woensdag 24 oktober 2007 16:56
Als kind stotterde hij, als student durfde hij geen meisje aan te spreken. Pas op het podium kwam hij tot bloei. In twintig jaar tijd ontwikkelde Herman Finkers een geheel eigen cabaretstijl. Daarmee werd hij een van de populairste theateracts van Nederland. Tot hij opeens werd geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid.
'Humor is communicatie.' Herman Finkers, cabaretier, humorist, grappenmaker, heeft het bij herhaling gezegd. Humor is voor hem een middel, een manier om met mensen in contact te komen.
Als de lach inderdaad een bewijs is van communicatie, dan is Herman Finkers The Great Communicator . Zelden rolden er meer lachgolven door de theaterzalen dan wanneer Finkers er optrad met een van de negen shows die hij tussen 1979 en 2000 speelde.
Daar, op het podium, kon Finkers iets tot stand brengen wat hem lange tijd in de dagelijkse omgang niet lukte: menselijk contact. Finkers was een extreem verlegen kind, een stotteraar, een in zichzelf gekeerde puber en een wereldvreemde student, die geen meisje durfde aan te spreken. Maar eenmaal op het podium viel zijn spraakgebrek weg, kon hij zijn publiek recht aankijken, en maakte hij contact. Echt contact.
'Dames en heren, allemaal van harte welkom bij Het meisje van de slijterij. Wij spelen dit programma al een tijdje en het is gebleken dat het naar avondvullende maatstaven wat aan de korte kant is. Maar niettemin hoop ik dat u een plezierige avond hebt gehad.'
Hermenegildus Felix Victor Maria Finkers komt op 9 december 1954 in Almelo ter wereld. Herman is de oudste zoon in een gezin van vijf: twee broers, Wilfried en Jos, en twee zussen, Renate en Angelique. Het is een katholiek middenstandsmilieu, waar hard werken de norm is. Vader Finkers heeft een meubelzaak. 'Een simpele winkel met tafeltjes, stoeltjes, linoleum. En mijn moeder naaide gordijnen,' vertelt zijn jongste zus Angelique (38), tegenwoordig ook actief als Hermans manager. Zij noemt de Finkers 'ondernemende types'. 'Mijn oom Jan had een kapperszaak, mijn neven hebben eigen bedrijven. En ook Herman is natuurlijk altijd zijn eigen baas geweest.'
Als jongetje is Herman 'stil en rustig', herinnert oom Jan (66) zich. 'Zeker geen grappenmaker. Dat waren vooral zijn broers Wilfried en Jos. Herman zat in een hoekje toe te kijken hoe zijn broers druk deden.'
Zijn passiviteit baart Hermans moeder zorgen. Op een zeker moment geeft ze een vriendje van Herman de opdracht hem een stomp te verkopen, in de hoop dat hij uit zijn schulp zal kruipen. Zonder resultaat.
Herman zit vooral in zijn hoofd. Hij geniet van taal, van woordspelletjes en onlogische redeneringen. Dat is ook wat hem in het katholicisme aanspreekt.
'Op een dag kwam de kapelaan in de klas. Hij zei: "Er is maar een God en Hij bestaat uit drie personen." Ik dacht: Goddank, eindelijk iemand met wie je fatsoenlijk kunt praten.'
Herman Finkers wordt misdienaar in de Almelose Sint-Egbertus- (nu: Elisa-)parochie. Angelique: 'We werden zeker niet streng-katholiek opgevoed. Elke zondag naar de kerk, dat wel, maar de meesten van ons kregen daar in onze puberteit genoeg van en daar werd beslist geen probleem van gemaakt.' Dat Herman er géén genoeg van kreeg, had vooral te maken met de mystieke en theatrale kant van de katholieke kerk, denkt Angelique.
De kleine Herman is ook een ziekelijk kind. Als hij een jaar of acht is, krijgt hij een mysterieuze 'bloedziekte'. Oom Jan Finkers: 'Ik weet nog goed dat hij plat op de bank lag, vinger in de mond, witter dan wit. Alle doktoren zijn bij hem langs geweest, maar niemand wist hoe of wat.' Uiteindelijk wenden de ouders zich tot paragnost Gerard Croiset. Na een paar maanden wordt Herman genezen verklaard.
Ook op de hbs aan het Pius X-college in Almelo is Herman een buitenbeentje. Hij doet niet aan sport, heeft nauwelijks vriendjes, laat staan vriendinnetjes. Wel is hij lid van een kanariefokvereniging.
Begin jaren zeventig gaat Herman psychologie studeren in Groningen. Door mede-student Gerard Winkels wordt hij jaren later omschreven als: 'Lang haar, puberale uitslag en zweetvoeten. Zijn artisticiteit wist hij op werkelijk verbluffende wijze te verbloemen.'
Een paar jaar later komt ook broer Wilfried in Groningen studeren. Hij richt samen met een paar oud-klasgenoten, onder wie Winkels en Eric Alferink, een quasi-zangvereniging op, Op Zwart Zangzaad. Alferink: 'Het was in feite een excuus voor veel bier drinken. Verder zongen we liederen, lazen elkaar zelfgeschreven gedichten voor en hadden een eigen maandblad Lust ende jubel .'
Ook de vereenzamende Herman sluit zich aan bij Op Zwart Zangzaad. Zo zet hij zijn eerste schreden op de kleine cafépodia van Groningen, waar hij liedjes zingt, zichzelf begeleidend op gitaar, of teksten van hemzelf of zijn broer Wilfried voordraagt. Finkers' doorbraak als performer, herinnert Alferink zich, kwam op een poëziefestival in muziekcentrum De Oosterpoort. 'Tussen allemaal would-be-dichters met heel zware poëÂzie stond daar opeens Herman, met pretentieloze versjes, die hij buitengewoon humoristisch voordroeg. Hij stak de zaal in zijn zak, zonder dat hij zelf nu echt begreep waarom.'
Vooral op instigatie van het Op Zwart Zangzaad-bestuur geeft Herman zich in 1979 op voor het belangrijkste cabaretfestival van dat moment: het Delftse Cameretten. Hij komt bijna niet door de voorronde, omdat de jury oordeelt dat wat Finkers doet geen 'cabaret' mag heten. Omdat er te weinig aanmeldingen zijn, mag hij toch meedoen.
Met zijn dwaze gedachtenkronkels, zijn muzikaliteit, zijn gortdroge grappen en zijn naïef-blije uitstraling is Finkers veruit favoriet bij het publiek. Hij wint de persoonlijkheidsprijs en de publieksprijs. Maar de jury is nog niet overtuigd en zet hem op een tweede plek achter het Vlaamse Dabaret Salu.
Finkers was zelf nog wel het meest overdonderd door het succes, vertelt Alferink. 'Telkens wanneer er een lach door de zaal rolde, keek hij verbaasd de zaal in. Dat was maar voor een deel gespeeld.'
Ook voor het thuisfront komt de overwinning als een grote verrassing. Oom Jan: 'Ik weet nog goed dat iemand me vertelde dat Herman Cameretten had gewonnen. Ik zei: ónze Herman? Dat meen je niet!'
Er wordt nogal eens tegen mij gezegd: 'Waarom wil jij nou met alle geweld zo leuk zijn? Seth Gaaikema doet dat toch ook niet? SSRq
Na zijn coming-out in Delft waagt Herman Finkers zich aan een professioneel bestaan als cabaretier. De Groningse vriendenclub vormt het artistieke team: Alferink is manager, technicus en chauffeur, Wilfried en in mindere mate Gerard Winkels en Bram de Ronde leveren tekstbijdragen. Alferink: 'De procedure was als volgt. Eerst verzamelden Herman en Wilfried een heleboel grappen, zo'n 600, 700, die werden allemaal op mij uitgeprobeerd. De grappen waar ik om moest lachen, mochten blijven. Dan was het aan Herman om ze in een logische volgorde te zetten.'
De eerste shows, die op deze verbluffend simpele wijze ontstaan, Op zwart zangzaad en De terugkeer van Joop Huizinga , slaan vooral aan in de theaters in het oosten en noorden van Nederland. Alferink: 'Een ernstig geval van Randstedelijke arrogantie. In Amsterdam zagen ze Finkers vooral als rare Twent.' Het komt voor dat optredens moeten worden afgezegd bij gebrek aan publiek.
Het cabaret van Finkers gaat nadrukkelijk in tegen de cabaretmodes van die tijd. Freek de Jonge zet in die beginjaren tachtig de toon met verhalende voorstellingen vol diepzinnigheden en maatschappijkritiek. Brigitte Kaandorp (45) is collega-cabaretier 'en ook wel vriendin' van Finkers. Kaandorp: 'De eerste keer dat ik hem zag - dat zal kort na mijn eigen overwinning bij Cameretten zijn geweest, in 1983. Hij was zelf dus al een paar jaar bezig. Ik zag een anti-held met een anti-show, in dat te korte voetbalbroekje. Dat sprak mij wel aan. Ik was zelf ook altijd bezig de sukkel te spelen.'
'Ikzelf heb dat nooit begrepen, zo'n opmerking dat mijn programma's geen diepte zouden hebben, want ik kan zo een hele serie dieptepunten opnoemen.'
De cabaretkritiek ontwaart een trend: de Nieuwe Lulligheid is geboren, met Finkers en Kaandorp als belangrijkste vertegenwoordigers. Kaandorp: 'Dat klopte wel. Wij voelden ons zeker verwant en zochten elkaars gezelschap ook op.' Dat resulteert in de single Duet , die halverwege 1990 op de markt komt. Het nummer, op de muziek van Together We're Strong van Mireille Mathieu en Patrick Duffy, groeit uit tot een hit.
Kaandorp: 'Wij vonden het één grote grap. We hadden ook geen clip opgenomen, maar toen de plaat in de toptien kwam, werd de platenmaatschappij opeens zenuwachtig. Toen moesten we toch opeens voor de camera. Te laat voor een nummer-een-notering.'
Tegen die tijd is Finkers' populariteit al tot ongekende hoogte gestegen. Een tv-optreden bij Jan Lenferinks RUR in 1987 maakt hem ook in de Randstad salonfähig. Vanaf dat moment speelt hij alleen nog in de grote zalen, die steevast zijn uitverkocht. Fans in slaapzakken bij de theaterkassa's zijn in zijn geval nu eens géén broodjeaapverhaal.
Het knappe is, vindt zus Angelique, dat hij ondanks alle successen stevig met beide benen op de grond is blijven staan. 'Herman heeft geen last van ego.'
Die schijnbare 'gewoonheid' is op het podium zijn grote kracht, zegt vriend en collega-cabaretier Jeroen van Merwijk. 'Als je Hans Teeuwen bezig zag, dan dacht je: god, wat knap. Bij Herman denk je: nou, dat zou ik ook wel kunnen. Hij blijft heel dichtbij. Maar ondertussen weet-ie heel goed waar hij mee bezig is. Zijn gevoel voor timing is onovertroffen.' Van Merwijk ziet een parallel met Toon Hermans: 'Dat nonchalante, dat babbelige.'
Inhoudelijk verandert er niet veel. Finkers legt zich in latere shows als Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig , Geen spatader veranderd en Kalm aan en rap een beetje meer toe op de visuele humor. Bovendien krijgt broer Wilfried steeds meer kleine, meestal zwijgende rolletjes op het podium toebedeeld. Wilfried is 'het enige rekwisiet dat nooit dienst weigert', zegt Herman ergens in een interview.
'Denk niet te onaardig over de dood. Hij is je uiteindelijke minnaar, die het laatste bed met je deelt.'
Na negen solo's in twintig jaar tijd, maakt Finkers in 2000 bekend dat hij zich uit het theater terugtrekt. 'Ik had de pruimen op,' zegt hij op z'n Twents. 'Ik had het gehad.' Hij is oververmoeid, lijdt aan de ziekte van Pfeiffer. Korte tijd later wordt een ernstiger diagnose gesteld: Finkers heeft chronische lymfatische leukemie, een vorm van kanker.
Kaandorp: 'Hij was van het begin af heel laconiek over zijn ziekte. Hij vond het eigenlijk vooral onhandig dat hij steeds zo snel moe werd.' Heeft de ziekte hem veranderd? Zus Angelique: 'Het heeft zijn spirituele beleving nog meer verrijkt.' Van Merwijk: 'Het geloof speelt een grotere rol dan voorheen. Zonder dat hij kwezelig is geworden.' Hij vergelijkt Finkers' geloofsbeleving met die van Gerard Reve: 'Een overtuigd katholiek, die er tegelijkertijd ironisch en kritisch over kan zijn. Een intelligente gelovige.'
Intussen zit Finkers niet stil. Hij is co-auteur, dialectcoach en locatiescout voor de succesvolle regiosoap Van Jonge Leu en Oale Groond voor RTV Oost, waarin hij ook een klein rolletje speelt. Hij gaat op audiëntie bij de paus, in gezelschap van zijn mongoloïde neef. Hij zet zich in voor het behoud van de Sint-Plechelmus-basiliek in Oldenzaal.
Opeens staat Finkers toch weer op de planken met een nieuwe show, Na de pauze , die 25 oktober in première is gegaan en tot de zomer van 2009 doorspeelt. Alles is anders: het 'oude' Groningse team is niet meer bij de productie betrokken, ook broer Wilfried doet niet meer mee. Ook op het podium is Finkers veranderd. In Na de pauze is, naast de bekende Finkers-kolder, meer ruimte voor religieuze en cultuurfilosofische overpeinzingen. Over zijn geloof citeert Finkers de bekende zegswijze ' credo quia absurdum ': 'Ik geloof omdat het absurd is.' En over de tijdgeest dicht hij: 'Verlicht, maar weinig zicht./ Mijn God, wat ik u schreeuw:/ Geef ons voor extra licht,/ Zo'n donk're Middeleeuw'.
Klinkt hier iets van nostalgie? Is Finkers een romanticus die het liefst zou vluchten voor de moderne tijd? Zijn passie voor gregoriaanse zang doet iets dergelijks vermoeden. Aan de andere kant, vertelt Van Merwijk, is Finkers zeer bijdetijds als het gaat om nieuwe technische snufjes. De constante is zijn gedrevenheid. Alferink: 'Als Herman zich ergens op stort, wil hij er meteen alles van weten. Hij is een fanatiekeling.'
Gedreven, eigenzinnig, koppig (Kaandorp). Maar ook: warm, zachtaardig (Van Merwijk), charmant (oom Jan). En aan het eind van de rit: 'geen kwaad woord over Herman,' aldus Kaandorp. 'Hij is echt een schatje.' Van Merwijk: 'Iedereen houdt van Herman Finkers.'
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement