donderdag 24 mei 2012

Tags

Weekblad

Syp Wynia

woensdag 14 maart 2007 14:23

Moeten Hoge Kunsten ook Hoog Gesubsidieerd worden, hoewel ze voornamelijk door Hoog Opgeleiden en Hoog Betaalden worden geconsumeerd? Het is een eeuwigdurende vraag. De neiging bestaat om die vraag met 'nee' te beantwoorden, maar de uitkomst is altijd dat het blijft zoals het is. De hoogst opgeleiden en de best betaalden hebben namelijk ook de meeste invloed, kunnen het best lobbyen en weten er zo het meest voor zichzelf uit te slepen.

Nauwelijks een lobby zo sterk als de gesubsidieerde kunst en de gesubsidieerde omroep. En wat je ook probeert, veel verandert er doorgaans niet: de cultuursubsidies blijven stevig oplopen, ook als er elders wordt gesneden. Vaak krijgen politici, die ijveren voor meer in plaats van minder cultuursubsidies, vervolgens eervolle en soms ook goedbetaalde banen in de kunstsector of de omroep.

Zo is er nu het plan van de nieuwe coalitie om weliswaar jaarlijks 100 miljoen euro toe te voegen aan het kunstbudget (en ook nog eens 100 miljoen aan de publieke omroep), maar tegelijkertijd 50 miljoen te besparen door de consumenten van de gesubsidieerde cultuur meer voor hun kaartje te laten betalen. Profijtbeginsel heet dat, ofwel: de gebruiker betaalt.

Over die 200 miljoen meer voor kunst en de publieke omroep hoor je de altijd getergde lobbyisten van de subsidiecultuur niet, of ze moeten honend spreken over het extra geld dat naar amateurkunst, volkscultuur en de zorg voor het religieuze erfgoed gaat. Amateurs, volkscultuur en oude christelijke kerken liggen nooit zo goed bij de hoeders van gesubsidieerde kunst.

Ronald Plasterk zit er maar mooi mee. Op de dag van zijn beëdiging zei de nieuwe kunstminister dat, zoals hij het noemde, de gesubsidieerde Hoge Kunsten moeten blijven, omdat die moeten worden doorgegeven aan toekomstige generaties en voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Aan de andere kant signaleerde hij dat – en dat is inderdaad de uitkomst van vele rapporten –'het profijt van de overheid' ook als het om de gesubsidieerde kunst gaat, nou niet bepaald bij 'de onderliggende groep van de samenleving' belandt.

Nadien opperde Plasterk om het 'schellinkje' te herintroduceren. Goedkope staanplaatsen achter of boven in schouwburg of concertzaal die in principe iedereen toegang geven tot bijvoorbeeld de opera. Het is een mooi, maar voor een politicus die als sociaal-democraat af wil van klasseverschillen, ook een opvallend voorstel. Persoonlijk vind ik het wel wat, zo'n staanplaats. Het bestaat elders ter wereld nog wel degelijk, in de opera in Wenen en New York bijvoorbeeld. En in het Londense Covent Garden waar de prijs van reguliere kaartjes kan oplopen tot 270 euro, zijn – beperkt weliswaar – ook kaartjes voor 7,50 euro te koop.

Het opnieuw introduceren van het goedkope schellinkje lost voor de boze kunstlobby echter niet het probleem op dat ze van Plasterk meer entree moeten zien binnen te halen. De kaartjes zullen voor deze hoogopgeleiden en hoogbetaalden over het geheel genomen dus duurder worden.

Maar zijn de huidige kaartjes voor de Hoge Kunsten wel zo duur? Laten we de duurste kaartjes – die voor opera in het Amsterdamse Muziektheater – als uitgangspunt nemen. De duurste premièrekaartjes voor de opera kosten soms meer dan 100 euro, maar de goedkoopste zijn 20 euro of minder. Dat terwijl een kaartje voor de opera eigenlijk, als er geen subsidie was, meer dan 250 euro zou kosten.

In Wenen, New York en Londen zijn de duurste kaartjes vaak duurder en soms zelfs veel duurder dan in Nederland. Bovendien zijn gesubsidieerde toneelkaartjes in Nederland ronduit goedkoop: vaak zijn ze niet veel duurder dan een bioscoopkaartje. De toneel- en operaliefhebber kan zo bezien best meer betalen.

Terwijl de hoogst betaalden dus hoog gesubsieerd naar de opera gaan, gaan de vaak minder welvarenden wel degelijk, en massaal, naar hun ongesubsidieerde cultuur, te weten popconcerten, musicals en cabaretvoorstellingen. De ticketprijzen daarvoor zijn vaak niet misselijk en liggen in lijn met die van de zwaar gesubsidieerde opera.

Mensen, ook de minder gegoeden, zijn dus massaal bereid stevig te betalen voor cultuur. En dat pleit weer tegen het schellinkje van Plasterk. Want waarom zou je de arme operaliefhebber voor een paar euro een staanplaats van 250 euro geven als de eveneens arme pop- of musicalliefhebber wel grif 50 of 75 euro betaalt voor zijn ongesubsidieerde kunstgenot?

 


advertentie







advertentie