet ambitieus leek, niet te links was, zijn ideologie fors had beleden en een christen-democraat in hart en nieren was. Balkenende stelde één voorwaarde. Hij wilde op de gebruikelijke wijze, dus door het partijcongres, worden aangewezen. Interne lijsttrekkerverkiezingen zag hij niet zitten: 'Dat leidt tot verwijdering.’
Maar het spel was nog niet uit. Op zondag wierp Van Rij zich toch weer op als kandidaat-partijleider. Hij stelde voor wél een interne leiderschapsverkiezing te houden. Op maandagavond kwam het partijbestuur opnieuw bijeen om te beslissen hoe het CDA in vredesnaam een nieuwe lijsttrekker moest aanwijzen. Dit keer ging het vlotjes. Waarnemend partijvoorzitter Conny Kerkhof-Mos meldde dat het partijbestuur unaniem van mening was dat er géén interne lijsttrekkerverkiezing moest komen. De kamerfractie koos de volgende dag Balkenende als voorzitter. Het was nu voor iedereen duidelijk dat hij de partijleider zou worden. Het CDA kon zich eenvoudig niet met nóg meer interne strijd opzadelen.
Volgens Marnix van Rij, en hij schrijft dat ook in zijn boek Duizend dagen in de landspolitiek, blokkeerde Balkenende de enige mogelijkheid om zowel De Hoop Scheffer als Van Rij in het zadel te houden. 'Jaap zou op de eerste plaats staan, Maria van der Hoeven op twee en ik op de derde plaats van de lijst van het CDA. Jan Peter stond zelf op nummer drie en wilde daar blijven staan.’ Balkenende werd niet zozeer lijsttrekker omdat het CDA hem graag wilde, als wel omdat de partij de beide andere kandidaten absoluut niet wilde.
'Hij hield zich toen gedeisd,’ zegt Marnix van Rij. 'En hij was de lachende derde. Jan Peter gaat het gevecht eigenlijk liever niet zelf aan. Hij is actief als het om inhoud gaat, maar blijft passief als de gemoederen hoog oplopen. Is dat leiderschap? Ik weet het niet.’ Rustig afwachten kan handig zijn, maar het is ook riskant. In dit geval leverde het wat op. Balkenende werd lijsttrekker. De eerste stap naar het premierschap was gezet.
Dat emotionele weekend was nog niets vergeleken met wat er zou volgen. Want 2001 bracht de opkomst van Pim Fortuyn, die door zijn charisma talloze stemmen wist te trekken, die zonder enige politieke scholing of achterban in de peilingen op een duizelingwekkend stemmenaantal afstevende en op wiens superieure mediapersoonlijkheid de zittende partijen nog niet het begin van een antwoord hadden. Onvergetelijk is de monkelende PvdA-politicus Ad Melkert, die tijdens het tv-debat na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002 zijn gehate concurrent Fortuyn niet eens een blik waardig keurde. Alle partijen waren in rep en roer.
En wat deed Balkenende tegen Fortuyn? Opnieuw: niets. Dat was het geslepen advies van zijn toenmalige woordvoerder en vertrouweling Jack de Vries (37), die in CDA-kringen afwisselend met bewondering en met afgrijzen – benamingen als 'spin doctor’ en 'Raspoetin’ vallen – wordt bekeken.
De Vries is campagneleider voor de verkiezingen van 2007. In zijn werkkamer op het CDA-partijbureau in Den Haag blikt Jack de Vries terug op een tijd waarin zowel hij als Balkenende schitterde. Aan de muur van de kamer hangt een dartboard met in het midden een foto van PvdA-lijsttrekker en grote tegenstrever Wouter Bos. 'Het was een kwestie,’ zegt De Vries, 'van precies aanvoelen wat the mood of the nation toen was.’
De moord op Fortuyn, op 6 mei 2002, een week voor de verkiezingen en één dag voor de 46ste verjaardag van Balkenende, betekende de opkomst van een man die in alle opzichten Fortuyns tegenpool is. Waar Fortuyn flamboyant, welbespraakt, ad rem, ijdel en charismatisch was, is Balkenende ingetogen, stijfjes en recht door zee. Beheerste bij Fortuyn de vorm de inhoud, bij Balkenende is dat juist andersom. Fortuyn hoefde nooit te zeggen dat hij 'een mens van vlees en bloed’ was. Dat was overduidelijk. Balkenende zegt dat wél van zichzelf, en zelfs ondanks die mededeling betwijfel je het waarheidsgehalte van die opmerking weleens. 'Dat doet pijn,’ zegt Balkenende regelmatig. Maar je ziet hem niet lijden. Wat Fortuyn misschien te veel had – emotie – heeft Balkenende te weinig. Even géén charisma, dacht iedereen na de moord op Fortuyn. Maar wat in 2002 een groot voordeel was, komt Balkenende nu op kritiek te staan.
Ab Klink, partijgenoot en vriend, 'al overvoeren wij elkaar niet met telefoontjes’, zegt: 'Er zit meer in dan je denkt. Maar ik vind het te persoonlijk om daar iets van te zeggen.’
Marnix van Rij bewondert Balkenendes Begeisterung voor de christen-democratie. 'Maar hij liet altijd weinig van zichzelf zien. Het is niet iemand met wie je een avond gaat doorzakken, nee. Wel ongelooflijk vriendelijk, aimabel, nauwgezet. Als partijleider sprak ik jaarlijks met alle kamerleden. Hij stak met kop en schouders boven de rest uit, had het gesprek goed voorbereid, legde drie A4’tjes neer met een grondige analyse. Maar inzicht in de mens, in bepaalde psychologische processen, dat was er amper. Het gevoelsleven is er wel. Hij heeft er alleen zeventig hekken voor gezet. Typisch calvinistisch.’
Fortuyn en Balkenende, hoe verschillend ook, hebben ook iets belangrijks gemeen. Ze worden allebei gedreven door een messianistisch streven om van Nederland een beter en aangenamer land te maken.
In 2001 en 2002 was de stabiele Balkenende een verademing. 'Hij was toen de Hoffnungstrager,’ zegt Ab Klink. Van Balkenende werd iets nieuws, iets anders verwacht. Hij is, en dat is bijzonder in de politiek, eerlijk en betrouwbaar. Balkenende zal iemand nooit een kunstje flikken en is oprecht gekwetst als iemand dat bij hem wel doet.
Het CDA haalde onder aanvoering van de nieuwe leider bij de landelijke verkiezingen van mei 2002 43 zetels – een winst van 14 – tegen de PvdA 23. Balkenende werd gezien als de redder van de partij en werd premier – de eerste premier zonder ministerservaring sinds het na-oorlogse kabinet van Willem Schermerhorn, 1945-1946. Zijn enige politieke ervaring bestond uit die paar jaar in de Tweede Kamer en in de gemeentepolitiek. Zijn onervarenheid viel misschien minder op omdat een groot deel van de Tweede Kamer, mede door de komst van de LPF, de Lijst Pim Fortuyn, net zo onervaren was.
Zelf zegt Balkenende over die tijd, waarin hij onverwacht – althans voor de buitenwereld – premier werd, dat hij zijn verantwoordelijkheid moest nemen. Dit was nu eenmaal op zijn pad gekomen. Het was een kwestie van schouders eronder en tanden op elkaar. Maar het was natuurlijk ook een gouden kans voor hem om zijn jarenlang ontwikkelde christen-democratische ideologie daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Het moet voor hem zijn geweest alsof hij in een roes raakte. Hij was populair, werd op straat herkend, aangesproken. Zo’n kans kon hij niet voorbij laten gaan, al was het wel een tikje overmoedig. De enige die het kon, was hij niet, zegt Willem Aantjes. 'Kom nou. We hebben een partij met tachtigduizend leden. Daar zit echt wel genoeg talent tussen, waaronder nogal wat ervaren oud-ministers.’
Aantjes vond het geen goed idee dat Balkenende premier wilde worden. De schrik was hem om het hart geslagen toen hij begreep wat diens ambities waren in dat voor het CDA zo dramatische weekeinde in 2001 waarin lijsttrekker Jaap de Hoop Scheffer verdween, partijleider Marnix van Rij zich vergeefs aanbood als zijn opvolger en Balkenende volstrekt onverwacht lijsttrekker werd.
Aantjes: 'Ik heb hem een brief geschreven waarin ik hem afraadde premier te willen worden. Ik vond dat hij de fractie moest blijven leiden. Bedenk wel dat het CDA in tien jaar tijd vier fractieleiders (Bert de Vries, Elco Brinkman, Enneüs Heerma en Jaap de Hoop Scheffer) en nog meer partijvoorzitters (Piet Bukman, Wim van Velzen, Tineke Lodders, Hans Helgers, Marnix van Rij) had versleten. Het was geen stabiele partij. Er moest rust komen en vooral een ideologische basis. We waren van de ene leiderscrisis in de andere gerold. En dat is niet over, want sinds hij premier is, is er rumoer in de christelijk-sociale vleugel.’
Zelden, misschien wel nooit, is een christen-democratische premier met zoveel ideologische bagage en zo’n duidelijke maatschappijvisie aan zijn baan begonnen als Balkenende. Hij is een uitgesproken idealist, geen technocraat of pragmaticus die alleen op de winkel wil passen. Maar bij de verspreiding van de blijde boodschap van de christen-democratie doen zich minstens drie problemen voor. Om te beginnen heeft Balkenende geen enkel gevoel voor pakkende formuleringen. Zijn artikelen en boeken zijn zo droog geschreven dat er geen enkele wervingskracht van uitgaat. Verder zijn er haast geen opinieleiders die het christelijke gedachtegoed kunnen en willen populariseren. Journalisten hebben de CDA-visie altijd bespot en denigrerend besproken. Een volgend probleem is dat Balkenende de burgers iets wil opdringen wat ze zelf niet of nauwelijks willen. Ze staan helemaal niet te dringen om eigen verantwoordelijkheid te krijgen, ze verlangen dat de staat hun zaken van de wieg tot het graf regelt. De tragiek van de idealist Balkenende is niet alleen dat hij slecht in staat is zijn idealen over te brengen, maar ook dat die idealen niet goed aansluiten bij het verlanglijstje van de verwende burger.
Balkenende is komen bovendrijven zonder dat hij er zelf keihard voor moest worstelen. Maar wat is de prijs die hij daarvoor betaalde? Hij heeft geen persoonlijke campagne hoeven voeren, waardoor hij de training mist om telkens beknopt en bondig te zeggen wat hij wil met de partij en met het land. Jack de Vries zegt: 'Balkenende heeft niet de rust en de ruimte gekregen om te groeien. Het was een kwestie van training on the job.’
Dit onvermogen zou hem blijven achtervolgen. Hij blijft maar praten, ook al kunnen mensen hem niet volgen. Bovendien is het zo razendsnel gegaan dat hij zich alleen heeft verdiept in de vraag hoe hij zijn leiderschap kon beginnen; niet hoe hij verder aan de slag moest.
Dit bleef niet zonder gevolgen. Als premier wordt hij overspoeld door de bureaucratische besognes van alledag en hij heeft niemand in zijn ministersploeg die hem van ideologische munitie kan voorzien. Zijn vriend Ab Klink ziet dat ook. 'Het zou,’ zegt Klink voorzichtig, 'best een goed idee zijn als Balkenende eens wat meer ging netwerken. Lubbers liet zich elke ochtend bijpraten door deskundigen.’ Qua stijl wordt de premier wel omschreven als iemand van laissez faire, hij is geen bemoeial. Daar hebben sterke ministers profijt van, want die kunnen ongestoord werken. Maar zwakkere ministers worden niet tot de orde geroepen.
In zijn uitingen als regeringsleider blijft hij zich daardoor behelpen met afgezaagde clichés. Hij mist een club vrienden die hem van actuele CDA-standpunten kan voorzien. Bovendien maakt dat grote zelfvertrouwen ook dat Balkenende niet altijd gevoelig lijkt voor kritiek. Al vindt Klink dat daar de laatste tijd verbetering in zit. 'Hij nodigt daar nu meer toe uit. Dat is goed.’
Maar Balkenende slaagt er nog niet in om het kabinetsbeleid als geheel duidelijk over het voetlicht te brengen. De premier moet het werk van zijn ministers in een groter verband plaatsen. En dat gebeurt te weinig.
In het eerste kabinet van Balkenende zaten veel onervaren politici. Zakenman Herman Heinsbroek werd minister van Economische Zaken, fysiotherapeut Khee Liang Phoa werd staatssecretaris voor Gezinszaken, hoogleraar Eduard Bomhoff vice-premier. Vergeten namen. Hoe de jonge premier functioneerde met dit samengeraapte kabinet, weet Eduard Bomhoff zich goed te herinneren. Hij zegt vanuit zijn 'vrijwillige ballingschap’ in Maleisië – na het verschijnen van zijn verslag Blinde ambitie over het kabinet-Balkenende I kreeg Bomhoff nergens in Nederland een poot aan de grond – dat hij niks tegen Balkenende heeft.
Maar 'aardig’ en 'sociaal vaardig’ kan hij hem ook niet noemen. Bomhoff lijkt een beetje neer te kijken op Balkenende: het dédain van de stedeling jegens de provinciaal. In Blinde ambitie omschrijft Bomhoff het sobere interieur van Balkenendes werkkamer, traditiegetrouw in het Torentje, als 'niveau consistoriekamer in een hervormde kerk’. Volgens Bomhoff heeft Balkenende 'een beperkt repertoire, hij speelt op een piano met maar een paar toetsen. Maar hij was in de ministerraad wel een redelijke voorzitter. Hij ging bijvoorbeeld heel geschikt om met Heinsbroek, die zich echt onmogelijk gedroeg. Al heeft hij geen leiderschapskwaliteiten.’
Balkenende is de minst ervaren premier uit de vaderlandse geschiedenis. Hij is meteen in het diepe gesprongen, met overtuiging. Het eerste kabinet-Balkenende, een coalitie tussen CDA, VVD en de nieuwe LPF, was een grote ellende. Het is Balkenende zonder twijfel een gruwel geweest dat hij zich moest bezighouden met het sussen van allerlei ruzies en onenigheden en zo niet toekwam aan zijn grote doel, namelijk het op orde brengen van de financiën, de werkgelegenheid en niet te vergeten de verslonsde normen en waarden van Nederland. De noodzaak om die krachtig ter hand te nemen, kan alleen sterker zijn geworden door de kennismaking met de omgangsvormen van sommige nieuwe politici. Als inspiratie voor het normen- en waardendebat heeft de heisa rond de LPF zeker nut gehad.
Wat gebeurde er allemaal? Het begon al meteen met het aantreden en op dezelfde dag aftreden van de staatssecretaris voor Gezinszaken van de LPF, Philomena Bijlhout, die onjuiste informatie had verstrekt over haar verleden. Minister van Economische Zaken Herman Heinsbroek achtte zich geschikter voor het vice-premierschap dan partijgenoot Eduard Bomhoff en wond daar geen doekjes om. Na publicaties in het weekblad HP/De Tijd – waarin prinses Margarita en haar echtgenoot Edwin de Roy van Zuydewijn, van wie ze inmiddels gescheiden leeft, beweerden dat koningin Beatrix in het dwarsbomen en onderzoeken van De Roys bezigheden onrechtmatig had gehandeld en zelfs schuld had aan diens faillissement – schoot Balkenendes kennis van het staatsrecht tekort. Zo ernstig zelfs dat minister van Justitie Piet Hein Donner het nodig vond hem tijdens het urenlange debat in de Kamer te souffleren. Bij het verlaten van de Tweede Kamer zou Balkenende nog een sneer van de secretaris-generaal van zijn eigen ministerie van Algemene Zaken, Wim Kuijken, hebben gekregen. 'Ja, als jij je stukken niet leest...’
Hoe de band is tussen koningin Beatrix en Balkenende is moeilijk in te schatten. Ja, er is sprake van 'wederzijdse waardering.’ Balkenende en prins Willem-Alexander hebben geregeld gesprekken, altijd met prinses Máxima erbij. Er doet zich tussen de Koningin en de premier natuurlijk wel een generatiekloof voor: ze schelen bijna twintig jaar. Gevolg van de kwestie-Margarita was dat het Kabinet der Koningin niet meer zelfstandig kon opereren, maar onder de verantwoordelijkheid zou vallen van de minister-president.
De affaire rond Margarita moet juist door de onbenulligheid ervan ergerlijk zijn geweest voor Balkenende. Dan word je premier om de samenleving een stevige christen-democratische bodem te geven, en dan moet je je bezighouden met klachten van een onbekend prinsesje en de vraag of er kon worden afgeluisterd via een schroefje.
In zijn tweede kabinetsperiode zou Balkenende weer te maken krijgen met een moeizame kwestie rond het koningshuis: Mabelgate. De beoogde bruid van prins Friso, Mabel Wisse Smit, zou niet alleen bevriend zijn geweest met Nederlands beruchtste crimineel, wijlen Klaas Bruinsma, ze zou zelfs een verhouding met hem hebben gehad. Mabel gaf alleen toe dat ze Bruinsma beter en langer had gekend dan ze eerst voorwendde, maar ontkende dat er sprake was geweest van een verhouding. Ook hier weer handelde Balkenende rechtlijnig en onverzettelijk. Hij verklaarde op 10 oktober 2003 dat de regering geen Toestemmingswet zou indienen bij de Staten-Generaal. Ook het paar zelf had al meegedeeld af te zien van het vragen van toestemming. Die wet was nodig om prins Friso nog een kans te geven op de troon. Dat betekende dat het stel wel kon trouwen, maar dat met dat huwelijk elke aanspraak op de troon vervloog.
In oktober 2002, na 87 dagen, bood het eerste kabinet-Balkenende zijn ontslag aan. Er zijn formaties geweest die langer duurden. Pijnlijk was niet alleen de korte levensduur van dit kabinet, maar ook het tijdstip waarop het viel. Prins Claus stierf namelijk op 6 oktober 2002 en werd bijgezet in Delft op 15 oktober. Heinsbroek dreigde met aftreden, de LPF-ministers mailden en sms’ten elkaar zelfs tijdens de dienst voor Claus in de Delftse Nieuwe Kerk. De druppel zouden de bedreigingen binnen de LPF-fractie zijn geweest, zo onthulde Maxime Verhagen, fractievoorzitter van het CDA, vorige week in Elsevier. Op 16 oktober was Balkenende I aan zijn einde. Koningin Beatrix zou zo ontstemd zijn geweest over de onkiese dag waarop de onderlinge ruzies werden gemaakt dat ze het ontslag van het kabinet schriftelijk verleende. De Koningin was in rouw en de minister-president werd niet ontvangen.
'2002 was een vreselijk jaar,’ zegt Thom de Graaf (48), adviseur bij advieskantoor PricewaterhouseCoopers in Den Haag en van mei 2003 tot maart 2005 D66-minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en vice-premier in het tweede kabinet-Balkenende. Hij leerde Balkenende kennen toen die in de Tweede Kamer zat. 'Een plezierige, prettige man. Toen hij fractievoorzitter werd, hadden we weleens botsingen, maar die gingen wel ergens over. Tijdens zijn eerste kabinet zat ik in de oppositie en daarna werd ik minister en nota bene vice-premier. Toen hebben we elkaar op zijn uitnodiging wat langer gesproken. Dat was een informeel gesprek over het menselijke aspect. Het was toch alsof we als professionele voetballers niet meer tegen, maar met elkaar moesten spelen. We zaten plotseling in elkaars team.’
Makkelijk kwam dat team niet tot stand. Langdurige onderhandelingen met de PvdA leidden tot niets en uiteindelijk bleef het eerste kabinet-Balkenende grotendeels intact, al werden de LPF-bewindslieden ingeruild voor politici van D66. Na één jaar vertrok staatssecretaris van Onderwijs Annette Nijs (VVD), die zich in Nieuwe Revu had beklaagd over het slechte contact dat ze had met minister van Onderwijs Maria van der Hoeven. Het leek erop dat Balkenende moeite had om de bewindslieden uit één mond te laten spreken. Had hij wel genoeg leiderschap? Was hij wel de baas van de ministers en staatssecretarissen?
Het vermeende gebrek aan leiderschap is kritiek die steeds terugkeert. Het zit Jack de Vries behoorlijk dwars. Daarom wil hij de persconferenties aanpakken. 'Het tijdstip, vrijdagavond, was niet handig. Dat is na de ministerraad, en dan is het net of je na de marathon nog een sprintje moet trekken.’ Het leek De Vries dat de minister-president een jeugdigere en kwiekere indruk zou maken als hij niet meer achter een tafeltje zit, maar alert rechtop staat. 'Dat straalt leiderschap uit.’ Al blijft helderheid een lastig punt. De Vries: 'In persconferenties moet je de kool en de geit sparen. Als je te veel zegt, krijg je daar de week erna geheid heibel over. Vandaar dat Balkenende vaak zo omzichtig spreekt. Je hebt ook nog eens te maken met een coalitie en dan kun je bijna geen krachtige uitspraken doen tot je met de anderen hebt overlegde. Maar we gaan aan duidelijkheid winnen.’
Om de een of andere reden heeft Balkenende in het binnenland veel meer last van een imagoprobleem dan in het buitenland. Niet voor niets lijkt de premier het tijdens zijn vele reizen naar Europese toppen aanmerkelijk meer naar zijn zin te hebben in 'Europa’ dan in Nederland.
In het buitenland voelt hij zich niet zo bekeken en gekritiseerd. Daar begrijpen maar weinigen dat Nederlanders weleens wat moeite hebben met hun premier. Kjelle Magne Bondevik, tot 2005 premier van Noorwegen van de Kristelig Folkeparti en nu teruggekeerd in zijn oude beroep als predikant, heeft niets dan lof voor Balkenende. Noorwegen is geen lid van de Europese Unie, maar Bondevik en Balkenende kwamen elkaar regelmatig tegen. Voor het eerst was dat het geval tijdens de top over duurzame ontwikkeling in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg, in 2002. 'We zijn goede vrienden geworden,’ zegt Bondevik. 'Balkenende was sterk in het verdedigen van de belangen van de kleinere landen. Hij was altijd betrokken en zeer to the point. Hij verdient het grootste respect.’ De Belgische premier Guy Verhofstadt vindt dat Balkenende in de omgang 'best meevalt. Hij heeft wel een bepaald soort humor dat haaks staat op het mijne, maar dat maakt niet uit: we zitten niet in de Europese Raad om te lachen.’ Het valt Verhofstadt op dat Balkenende vaak aanschuift naast de Britse premier Tony Blair. 'Ja, hij mag graag in de omgeving van Blair vertoeven. Ik weet niet of er tussen hen sprake is van een echte entente. In de Raad zoekt iedereen bondgenoten.’
In het buitenland is hij bikkelhard. Een vakminister tussen de anderen. Wat kreeg Balkenende in Europa voor elkaar? Allereerst bezorgde hij Neelie Kroes in 2004 een Commissariaat, en niet het minste. Kroes heeft de portefeuille Mededinging en doet die goed. Toen Nederland voorzitter was van de Europese Unie, van juni tot december 2004, zorgde Balkenende nauwlettend voor de Nederlandse belangen. Ook kreeg Balkenende het voor elkaar dat, ondanks soms hevige emoties, in het weekend van 18 december 2004 werd besloten dat Cyprus als apart land door de Turken 'impliciet’ wordt erkend. Dat deden ze door de toezegging het douaneprotocol op termijn te ondertekenen.
Minder geslaagd was dat Balkenende vlak na de moord op 2 november op Theo van Gogh een geweldige kans voorbij liet gaan om terreur in Europees verband aan de orde te stellen. In zijn uitspraken over de islam – fundamentalistisch en terroristisch of niet – probeert de premier angstvallig niemand tegen het hoofd te stoten. Na de moord op Van Gogh werd de islamitische basisschool Bedir in Uden in brand gestoken. Balkenende ging erheen en sprak verzoenende woorden. Balkenende was geroerd door de verbrande kindertekeningen, maar autochtone Nederlanders voelden zich gepasseerd. De positie van Balkenende ten aanzien van de islam wordt het best omschreven als een 'enerzijds-anderzijds’-standpunt. Hij vindt aan de ene kant dat bepaalde zaken 'niet kunnen’ – zoals aanzetten tot afkeer van Nederland, het zaaien van haat, de aansporingen om echtgenotes te slaan of homoseksuelen van een toren te gooien – maar anderzijds moet er vooral ook hard worden gewerkt aan wederzijds 'respect’, waarbij godsdienst als een 'bindende’ factor kan werken. De goedbedoelde pogingen van de premier om alle bevolkingsgroepen te vriend te houden, worden niet overal even enthousiast ontvangen.
Critici van de premier vinden dat hij, wanneer het om de Europese Unie gaat, vooral bedreven is in het doen van andermans boodschappen en dat hij zich te veel door de wensen van coalitiepartner VVD laat leiden. De liberale Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Karel De Gucht, noemde hem in juni 2005 in de Belgische krant Het Laatste Nieuws 'een soort Harry Potter’ die gebukt gaat onder 'extreme stijfburgerlijkheid’, iemand in wie hij 'geen spoor van charisma’ kan ontwaren. Zijn landgenoot, vice-premier Freya Van den Bossche, zei enige maanden later: 'Hebben jullie in jullie kranten soms personeelsadvertenties staan met: als je niet stijf, truttig en kleinburgerlijk bent, kom je niet in aanmerking voor een ministerspost?’
Je kunt het stijf noemen, maar aanhangers van Balken–ende roemen juist zijn onverzettelijkheid. Een mooi voorbeeld daarvan gaf de premier na het zogeheten Conrad-akkoord in 2004. Tijdens dat overleg in het Brusselse Conrad-hotel besloten toenmalig bondskanselier Gerhard Schröder en de Franse president Jacques Chirac dat de landbouwuitgaven zouden worden bevroren tot 2014. Jack de Vries was erbij. 'Zaten we daar aan het ontbijt, na dat overleg met die twee heren met wie we het helemaal niet eens waren. Toen zei Jan Peter: “Als het me niet bevalt, dan veto ik het gewoon.” Moet je je voorstellen, allemaal diplomaten eromheen, die waren als de dood voor hun contacten. “Maar Jan Peter,” riepen ze, “onze internationale contacten!” Maar dan is hij heel stellig. Dat kan dan gewoon niet. Hij laat zich wel adviseren, maar als hij het niet wil, doet hij het niet.’
Door dezelfde harde opstelling kreeg Balkenende het er in oktober 2002 door dat het meestijgen van de landbouwbijdrage aan Europa, van oudsher een van de hoogste, met een half procent per jaar zou worden verminderd. Dat lijkt weinig, maar scheelt miljoenen. En eind 2005 bedong hij een korting van 1 miljard euro op de Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie.
Dat succes verbaast CDA-Eerste-Kamerlid Jos van Gennip (67) niks. Van Gennip was van 1990 tot 1999 directeur van het Wetenschappelijk Instituut. 'Jan Peter is dan wel opgegroeid in een milieu van God, vaderland en Oranje, hij heeft altijd buiten de grenzen gekeken en is erg kosmopolitisch. Hij is een uitgesproken Europeaan. Daarom doet hij het ook zo goed in de Europese Unie. Daar wordt hij echt op handen gedragen.’ En promotor Hendrik Jan de Ru denkt dat Balkenende meer 'de man van de grote lijnen’ is. Daar gaat het in het buitenland nu eenmaal vaak om, terwijl men zich in Nederland verliest in details.
De Roemenen gaven tijdens Balkenendes bezoek aan dat land in 2003 weinig blijk van belangstelling voor de grote lijnen. Na een persconferentie werd maar één vraag gesteld aan de Nederlandse premier. 'Wat vond hij er nou van om steeds met Harry Potter te worden vergeleken?’
In het buitenland vinden ze Balkenende gewoon aardig. En het gekke van deze premier is dat veel Nederlanders die hem in kleine kring meemaken dat óók vinden. Toch blijft het imago van stijve hark hem aankleven.
D66-kamerlid Francine Giskes verloor haar dochter bijna drie jaar geleden op dramatische wijze. Ze verliet daarna de politiek. 'Maar elke keer als ik Jan Peter tegenkom, vraagt hij hoe het met me gaat. Hij weet precies wie ik ben, en dat is bijzonder voor iemand in zijn positie. Hij is heel aardig en attent.’
Na het vertrek van Thom de Graaf stond de gewezen vice-premier van D66 ervan te kijken wie wel en wie niet reageerde. 'Jan Peter was zeer attent: hij heeft gebeld, een briefje geschreven, hij bood nog een afscheidsdiner aan.’ Toen Balkenende een paar jaar geleden met het gezin naar Madurodam wilde, vroeg hij het gezin van een van zijn twee chauffeurs mee. En toen hun collega Jan den Oudsten met pensioen ging, reed Balkenende hem naar huis in een BMW Z4.
Ook tijdens zijn talloze werkbezoeken maakt Balken–ende grote indruk. Misschien doet hij er daarom wel zo veel. Zo bezocht hij op 1 februari 2006 een winkelcentrum in Amersfoort. Gert Weterings (51), die daar een tabakswinkel heeft, was onder de indruk. 'Hij was heel vrij en open. Nadat ik hem had gesproken, dacht ik: zo zou hij zich altijd moeten gedragen. Dan zou hij bij het grote publiek veel beter overkomen.’ En de plaatselijke kapper Armand van Zijp, die nog een poging deed Balken–ende in zijn kappersstoel te krijgen, kan geen kwaad woord over de premier meer horen. 'Ik heb een heel positieve indruk van hem gekregen. Ik heb het gevoel dat je alles tegen hem kunt zeggen.’
Ook al wordt hij permanent bewaakt, Balkenende drinkt ’s avonds graag een biertje op Het Plein in Den Haag. Hij vindt het dan leuk om nietsvermoedende toeristen in de maling te nemen. 'Die komen er dan achter dat de premier in de kroeg staat,’ zegt Jack de Vries, 'en als ze dan vragen of hij het echt is, zegt hij nee en wijst op mij. “Dat is de premier, ik ben zijn adviseur maar.”’
Wytze Russchen (35), nu consultant in Brussel, was in 2003 woordvoerder VNO-NCW toen hij op een avond aan Balkenende werd voorgesteld. 'We zaten buiten bij café De Haagse Kluis op Het Plein. Het was warm, mooi weer. Je zit daar op krukken rond een ton. Dat is nou niet de meest discrete plek van Den Haag, maar Balkenende kwam er gewoon pontificaal bij zitten. Dat zouden Kok of Bolkestein echt nooit hebben gedaan. Het was heel ontspannen, heel gezellig, we hadden echt een klik. Het leek wel of hij niet naar huis wilde, hij bleef tot na middernacht. Ik vond hem veel leuker dan ik had gedacht.’
Ook in Brussel, weet Russchen, blijft Balkenende na een lange, vermoeiende EU-top graag hangen in café Kitty O’Shea. 'En dan zijn de andere regeringsleiders allang naar huis. Maar het allerleukste vond ik toen ik hem een keer in Brussel zag, waar hij was voor de top van het Centre of European Policy Studies. Hij maakte zich los uit de rij bewakers en kwam naar me toe om me een hand te geven. Van het protocol trok hij zich niks aan. 'Echt, als iedereen hem zou ontmoeten zoals ik, dan is hij nog acht jaar premier.’
De beide chauffeurs van de premier, Erik Smit (37) en Ronald Immers (42), hebben een goede band met Balkenende. Eerder waren ze chauffeurs van Wim Kok (PvdA). Balkenende is toch meer 'van onze generatie’, zeggen ze. De premier wordt gereden in een gepantserde BMW 760 die 4.000 kilo weegt. Privé heeft de autogekke Balkenende een Mercedes, al gaat zijn hart uit naar een Porsche, een Spyker of een Donkervoort. Als premier moet hij zich per dienstauto laten vervoeren, en sinds de moord op Fortuyn rijdt daar bewaking achteraan. De chauffeurs en de premier wisselen regelmatig de nieuwste autobladen met elkaar uit. 'Bladen als Carros, Top Gear, Autoweek…’
Maar Balkenende is er huiverig voor om deze informele, aardige en soms zelfs jolige kant van zichzelf aan het grote publiek te laten zien. Jack de Vries heeft een fijne neus voor publiciteit, maar kan zijn premier niet altijd meekrijgen. Publiciteit gaat namelijk over buitenkant, over vorm en niet over inhoud. Zo gaan de mooiste photo opportunities aan het volk voorbij. Neem nou die keer dat Balkenende op bezoek ging bij een agent die gewond was geraakt tijdens de belegering van een huis met leden van de Hofstadgroep in het Haagse Laakkwartier op 10 november 2004. De Vries zag die warm menselijke foto al staan in De Telegraaf, maar Balkenende vond dat niet netjes. Na de moord op Theo van Gogh, 2 november 2004, gebeurde iets vergelijkbaars. 'Bij de herdenking van Van Goghs dood,’ zegt Jack de Vries, 'wilde Balken–ende eerst weten of hij daar wel welkom was. Toen bleek dan de ouders geen prijs stelden op de aanwezigheid van politici, afgezien van minister van Integratie Rita Verdonk. Dat heeft hij gerespecteerd. Hij vond hun wens belangrijker dan de kans om daar een speech te houden.’
Zo zitten zijn principes hem ook een beetje in de weg bij het verkopen van zichzelf. Het gaat hem om de inhoud, niet om de vorm. De Vries leerde Balkenende kennen toen die schreef aan het verkiezingsprogramma van 1998 en De Vries hoofd voorlichting was van de CDA-fractie. 'Balkenende was buitengewoon productief. Dan stond hij ’s ochtends aan mijn bureau en zei: “Jack, ik heb iets geschreven, denk je dat we dat in de krant kunnen krijgen?” Dan zei ik: “Maar Jan Peter, vorige week stond je ook al in de krant.” Hij is echt een denker. Ik vind het een heerlijke man om voor te werken, hij is duidelijk en betrouwbaar.’ Wat niet wil zeggen dat Balkenende niet van zijn premierschap geniet. De Vries zegt dat het wel lijkt of hij en Balkenende samen in een jongensboek zitten, en die indruk – van blije jongens en een spannend avontuur – wekken ze ook vaak. 'Jan Peter is nu daar waar het gebeurt. Hij is erbij als geschiedenis wordt geschreven. Ja, daar geniet hij van, hij voelt zich bevoorrecht dat hij dit werk mag doen.’
Thom de Graaf was minister tot 23 maart 2005 en trad af omdat hij vond dat hij na de uitslag van de stemming over de gekozen burgemeester in de Eerste Kamer, met een te geringe meerderheid, niet meer geloofwaardig kon functioneren. Hij vergelijkt Balken–ende met de vroegere leider van de sociaal-democraten, Joop den Uyl. 'Ook een ideologische premier,’ zegt De Graaf. 'Je hebt vader des vaderlandsachtige premiers, zoals Lubbers, die boven de partijen uitstijgen. En je hebt premiers met een heel scherp en duidelijk profiel, met een boodschap. In die zin heeft Balkenende vreemd genoeg veel gemeen met Joop den Uyl. Maar zo iemand, en dat is een nadeel, groeit nooit uit tot een nieuwe Willem de Zwijger die alle partijen verenigt. Jan Peter heeft een doel, en dat is het verwezenlijken van zijn ideologie.’
De overeenkomsten met de PvdA-coryfee zijn, ondanks de grote verschillen in ideologie, inderdaad treffend. Ook Joop den Uyl werkte bij het wetenschappelijk instituut van zijn partij, hij werd zelfs directeur van de Wiardi Beckman Stichting. Ook hij was tegelijkertijd lid van een gemeenteraad, al was het dan de Amsterdamse. En net als Balkenende was hij gereformeerd en had hij een sterk besef van zijn missie.
Volgens De Graaf is Balkenende, net als Den Uyl, zeer gebonden aan de partijpolitiek. Hij zoekt wel naar oplossingen, maar zijn eerste belang ligt bij het CDA. 'Ik denk dat Abraham Kuyper zijn grote voorbeeld is. Dat was ook een scherpe en op politieke macht gerichte premier.’
'Tja,’ zegt Jack de Vries. 'Het is moeilijk. Als de premier wél zijn stempel drukt op de ministerraad is hij te veel met partijpolitiek bezig. Doet hij dat niet, dan is hij te weinig betrokken en te weinig bezig met partijpolitiek. En wat is nou de macht van de premier? Je hebt geen instrumenten behalve overwicht. Het is steeds moeilijker om politici in de hand te houden. Ze hebben hun eigen weblogs, de kiezer weet veel meer dan vroeger.’
Bovendien is de kiezer steeds grilliger geworden sinds de ontzuiling. Stemde in Balkenendes geboortejaar 1956 nog 95 procent van de katholieken op de KVP en meer dan 90 procent van de gereformeerden op de ARP, in 1998 stemde nog maar 40 procent verzuild. De Graaf wijst er dan ook op dat het CDA, afgezien van de twee grote overwinningen van Balkenende in 2002 en 2003 – onder uitzonderlijke omstandigheden – in de peilingen reeds lang op dertig zetels staat. 'Misschien is dat gewoon het zetelaantal dat nu bij die partij past.’
Is de Balkenende van 2006 nog steeds de Balkenende van 2002? Mensen die hem goed kennen, zeggen van niet. Zo heeft de lastige infectie aan zijn voet in 2004 veel impact gehad. Van half september tot half oktober was Balkenende uitgeschakeld. Hij lag een maand in het streekziekenhuis. Vice-premier en minister van Financiën Gerrit Zalm verving hem en merkte op dat ze op het ministerie van Algemene Zaken beduidend minder druk waren dan op zijn eigen ministerie.
Balkenendes ziekte was veel ernstiger dan de buitenwereld toen dacht. 'Het is dat hij de premier is,’ zegt zijn broer Ro–land, die al sinds 1985 niet meer in Nederland woont, maar kennelijk goed op de hoogte is van de mores in de Nederlandse ziekenhuizen, 'anders was hij er een stuk slechter aan toe geweest.’ Het was, afgezien van het overlijden van zijn beide schoonouders, Balken–endes eerste persoonlijke tegenslag. 'Het heeft hem veranderd,’ zegt Marnix van Rij. Die was op 10 oktober 2005 aanwezig op een bijeenkomst van oud-partijleden en bewindslieden om het 25-jarig bestaan van het CDA te vieren. Daar hield Balkenende een toespraak waarin hij ook refereerde aan het roemruchte weekend van 2001. Van Rij was het niet helemaal eens met wat Balken–ende toen zei, en schreef hem een brief met zijn bezwaren. 'Daar reageerde hij meteen op. We hebben afgesproken en een uur of twee zitten praten. Daar zat een andere Jan Peter, older, sadder and wiser, ongelooflijk reëel over de partij en over zijn positie. Ik vond het goed dat hij meteen reageerde, dat getuigde van klasse en moed.’
Ook kritiek op zijn ontoegankelijkheid heeft zijn uitwerking niet gemist. Anton Zijderveld werd op 26 februari 2006 door Balkenende uitgenodigd voor een etentje op het ministerie van Algemene Zaken met onder meer de Eerste-Kamerleden Ab Klink en Ernst Hirsch Ballin, de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Wim van der Donk en Balkenendes assistent Marjolein Voslamber. Dat etentje was bedoeld om de premier bij te praten over wat er nu in de samenleving speelt. Zijderveld: 'Hij wilde graag weten waar we ons zorgen over maakten. Het was een avond met fijne discussies over de ontwikkelingen in de economie en de maatschappij. Ik vertelde hem tijdens de borrel dat ik die dag een kleinkind had gekregen. Toen hij ons toesprak aan het begin van het diner, feliciteerde hij me en toverde zomaar een cadeautje voor de baby te voorschijn. Dat had hij even snel geregeld. Dat heeft me echt geraakt.’
Aardig en attent zijn. Mooie eigenschappen. Maar wat heeft Balkenende nu eigenlijk voor elkaar gekregen in de bijna vier jaar dat hij premier is? 'Kijk,’ zegt Ab Klink. 'Je maakt je natuurlijk niet echt populair als je gaat bezuinigen in een tijd dat het economisch slecht gaat. Maar van de noodzaak daartoe waren we eind jaren negentig al overtuigd. Wij zagen schaarste en vergrijzing op de arbeidsmarkt, en daardoor wachtlijsten, lesuitval en enorme loonexplosies. Dan is het rampzalig om ook nog eens een miljoen mensen in de WAO te hebben. En dat zijn allemaal dossiers die hij heeft aangepakt. Zonder die hervormingen zouden we grote sociale problemen hebben gekregen.’
De ziektekosten en hun verzekering zijn decennialang een groot twistpunt geweest. Balkenende kreeg de verandering, met minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst, erdoorheen. Datzelfde geldt voor de strengere immigratiewetten en voor de strengere toelatingseisen voor de arbeidsongeschiktheidswetten. Vooral de zorgverzekering is er een mooi voorbeeld van hoe burgers zich, geheel volgens Balkenendes ideaal, verenigden om de beste collectieve deal te kunnen sluiten. Aantjes vindt in het beleid weinig terug van het christelijk-sociale gedachtegoed. Alles wordt volgens hem ondergeschikt gemaakt aan het voortbestaan van de coalitie. 'Balkenende heeft nu zelfs al aangekondigd dat hij als lijsttrekker de voortzetting van de coalitie tot inzet van de verkiezingen maakt. Zo drijft hij Wouter Bos in de armen van de linkse partijen. Ja, hij heeft inderdaad een ideologisch fundament onder de partij gelegd – maar het verkeerde!’
Klink is ervan overtuigd dat de burgers op tijd zullen inzien dat de pijnlijke ingrepen Nederland juist hebben voorbereid op een mooie toekomst. 'Wij zijn verder dan andere Europese landen.’ Hij heeft wel grote problemen met wat hij 'braafheid’ noemt, en dat is een kwalificatie die niet alleen op Balken–ende slaat, maar wat Klink betreft op het hele CDA. 'De arbeidsmarkt trekt nu aan, het vertrouwen in de economie groeit… Dat zijn successen die de premier moet claimen. Daar moet je niet te bescheiden in zijn.’
Het referendum dat de Tweede Kamer in 2005 uitschreef over de Europese Grondwet, eindigde in een luid 'Nee’ van de bevolking. Daaraan heeft het bevoogdende en ietwat betuttelende optreden van Balkenende en zijn partijgenoot en minister van Justitie Piet Hein Donner zeker bijgedragen. De verminderde koopkracht van de gemiddelde burger zal zeker van invloed zijn geweest op het CDA-verlies bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. De gemiddelde burger neemt nu eenmaal slechts met moeite en tegenzin de verantwoordelijkheid voor eigen doen en laten.
Balkenende heeft nog dertien maanden de tijd om de PvdA in te halen. Dat zal niet eenvoudig zijn. Balkenende zal allereerst zijn eigen partij moeten overtuigen. De twijfels die daar leven, leven onder het hele volk.
Wat hij gaat doen als hij de verkiezingen verliest, is onduidelijk. Hij kan werk zoeken in Europa, maar is ook in staat om rustig in de Tweede Kamer te gaan zitten. Of terug naar Zeeland te gaan, waar de commissaris van de Koningin, Wim van Gelder, binnenkort met pensioen gaat. Maar duidelijk is wel dat Balkenende het liefst nog langer premier blijft. Er is nog niet vaak een minister-president geweest die zo geniet van het premierschap.
Liesbeth Wytzes
Met medewerking van Carla Joosten, Gerry van der List, Kunieke Luth, Eric Vrijsen, Syp Wynia
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement