woensdag 10 juni 2009 11:00
Op het moment dat de Iraanse wolven elkaar willen verslinden, gaat een lieve, verdraagzame, moedige man, vader, oom heen
Nadat ik mijn blog voor vandaag had geschreven over de conflictueuze toestand in Iran, belde ik naar mijn zus in Iran om met haar van gedachten te wisselen.
Het Iraanse regime verkeert in een diepe crisis. Maar zij riep: Hij is dood! Hij is dood! De naam van de overledene viel niet. Hij, alleen een hij. Er viel een stilte. Een zware stilte.
Wie is dood? Wie was hij?
Onderduikadres
Mijn oom, mijn laatste onderduikadres in bange dagen, is dood. Velen in mijn familie wilden mij niet in hun huis hebben. Hij gaf mij mijn laatste onderdak in Teheran.
Wat sterft met hem? Wat sterft in mij met hem? Veel is een onderduikadres. Alles is een onderduikadres. Wat een zucht, een diepe zucht.
Op een dag, een zwarte dag, rende ik, nee vloog ik naar hem toe. Het was herfst, een koude bittere herfst. Zijn zoon, Faramarz, was geëxecuteerd. Ik had hem een paar maanden voor zijn arrestatie gezien en gesproken. Wij waren elkaars vrienden, maatjes. Hij was drie jaar ouder.
Bedorvenen der aarde
Op die dag stonden namen van acht contrarevolutionaire kaffir, bedorvenen der aarde, die in het Noorden van Iran werden geëxecuteerd, in de krant. Faramarz betekent letterlijk voorbij de grens.
We omhelsden elkaar. Lieve oom, zei ik. Maar hij neurierede met zachte stem: Nee, niet huilen. Huilen doen we niet! Huilen doen we niet! Straks gaan ook de kleine kinderen huilen en dan nog de vrouwen. De muren hebben muizen, de muizen hebben oren, en die gaan aan de Revolutionaire Garde vertellen dat we hier wonen.
Zonder geluid hebben wij gehuild. We schreeuwden onhoorbaar.
Knappe jongen
Daarna verhuisden ze vaak. Een groot portret van Faramarz hing aan de muur. Als de nieuwe buren vroegen naar die knappe jongen, zeiden ze met een brok in hun keel: dit is onze zoon, omgekomen in de oorlog. Bij het woordje zoon veranderde iets in zijn stem.
De geëxecuteerden zijn begraven in een massagraf. Waar? Dat weten zij niet. Alleen de zonen van Allah weten dat.
Tijdens mijn ondergrondse periode hebben we een paar keer samen flink gedronken. En ook flink gehuild. Maar mijn oom bezat een onmenselijk vermogen: hij kon iedereen, onder welke omstandigheden dan ook, aan het lachen brengen. We hebben dus ook flink gelachen. Hij was een baken van hoop.
Moedig mens
Met enthousiasme vertelde hij mij dat Faramarz als een moedig mens was gestorven. Hij verried zijn vrienden niet.
Fraramarz spuugde zelfs op de mullahs van de revolutionaire rechtbank. Maar dit is niet alles. In dezelfde week kwam het bericht dat ook de man van de zus van Faramarz was geëxecuteerd. Ineens waren twee leden van onze familie weg.
Jong gestorven in een periode waarin doodgaan een eer was. Mijn oom vervloekte de baardmannen veelvuldig.
Schurken
De laatste keer dat ik mijn oom belde, was op de dag van de executie van Faramarz. Deftig vroeg hij: beloof me dat die schurken ooit ter verantwoording zullen worden geroepen. Beloof me dat je Faramarz gaat zoeken en herbegraven.
Liefst heb ik dat je mij naast hem begraaft.
Ik beloof je mijn vriend.
Spionnen
Een lieve en hoopvolle man is gestorven. Ik noem zijn naam niet. Zijn naam zal in bange dagen nog steeds mijn onderduikadres zijn. Ik houd zijn naam geheim, ook voor de Iraanse spionnen die wellicht tot taak hebben om dagelijks deze blog te vertalen.
Vaarwel, mijn laatste adres in de stad van herinneringen. Vandaag begraven ze je. Ik zal er niet zijn om jou te dragen.
Op het moment dat de Iraanse wolven elkaar willen verslinden, gaat een lieve, verdraagzame, moedige man, vader, oom heen.
advertentie
advertentie
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden. Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden en Privacy Statement