dinsdag 6 mei 2008 10:13
Het is weer 6 mei! Fortuyn is er niet meer. Maar zijn opinies, analyses en gedachten leven voort in onze geschiedenis. Zijn erfenis is er ook: het islamdebat.
De islam was in zijn ogen niet verenigbaar met een democratische rechtsorde. Het islamitische recht vormt voor hem het bewijs voor zijn stelling. Dit zouden we moeten beschouwen als een normatieve bewijsvoering.
Echter, de meeste voorbeelden die Fortuyn aanvoert zijn empirisch van aard. Fortuyn had natuurlijk weinig kennis van de politieke filosofie van de moslims, de interne geschiedenis van de islam en de politiek-theologische aspecten ervan. Wat hij zag, namelijk de moslims, was voor hem de aanleiding om de islam als een problematische religie te zien. De politiek- theologische, historische aspecten van de islam bleven dus onbelicht in de polemieken die Fortuyn voerde met de islam. Hij moet wel worden beschouwd als een ijsbreker die het islamdebat decriminaliseerde.
Islamisering
Een debat over de islam was immers in de jaren negentig van de vorige eeuw niet mogelijk. Naar aanleiding van zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur kwamen emotionele en afwijzende reacties op gang. De Tweede Wereldoorlog was weer het argument om een vrij debat over de immigranten of de islam met succes te kunnen blokkeren.
We zouden nooit kunnen begrijpen hoe belangrijk Fortuyns discussie over de islam is geweest, als we ons er niet bewust van waren geweest welke barrières daarvoor moesten worden overwonnen. Ter illustratie citeer ik uitvoerig uit het onderzoek van de ‘Commissie feitenonderzoek veiligheid en beveiliging Pim Fortuyn’.
Naar aanleiding van zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur werd Fortuyn door Marcel van Dam en Paul Witteman op 15 februari 1997 uitgenodigd om in het VARA-programma Het Lager Huis te verschijnen.
De commissie rapporteert hierover het volgende: ‘(...) maar al vlug interrumpeerde Van Dam hem met de vraag waaruit zou blijken dat de islamisering onze cultuur en in het bijzonder de scheiding tussen kerk en staat in Nederland bedreigt. Onder verwijzing naar zijn essay antwoordde Fortuyn dat er een onderklasse is ontstaan en dat zo een van de voorwaarden is geschapen voor een fundamentalistische bedreiging. Van Dam reageerde hierop met te zeggen dat er geen enkel "vooraanstaande geleerde" is die dit vindt en dat zijn bezwaar tegen het boekje is "dat u de mensen aanzet tot angst voor vreemdelingen, terwijl die angst volkomen ongegrond is."
Populist
Fortuyn sprak hierop tegen: "Ik vind het volkomen schandalig, omdat ik dat niet beweer." De discussie werd nog harder en de sfeer steeds grimmiger:
Van Dam (VD): Populist? Populist? Weet u wat ik zo vreselijk vind?
Pim Fortuyn (PF): Ja? Ik vind u vreselijk.
VD: Dat u potentiële angsten bij het Nederlandse volk tegen vreemdelingen exploiteert...
PF: Weet u wat u doet met dit debat. Ik heb...
VD: ...exploiteert om die boekjes, die overigens nog voor geen gulden informatie bevatten, om dat te verkopen.
PF: Alweer zo’n beschuldiging. Wat ik probeer met mijn boek...
VD: U bent een buitengewoon minderwaardig mens. Weet u dat?
PF: Ik probeer in mijn boek het debat te verbreden mijnheer Van Dam en die politiek correcte kerk van u te bestrijden (Commissie, 2002, p. 133-134).’
Hier wordt min of meer duidelijk dat de debatten op een onzuivere wijze werden gevoerd. Nu weet iedereen dat niet van Dam maar Fortuyn gelijk had. Een islamdebat was en is riskant. De vreselijke gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog worden misbruikt om een inhoudelijk debat met andersdenkenden te blokkeren.
Demoniseren
Te worden gedemoniseerd en gecriminaliseerd: dat waren vóór de moord op Fortuyn de voornaamste risico’s bij deelname aan het publieke debat. Een aanslag, de dood is ná de moord op Fortuyn het voornaamste risico van de actieve deelname aan het debat. ‘Het woord als wapen’ sidderde als een nieuwe ondertitel op het kaft van het boek dat niet meer ‘Tegen ....’ maar ‘De islamisering van onze cultuur’ heet.
Kennelijk was Fortuyn doordrongen geraakt van de veiligheidsrisico’s die samenhangen met een debat over de minderheden en de islam. Daarom eindigde hij zijn inleiding (2002) met een analyse van een waarzegger: ‘Een reden temeer om ons nu niet te laten kisten door angst en de discussie, de ideologische strijd, met de islam aan te gaan. Uiteraard binnen de grenzen van de wet die voor ons allen zonder aanzien des persoon gelden. Dus: handen thuis, spreken met twee woorden om over bekladding van moskeeën en brandstichting in islamitische eigendommen maar niet te spreken. Geweld is laf, zeker indien er geen visitekaartje aan hangt, en onze beschaving onwaardig. Het woord als wapen, daarmee moeten we het in de moderniteit doen en op termijn zal dat een respectvol, liefdevol en buitengewoon effectief wapen blijken te zijn!’
Alles wat Fortuyn hier schreef, heeft helaas plaatsgehad. De overheid en de samenleving hadden niet het vermogen om de genoemde risico’s tegen te houden.
Daarom leeft Fortuyn niet meer. Geweld is laf, ook als het afkomstig is van een links extremistische visitekaartje.
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement